Fine, een tooverheks, met een zuur gezicht, die mevrouw Verstraeten als
meid-alleen voor Lili gehuurd had, sloeg ten huize Atjehstraat over
de ronde tafel in de eetkamer een fonkelnieuw tafelkleed uit. Emilie
stak het gas in den salon aan en Marie was zingend bezig eenige losse
bloemen in vazen te schikken. De tuindeuren stonden open en buiten
was de avond nog licht en parelgrijs.
--Voor van avond mag het schitterende verlichting zijn! riep Emilie
vroolijk, nadat zij de drie kranen van de gaskroon had geopend
en het gas met een geplof ontvlamd was. Morgen pas begint de
zuinigheid! fluisterde zij zachter, opdat Fine haar niet zou hooren.
--Freule, kan ik terecht in de porceleinkast? vroeg Fine met iets
dreigends, als was zij van plan de kast open te breken, wanneer men
er haar niet toeliet.
--Zeker Fine, hier is de sleutel: wat moet je hebben?
--Wel, freule, van alles! Borden en schalen en de soepterrien. En
vorken en messen zie ik ook niet. Maar eigenlijk zou ik goed doen
met naar mijn coteletten te gaan kijken.
--O, best, Fine. Dan zullen wij de tafel wel dekken.
--Ziet u, ik weet nog niet zoo precies waar alles staat.
--Goed, best, Fine, ga maar.
Fine keerde terug naar de coteletten en Emilie maakte de muurkast open,
waarin het servies stond.
--Marie, help me dan toch, in plaats van met die bloemen te staan
zeuren!
--Zorg jij maar voor het practische, dan zorg ik voor de poëzie! riep
Marie en verweerde zich zingend met reusachtige takken seringen.
--Ach neen, toe laat dat nu tot straks. Je zal zien, ze komen, en de
tafel is nog niet gedekt.
Marie verliet hare bloemen en trad op een danspas nader.
--Breng die schalen naar de keuken, dan breng ik de terrien. Maar
breek ze niet met je dolheid!
In de keuken, waar de potten en pannen in het gas als zonnen en
sterren aan den wand schitterden, vroeg Fine nog om een sauskom,
en om nog een schaal. Marie bracht haar alles, terwijl Emilie nu de
tafel dekte met twee couverts en de servetten in de glazen plooide.
--Hé, dat is niet chic! Dat doen ze in een restauratie! riep Marie
en wilde de servetten wegtrekken.
--Marie, blijf af! riep Emilie en greep haar bij de armen. Blijf van
mijn servetten af, zeg ik je!
Zij vochten met elkaâr om de servetten in eene stijgende vroolijkheid,
toen Fine even aan de deur keek. De lachende gezichten van Emilie en
Marie werden als met een tooverslag ernstig.
--Juffrouw, nog een groenteschaal, als u wil.
Fine verdween en Marie trok een gezicht achter haar rug en zocht de
schaal, die zij bracht. Emilie had weldra de tafel gedekt en trok
tusschen hare knieën den wijn open. Marie kwam terug.
--Schenk den wijn toch in hunne mooie karaffen! riep Marie! Ik vind
het bespottelijk, als je mooie dingen gekregen hebt, en je gebruikt
ze niet.
--Dat is een idée! riep Emilie terug. Haal ze eens, Mies, ze zijn
boven in de kast van Georges' kamer.
Marie vloog de trappen op en af en de wijn werd overgegoten in twee
kristallen amforen met zilveren kettingen.
--Zie je, dat verzilvert de tafel wat! sprak Marie bewonderend. Wacht,
nu twee bouquetten, éen voor meneer, een voor mevrouw.
--Een voor beiden is genoeg!
--Twee, zeg ik je. Ik zeg je, twee.
De bouquetten werden geschikt en de tafel was allerliefst, als gedekt
voor een klein souper, met kristal, zilver en bloemen, Emilie rende
naar de keuken.
--Fine, heb je alles wat je noodig hebt?
--Ik geloof het wel freule! Ja, ja, het zal wel gaan.
--Marie, ik ga naar boven.
--Ik kom straks; eerst mijn andere bouquetten.
Emilie vond boven alle deuren open en het gas overal door Marie
aangestoken. Het was wel overdaad voor een zuinig huishouden, die gloed
van gas, maar enfin, ze kwamen toch maar eens voor den eersten keer in
huis, die kinderen! Het ledekant was opgemaakt; kleine benoodigdheden
lagen op de waschtafel en op het toilet; het leven begon er reeds
te komen. Morgen, morgen zou alles leven in het kleine huisje, als
doortrild van den adem eener jonge liefde! Emilie weidde over alles
een laatsten blik, verschikte een stoel, schoof een kleedje recht.
