Toen Eline zich den volgenden morgen gekleed had en de glazen
deuren van hare kamer had geopend, bespeurde zij mevrouw Van Raat,
een bloemenschaar in de hand, tusschen de stamrozen, die in knop
stonden. Eline spoedde zich naar beneden, naar den tuin.
--Ik ben toch niet in den laatte? U heeft toch nog niet ontbeten? vroeg
zij met hare lieve stem. Mevrouw kuste haar en zeide dat zij zoo laat
mocht opstaan als zij wilde, en dat zij met het ontbijt gewacht had.
--Ik zie, dat u me wilt gaan bederven... U zal zien, hoe lastig ik het
u nog maken zal. Wat ziet de tuin er lief uit... Mag ik wat plukken?
Mevrouw stemde glimlachend toe, gaf haar de schaar en volgde haar een
weinig, waar zij, tusschen de heesters zich op de teenen verheffend,
de bloesemende takken afsneed, op de lippen steeds een zacht woord
vol sympathie. Zij boog de donkerpaarse en zachtblanke trossen der
seringen, de glinsterend helgele trossen der goude-regens tot zich toe
en de blinkende dauwdroppelen rolden als klare, ronde diamanten over
hare vingers. Vlug gleed hare schaar door de bengelende stengels der
sneeuwballen of vlijmde in de roze bloesemtwijg van een meidoorn. En
zij betreurde het, dat de jasmijnen, hoewel vol in knop, nog niet
ontloken waren...
--Heeft u een vaas? Dan zal ik er een bouquet van maken, maar dan
moet ik nog meer seringen hebben, vooral seringen...
De schaar vloog door een grooten heester, die nog niets geofferd had,
en de paarse trossen vielen om haar heen, in het dauwige gras. Zij
verzamelde ze, en volgde mevrouw die naar binnen ging. In de eetkamer,
terwijl mevrouw Eline's chocolade gereed maakte, schikte zij de
twijgen in eene groote vaas op het buffet.
--Dat staat vroolijk, zoo wat bloemen, vindt u niet? riep zij,
en ging een paar pas achteruit om over het effect van haar lossen
bouquet te oordeelen.
Mevrouw waarschuwde, dat zij de chocolade koud liet worden, en zij
zette zich met een zucht. Het was mevrouw gisteren reeds opgevallen
hoe Eline's gebaren steeds onrustig en zenuwachtig waren, hoe zij
naar iets greep, het weder neêrzette, telkens onwillekeurig en zonder
noodzakelijkheid iets verplaatste of bijna angstig uit het raam,
naar de deur of naar het plafond zag. Vaak maakte zij een lichte
beweging met het hoofd of zij schrikte, of tikte met de vingers op
tafel, als speelde zij piano. Maar ook vaak liet zij zich met een
zucht in haren stoel terugvallen en eene doffe matheid verving dan
aanstonds die nerveuze koorts in hare gebaren en blikken.
Ook nu viel mevrouw deze zenuwachtigheid en daarna die plotselinge
matheid op, maar het deed haar toch genoegen dat de warme, geurige
chocolade Eline smaakte.
--En wat eet je nu kind? Een boterham met een zacht eitje? Eline zag
haar met een angstigen glimlach aan.
--Ach mevrouw..... zou ik wel? Liever..... maar niets.... de chocolâ
was heel lekker.
--Maar Elly, je kan toch niet niets eten, je hebt gisteren ook al
niet gegeten! Toe, eet nu een eitje.
Eline stemde toe en mevrouw opende haar eitje, als ware het voor een
bedorven kind geweest.
--Je moet je goed voeden, Elly-lief! ging zij betuigend voort. Heusch,
je ziet er zoo mager en hol uit, net of je honger hebt geleden. Je
moet je goed voeden, melk drinken en eieren en vleesch eten, hoor!
Eline glimlachte slechts en zag naar het ei met een lichten afschuw,
dien zij niet verbergen kon. Een paar malen proefde zij, toen schoof
zij het weg.
