IV.

Ter eere van Eline zorgde Paul tegenwoordig te zijn bij het

koffiedrinken, te half-een. Des namiddags kwamen eerst de heer en

mevrouw Verstraeten met Marie en vervolgens Emilie De Woude. Eline

ontving ze hartelijk en toonde zich verheugd ze weder te zien en

vertelde hun allen veel nieuws van Georges en Lili. De Moulangers,

familie van tante Elize, en de Des Luynes hadden hen allen zoo een

lief, jong paartje gevonden en ze deden hun nu nog veel beleefdheid. En

het was heel aardig van Georges en Lili, dat ze haar, Eline, dadelijk

waren gaan opzoeken: ze apprecieerde dat zeer.

Een vreemd gevoel maakte zich van Marie meester, nu zij Eline weder

hoorde en zag; het was iets als een vrees of Eline ook eene verandering

in haar zou bespeuren. Maar Eline scheen niets op te merken en

praatte door. Zij praatte door, over hare reizen, over steden, die zij

gezien had, over menschen, die zij ontmoet had, praatte door, vlug en

zenuwachtig, alsof hare zinnen elkaâr op de hielen zaten. Het was eene

nervoziteit, die haar tegenwoordig steeds omving, in elk gezelschap;

hoe klein en intiem ook, en zij frommelde haar zakdoek krampachtig

ineen, of plukte aan de franje van een tafelkleedje, of slingerde

kwasten van haar fauteuil heen en weêr, in een onwederstaanbaren

aandrang tot bewegelijkheid. Hare elegante loomheid, hare gracieuse

kalmte van vroeger waren geheel en al verdwenen.

Het was bij vieren, toen de deur van den salon geopend werd en Betsy

binnenkwam, met Ben aan de hand. Eline rees aanstonds op en snelde haar

tegemoet, om hare verlegenheid te verbergen. Zij omhelsde haar zuster

onstuimig en Betsy vond gelukkig eenige vriendelijke woorden. Daarna

overstelpte Eline Ben met zoenen. Hij was groot en zwaar voor zijn

vijf jaar en had in zijn oogen den onbestemden slaperigen blik van

een kind, dat achterlijk is. Toch scheen hij zich iets aangenaams te

herinneren, want zijn lipjes openden zich tot een blijden glimlach

en hij sloeg Eline, die zich gebukt had, zijne dikke armpjes om den

hals om haar te kussen.

Geen der beide zusters scheen daarna een onderhoud vertrouwelijker

dan het algemeen gesprek te wenschen, want Betsy vertrok tegelijk

met de Verstraetens en Emilie, en Eline hield haar niet terug. Zij

gevoelden beiden, dat niets haar meer bond, dan een band van conventie,

dien zij, ter wille van de meening der wereld, eerbiedigden, maar die

geen liefde insloot. In anderhalf jaar hadden zij elkaâr niet gezien;

nu zij elkander weêr zagen, scheen het haar, dat zij vreemden waren,

die zich beleefd en vriendelijk voordeden en belangstellende vragen

uitten, met een hart vol kille onverschilligheid.

Eline was moê, toen zij weg waren en zij leunde in haar fauteuil

achteruit, nu zij, stil en alleen met mevrouw, zat voor het dichte

deurvenster, dat op de verandah uitkwam, een klein fluweelen tafeltje

tusschen haarbeiden, waarop mevrouws haakmand stond en eenige boeken

en illustraties lagen. Met een mat lachje knikte zij mevrouw toe

en sloot toen hare oogen, behagelijk gestreeld door die rust vol

gezellige huiselijkheid.

Mevrouw nam heur haakster weêr op en het werd haar eensklaps, of zij

niet meer zoo doof en onverschillig voorthaakte, als zij placht te

doen: het werd haar, of zij door hare stramme, oude leden een nieuwen

levensgloed voelde stroomen, of zij voortaan met een doel zou kunnen

leven. Dat doel was: het arme kind, dat daar uitgeput in haar stoel

hing, tot levenslust en hoop op te wekken, opdat het nog zulk een

geluk zou kunnen vinden, als zijzelve in hare jeugd gevonden had. Een

warme sympathie scheen bij die gedachte door hare aderen te vloeien

en een zachte glans tintelde in hare doffe oogen op, nu ze Eline,

vermagerd en verbleekt ineengezonken, vol toeblikten.

--Eline, begon zij zacht. Ik moet je eens spreken, eens ernstig

spreken.

Eline opende hare oogen en zag haar vragend aan.

--Je zei me van morgen, dat je in Parijs onder behandeling was

geweest. Zou je niet vinden, dat ik goed deed, wanneer ik Reijer

eens schreef om te komen. Hij is mijn dokter niet, maar ik weet,

dat je vroeger...

Eline schrikte hevig op.

--Wat ik u bidden mag, mevrouwtje, geen dokter voor mij! riep zij

hartstochtelijk, bijna gebiedend uit. Ze hebben mij in het buitenland

al genoeg verveeld, en ze kunnen mij toch niet genezen. U doelt immers

op mijn hoest?

--Ik kan je niet zeggen, waarop ik doel. Ik vind, dat je over het

algemeen er allerslechtst uitziet, ik geloof dat je door en door ziek

bent, al zou ik niet precies je ziekte kunnen noemen...

Eline lachte luid.

--Maar Moesje-lief, u maakt me heusch erger dan ik ben. Ik gevoel me,

nu ik al minder hoest, heusch heel wel! U is erg lief, zoo bezorgd

over me te zijn, maar waarlijk...

--Mag ik Reijer dus niet schrijven? vroeg mevrouw met zachten aandrang.

Eline meende haar leed gedaan te hebben met heure afwijzende woorden

en haar lach en zij zag mevrouw op hare innemende wijze aan.

--U mag alles! murmelde zij bijna dwepend, en als ik er u plezier

meê doen kan, zal ik slikken wat ze me voorzetten en mogen ze weêr

op me tikken en hameren, zoolang als ze verkiezen. Ik geloof niet,

dat het me iets helpen zal, maar als u het gaarne heeft, zal het

gebeuren. Schrijf Reijer, u mag het; u mag alles...

Mevrouw was haar dankbaar en, voor het oogenblik, een weinig

gerustgesteld.

Hoofdstuk XXIX.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 139 / 188 题