--Het is klaar! alles is klaar! dacht zij vergenoegd.
Inderdaad was alles klaar, zoo goed in de slaapkamer als in het
kantoor, waar in de antieke boekenkast nu alle boeken gerijd, en het
boudoirtje, waar de stoeltjes om het babytafeltje stonden, als had men
er twee minuten te voren op gezeten. Daar stormde Marie de trap op,
de kamer in.
--Emilie, het is bij tienen, we mogen wel maken dat we wegkomen.
--En ons rijtuig is er nog niet.
--Hoe laat heb je het besteld?
--Om tien uur. Ze komen over tienen. Je hoeft niet bang te
zijn. Heusch, ik heb het nagezien. Hé, ik zou graag eens om een hoekje
willen kijken, als ze kwamen.
--Willen we ons verstoppen?
--Ach, wel neen, verbeeld je! Neen, ik wil niet, hoor!
--Ben je bang voor wat je zal zien?
Ze keken elkaâr eens aan en proestten het uit bij de gedachte aan een
teedere scène tusschen Georges en Lili, die verrukt zouden zijn over
hun bijouteriekistje van een huis.
--Weet je wat! riep Emilie, als met een invallende gedachte. Heb je
nog bloemen?
--Nog een beetje die ik niet kan gebruiken. Met korte stelen. Waarom?
--We zullen hun nachtlampje aansteken en er de bloemen omheen
schikken. Dat zal touchant zijn! Gauw, haal je bloemen!
Marie schaterde het uit en vloog gierende de trap af. Toen zij buiten
adem terugkwam, had Emilie het lampje aangestoken.
Marie schikte de bloemen, verschikte ze en verschikte ze weêr; het
wilde niet gelukken.
--Doe het dan toch kalm! Je staat maar te gieren! maande Emilie
aan. En haast je, daar slaat het tien uur.
--"Doe het kalm, en haast je!" Alles te gelijk zeker! O, zoo wordt
het lief, kijk eens.
Er hield een rijtuig voor de deur stil en er werd gebeld.
--Daar heb je ons rijtuig al, kom nu Marie! We zullen het gas hier
uitdoen, dan komt het lampje beter uit! Kom nu.... Ach, groote
goedheid, wat voer je nu uit?
Marie had al de bloemen voor de vierde maal uit den rand van het
lampje genomen, daar zij ontevreden over haar werk was. Emilie was
onrustig en zette haar hoed op.
--Waarom heb je het nu niet gelaten? klaagde zij. Het is al zoo
laat. We zullen nooit wegkomen op die manier.
Marie's vingers tooverden opnieuw met de bloemen en zij slaagde
ditmaal. Emilie beefde van opgewondenheid.
--Netjes! Klaar! riep zij voortdrijvend. Allons, zet je hoed nu op,
het gas uit.
Zij duwde Marie den hoed op het hoofd; flap, draaide de kraan dicht
en sloot de porte-brisée tusschen de slaapkamer en het kantoor. In
de duisternis blonk het lichtje tusschen de bloemen als een lamp der
feeën in den nacht, terwijl een zachte koelte door de open vensters
binnenvlood.
--Vooruit nu, teut die je bent! dreef Emilie voort, en zij verlieten
het vertrek en wilden de trap afstormen. Maar zij hoorden buiten
eensklaps een ratelend gerammel van wielen; zij hoorden stemmen
als van twee koetsiers, die elkaâr iets toeriepen. En zij stuitten
ontsteld hun vaart.
--Ach, zie je, daar heb je het nu! kreet Emilie in wanhoop. Ik heb
het wel gezegd, daar zullen ze al zijn, daar zijn ze al! dat komt
van je teuten!
Er werd gebeld. Zij bleven dralen boven aan de trap, en zagen elkaâr
verschrikt aan.
--En ons rijtuig dat ze natuurlijk zien! riep Marie. Hoe vervelend! Wat
moeten we doen?
--Roep Fine toe nog niet open te maken. Ach neen, het is toch te laat.
--Ja maar, laten we ons dan maar verstoppen! riep Marie, als met een
kreet van vertwijfeling.
--Ach neen, Marie, heusch, dat is te gek!