--Toe moesje, word niet boos, maar heusch.... ik kan niet. Ik word
er zoo akelig van.
Zij zag mevrouw zoo smeekend aan, dat deze niet meer aandrong en
zij nam nu, om mevrouw toch plezier te doen, een beschuitje. Dat was
genoeg; heusch, ze at nooit meer zoo vroeg in den morgen.
--En Paul? Slaapt die nog?
--O ja.
Mevrouw zeide, dat Paul altijd alleen ontbeet of meestal niet ontbeet
en alleen koffie dronk. Paul gaf haar weinig last maar ook weinig
genoegen.
--Meisjes zijn veel gemakkelijker en veel liever dan die jongens,
niet waar, moesje? U moet u nu maar verbeelden, dat u een dochter
thuis hebt gekregen! sprak Eline liefkoozend. O, herinnert u u nog;
het is nu al lang geleden, toen heeft u mij gevraagd bij u te komen
wonen en ik antwoordde u, dat u van me hield, omdat u me zoo weinig
zag, maar dat u me een lastpost zou vinden, als u me iederen dag
zag. Herinnert u u wel?
Mevrouw dacht vaag glimlachend na, maar zij herinnerde het zich
niet meer.
--O, ik weet het nog zoo goed. Het was op het Nassauplein, in het
kleine, violette boudoirtje. Wie had toen gedacht, dat ik waarlijk
eens mijn toevlucht bij u zou komen zoeken? Maar heusch, ik zal mijn
best doen geen lastpost te zijn....
Weemoed vervulde haar hart en zenuwachtig speelde zij met een klein
medaillon van zwart émail en pareltjes, dat aan haar horlogeketting
hing, en dat zij sedert jaren niet meer gedragen had. Het was een
geschenk van haar vader geweest, toen zij tien jaar geworden was; na
zijn dood had zij bij zichzelve een belofte afgelegd het niet meer
te dragen, maar vanochtend droeg zij het weder voor het eerst. Het
bevatte nu het stukje karton, dat zij gisterenavond tusschen haar
brieven gevonden had.
--Mevrouwtje, begon zij met een zacht trillende sternen zij legde
hare eene hand op die der oude vrouw, Mevrouwtje, ik wilde u iets
vragen. Ziet u Erlevoort nog wel eens, of hoort u nog wel eens wat
van hem?
Mevrouw zag haar aan, als poogde zij Eline's gedachten te raden,
maar zij vermocht niets af te leiden uit die koortsige blikken,
uit de bewegelijkheid dier spelende vingers.
--Waarom vraag je dat, Elly? vroeg zij.
Het was de eerste maal, dat zij met Eline sprak over Otto, nadat hun
engagement verbroken was.
--Ach, ik zou graag willen weten, of hij het zich erg heeft
aangetrokken, en of hij nu gelukkig is. Ontmoet u hem nooit?
--Ik heb hem een enkele maal bij mijn zwager gezien op de
Princessegracht.
--Hoe ziet hij er uit?
--Hij is in zijn uiterlijk niet veel veranderd, misschien een beetje
ouder geworden, maar dat frappeert toch niet. Hij is wel stil en een
beetje somber, maar hij was toch nooit vreeselijk uitgelaten, wel?
--Neen, murmelde Eline, overvloeiende van herinneringen.
--Hij is nu niet in Den Haag. Hij is naar de Horze, geloof ik.
--Zou ik hem hebben doen vluchten? dacht Eline, en om zich te houden
of zij belang in hem stelde om hemzelven, niet om haarzelve, sprak
zij zacht:
--Hij zal er dus wel overheen zijn. Ik wensch niets liever dan dat
hij gelukkig is; hij verdient het: het is een beste jongen.
Mevrouw zweeg en Eline hield zich in om niet te weenen. O, zoo moest
zij zich zelfs bij haar goed moesje opschroeven en zich anders toonen
dan zij was! Wat was toch het leven een groot gehuichel! Zij, zij had
altijd gehuicheld, voor zichzelve, voor anderen, en zij huichelde
nog, zij was zoo vergroeid in haar gehuichel, dat zij niets anders
kon dan huichelen.
--En nu moet ik je nog iets toonen, dat ik hoop, dat je plezier
zal doen! sprak mevrouw, daar ze iets ried van Eline's weemoed. Kom
eens meê.
Ze bracht haar naar de bel-étage, waar Eline nog niet geweest was,
en opende de deur van den salon.
--Je weet, ik had vroeger zoo een oud hakkebord van een piano, omdat
Paul alleen maar zoo wat tokkelde, om zijn zang in te studeeren. Maar
zie nu eens.
Zij traden binnen en Eline bespeurde op de plaats van het oude
hakkebord een fonkelnieuwe Bechstein. Haar muziekboeken, rood gebonden
met gouden letters, lagen er boven op.
--Daar zal je heerlijk bij kunnen zingen, de klank is zoo zuiver
en mooi.
Eline's lippen trilden en een zenuwachtige trek gleed over haar gelaat.
--Maar mevrouw! stamelde zij. Waarom heeft u dat gedaan, o, waarom
heeft u dat gedaan!... ik zing niet meer.
--Wat! Waarom niet? vroeg mevrouw verschrikt. Eline wierp zich zuchtend
op een stoel.
--Ik mag het niet meer doen! kreet zij bijna smartelijk, daar de nieuwe
piano de herinnering aan haar schitterende stem wreed bij haar deed
oprijzen. De dokters, die ik in Parijs geconsulteerd heb, hebben het
mij verboden. Want u moet weten, dat ik den heelen winter hoest en dat
mijn hoest alleen met den zomer overgaat. De twee laatste winters heb
ik voortdurend gehoest en ik had altijd pijn, hier op mijn borst. 's
Zomers ben ik heel wel!
--Maar kind! sprak mevrouw angstig. Heb je je dan goed laten soigneeren
in het buitenland?
--O ja, de Des Luynes wisten specialiteiten in Parijs voor
borstaandoeningen en ze hebben me geklopt en getikt en geausculteerd,
tot vervelens toe! Ik ben ook lang onder geregelde behandeling geweest
van twee dokters, maar ik kreeg op het laatst genoeg van ze: ze maakten
me toch niet beter, en beweerden, dat ik altijd in een zacht klimaat
moest wonen, maar ik kon toch niet in mijn eentje in Algiers of de
hemel weet waar zitten en oom Daniël moest terug naar Brussel. U
ziet--eindigde zij met een zenuwachtigen lach--ik ben heelemaal een
ruïne, van binnen en van buiten.
Mevrouw drukte, steeds voor haar staande, Eline's hoofd tegen zich aan,
haar oogen vol tranen.
--Het is jammer van de mooie piano! sprak Eline, zich losmakend uit
mevrouws omhelzing en zich nerveus voor de piano zettend. Wat een
volle klank, wat mooi....
Heur vingers gleden snel over de toetsen als in snikkende gamma's;
de tonen schenen te weenen van smart over die verloren stem. Mevrouw
zag droef toe; zij had zich illuzies gemaakt, dat Eline zou zingen,
met Paul zou zingen, dat Paul, door dien zang geboeid, 's avonds veel
thuis zou blijven, dat eene melodieuze, huiselijke gezelligheid hare
eenzame, stille kamers zou vervullen. Maar zij hoorde slechts luide,
snikkende gamma's, den weenenden dauw van een chromatischen triller,
en de groote, losse tranen van pijnlijke staccato's.
--Ik zal werk maken van mijn spel, ik ben nooit een groote pianiste
geweest, maar ik zal mij zooveel mogelijk zoeken te perfectionneeren! U
zal toch muziek hooren, moesjelief! Wat een klank, wat een mooie klank!
En de mooie klanken ruischten door, als een stortvloed van smart.