--Ja, ja, ik verstop me! riep Marie en zij stortte Lili's boudoir
in. Emilie, bang verlaten te worden in dit hachelijk oogenblik, vloog
Marie na. En zij sloten de deur achter zich, draaiden het gas uit en
kropen samen achter de meubelgordijnen, die dicht hingen. Daar stonden
zij, stil proestende, als twee verscholen misdadigsters, terwijl de
dikke Emilie al haar best deed het gordijn niet te doen uitpuilen.
Zij hoorden Fine open doen. Zij hoorden, dat Georges en Lili
binnenkwamen, en zij hoorden de twee koetsiers, die de koffers
binnenbrachten. En zij hoorden de stemmen van Georges en Lili door
elkaâr roepen:
--Dank je, Fine, dank je wel!
Fine had zeker een soort welkomstgroet geuit!
--En van wie is dat rijtuig, Fine?
--Dat rijtuig, dat voorstaat....
Zij hoorden niet wat Fine antwoordde, want Fine sprak altijd gedempt,
op een deftigen toon. Maar Emilie's en Marie's vertwijfeling was
geweken en zij gierden nog slechts in stilte over hare komieke vlucht
achter het gordijn. Marie kietelde Emilie en Emilie verweerde zich
smeekend, terwijl het gordijn heen en weêr zwaaide. Plotseling werden
zij weder stil en luisterden:
--Emilie! Marie! riepen Georges en Lili beneden.
--Cht! Hoû je stil! fluisterde Emilie.
--Die vervelende Fine! bromde Marie. Dat ze toch niet uit zichzelve
begrepen heeft, dat ze moest jokken!
--Marie! Emilie!
Zij hielden zich beiden stil, proestende achter haar gordijn.
--Laten we uit het raam vluchten! lachte Marie.
--En in de armen van onzen koetsier springen? Dank je hartelijk, hoor!
Zij luisterden weer en zij vernamen duidelijk het opgetogen stemmetje
van Lili, die door den salon en de eetkamer en de keuken scheen
te dwalen.
--Georges, neen maar, zie eens, hoe lief alles er uitziet. De tafel
gedekt en bloemen, overal bloemen!
Het bleef beneden een oogenblik stil: Georges en Lili waren zeker
een en al bewondering. Maar weldra klonk weder het geroep:
--Emilie! Marie!
Emilie en Marie hielden zich stil.
--Wacht! We zullen ze gaan zoeken! riep Georges eensklaps uit en
weldra stormde hij met zijn vrouwtje als een wervelwind de trap op.
--O Marie! Daar komen ze boven! steunde Emilie.
--En nu zien ze het nachtlampje veel te vroeg! klaagde Marie.
--Waarom heb je dan toch zoo geteut?
--Zoo! Ik heb het eerst je gezegd voort te maken.
Georges en Lili waren luidruchtig de kamer binnengevlogen. Opnieuw
die bewonderende stilte.... een zacht gefluister, een fijn lachje,
een kus.... Marie proestte het uit.
--Ik hoor lachen, ik hoor lachen! gilde Lili, Ze zitten hier ergens
verscholen. Toe, Marie, Emilie, kom nu toch te voorschijn.
Maar Emilie en Marie hielden zich weer als muizen en zij hoorden
hoe Georges en Lili door het kantoor, het kleedkamertje draafden en
eindelijk in het boudoirtje kwamen.
--O, hier zitten ze, als ze niet in de slaapkamer zitten! Hier is
het alleen donker. Wacht, waar zijn mijn lucifers?
Lili meende echter, dat ze onder het bed waren gekropen en ging
daar even zien. Maar Georges had het gas van het boudoirtje reeds
aangestoken en hij bespeurde aanstonds die uitpuilende gordijnen.
--Lili! Lili! riep hij, kom dan toch.
Lili snelde toe.
--Kijk eens die gordijnen!
--Gevonden, gevonden! juichte Lili. O, die dolle schepsels.
De gordijnen werden opengerukt en zij omhelsden Emilie en Marie,
die gierende, met wangen als vuur, te voorschijn kwamen. Er viel een
stortvloed van woorden en ieder sprak tegelijk.
--Maar hoe akelig nu toch, dat jullie ons moesten overvallen! kreet
Emilie. Jullie zijn te vroeg aangekomen!
--Wat prachtig ziet alles er uit! riep Georges. Wat hebben jullie
ons bedorven!
--We waren zoo gaarne als weldoende feeën weggezweefd! klaagde
Marie. En Lili lachte en weende bijna en omhelsde haar man en hare
zusters zooveel zij maar kon.
--Jullie zijn twee schatten, twee schatten!
Slechts langzamerhand bedaarden zij, nadat Georges prozaïsch had
opgemerkt, dat hij honger kreeg.
--Goed, dan gaan jullie eten en dan vliegen wij weg. niet waar
Marie? sprak Emilie.
--Neen, neen! riepen Georges en Lili tegelijk. Niets er van: jullie
eten meê, samen, samen...
Emilie en Marie verweerden zich en gilden van discretie, maar het
hielp niet. Georges en Lili troonden hen naar beneden. Beneden was
Fine verbouwereerd geweest van dat ondeftige lawaai daar boven,
maar Georges merkte haar zuur gezicht niet op.
--Fine, zet nog twee borden op tafel, allons, gauw!
Lili zelve zette twee stoelen bij, Georges duwde Emilie en Marie
er op en maakte zich meester van haar beider hoeden, die hij op de
canapé gooide. Emilie en Marie verweerden zich nog als wanhopigen,
maar het hielp niet en Georges bond haar beiden een servet onder de
kin. Fine zocht, zoo goed als zij kon, haar weg in de porceleinkast,
en zette twee couverts voor elk der gevangenen. Haar zuur gezicht
keek met iets als een verwonderden glimlach naar die vier vroolijke
menschen. Zij had nooit geweten, dat de menschen zoo vroolijk konden
zijn op de wereld, neen, waarachtig niet!
Maar keek Fine wat zuur, ze kreeg toch een pluimpje van Georges:
de pasteitjes waren heerlijk, de coteletten heerlijk! Fine kon het,
hoor! En Fine verdween, gestreeld, naar haar keuken. Dat jonge paartje
beviel haar wel, en de keuken was klein, maar heel net.
Aan tafel werd het viertal een weinig kalmer en Emilie en Marie
luisterden naar de verhalen uit Parijs. Maar al was Parijs nog
zoo amusant, toch waren Georges en Lili blij, dat ze in hun nestje
waren. In Brussel waren zij nog even de Vere's, die te Parijs zoo
lief voor hen geweest waren, gaan opzoeken. Het gesprek kwam op Eline.
--En hoe vindt je haar? vroeg Lili.
--O Lili! sprak Marie. Ik vind dat ze er uitziet... verschrikkelijk! Om
medelijden meê te hebben.
--Ja, vreeselijk! beaamde Emilie. Ik wist niet wat ik zag.
--Dat heeft ons in Parijs toch niet zoo gefrappeerd, wel Georges? vroeg
Lili.
--Niet zoo bizonder, maar wij zagen haar er altijd op haar mooist,
gekleed voor een diner of voor de opera.
--Arme meid! Ik vind het zoo een verlaten schepsel! hernam Emilie. Er
zonk even een zachte weemoed over hen neêr bij de gedachte aan
Eline. Maar Georges vroeg nog een tweede portie van de podding,
en zij werden weder vroolijk.
Het liep naar twaalven toe.
--En ons rijtuig, dat maar staat te wachten! Ik zal je de rekening
sturen, hoor! dreigde Emilie.
Zij maakte zich nu met Marie gereed om te vertrekken.
Nogmaals een stortvloed van zoenen. En Georges bracht de zusjes naar
het rijtuig.
--Eerst Princessegracht, dan Noordeinde! riep hij, wuifde ze toe en
sloot de deur.
In de eetkamer vond hij zijn vrouwtje; zij sloeg een gelukkigen
blik over haar lieve kamers, over haar ontredderde eettafel, met de
seringen en de rozen in de vazen en met den wijn, tintelend in het
zilver en kristal: de herinnering aan een avondmaal vol gezelligheid
en sympathie. Maar toch, nu waren zij alleen! Zij sloeg haar armen
om zijn hals en drukte hem vast in haar tengere gestalte.
--Mijn wijfje! Mijn Engel! fluisterde hij in een kus en zijn oogen
lachten in de hare.
--Zie je, sprak zij, overvloeiende van geluk en zij wees in het
rond. Dat is nu van ons, dat is ons eigendom! En wij, wij zijn ook
elkanders eigendom, wij behooren aan niemand anders dan aan elkaâr,
aan elkaâr!
Hij antwoordde niet, maar sloot haar geheel en al aan zich vast. En
de avondlucht, die steeds door de open tuindeuren vloot, scheen een
belofte van liefde, die koele wieken boven hun hoofden wuiven deed.