III.

Toen Eline zich den volgenden morgen gekleed had en de glazen

deuren van hare kamer had geopend, bespeurde zij mevrouw Van Raat,

een bloemenschaar in de hand, tusschen de stamrozen, die in knop

stonden. Eline spoedde zich naar beneden, naar den tuin.

--Ik ben toch niet in den laatte? U heeft toch nog niet ontbeten? vroeg

zij met hare lieve stem. Mevrouw kuste haar en zeide dat zij zoo laat

mocht opstaan als zij wilde, en dat zij met het ontbijt gewacht had.

--Ik zie, dat u me wilt gaan bederven... U zal zien, hoe lastig ik het

u nog maken zal. Wat ziet de tuin er lief uit... Mag ik wat plukken?

Mevrouw stemde glimlachend toe, gaf haar de schaar en volgde haar een

weinig, waar zij, tusschen de heesters zich op de teenen verheffend,

de bloesemende takken afsneed, op de lippen steeds een zacht woord

vol sympathie. Zij boog de donkerpaarse en zachtblanke trossen der

seringen, de glinsterend helgele trossen der goude-regens tot zich toe

en de blinkende dauwdroppelen rolden als klare, ronde diamanten over

hare vingers. Vlug gleed hare schaar door de bengelende stengels der

sneeuwballen of vlijmde in de roze bloesemtwijg van een meidoorn. En

zij betreurde het, dat de jasmijnen, hoewel vol in knop, nog niet

ontloken waren...

--Heeft u een vaas? Dan zal ik er een bouquet van maken, maar dan

moet ik nog meer seringen hebben, vooral seringen...

De schaar vloog door een grooten heester, die nog niets geofferd had,

en de paarse trossen vielen om haar heen, in het dauwige gras. Zij

verzamelde ze, en volgde mevrouw die naar binnen ging. In de eetkamer,

terwijl mevrouw Eline's chocolade gereed maakte, schikte zij de

twijgen in eene groote vaas op het buffet.

--Dat staat vroolijk, zoo wat bloemen, vindt u niet? riep zij,

en ging een paar pas achteruit om over het effect van haar lossen

bouquet te oordeelen.

Mevrouw waarschuwde, dat zij de chocolade koud liet worden, en zij

zette zich met een zucht. Het was mevrouw gisteren reeds opgevallen

hoe Eline's gebaren steeds onrustig en zenuwachtig waren, hoe zij

naar iets greep, het weder neêrzette, telkens onwillekeurig en zonder

noodzakelijkheid iets verplaatste of bijna angstig uit het raam,

naar de deur of naar het plafond zag. Vaak maakte zij een lichte

beweging met het hoofd of zij schrikte, of tikte met de vingers op

tafel, als speelde zij piano. Maar ook vaak liet zij zich met een

zucht in haren stoel terugvallen en eene doffe matheid verving dan

aanstonds die nerveuze koorts in hare gebaren en blikken.

Ook nu viel mevrouw deze zenuwachtigheid en daarna die plotselinge

matheid op, maar het deed haar toch genoegen dat de warme, geurige

chocolade Eline smaakte.

--En wat eet je nu kind? Een boterham met een zacht eitje? Eline zag

haar met een angstigen glimlach aan.

--Ach mevrouw..... zou ik wel? Liever..... maar niets.... de chocolâ

was heel lekker.

--Maar Elly, je kan toch niet niets eten, je hebt gisteren ook al

niet gegeten! Toe, eet nu een eitje.

Eline stemde toe en mevrouw opende haar eitje, als ware het voor een

bedorven kind geweest.

--Je moet je goed voeden, Elly-lief! ging zij betuigend voort. Heusch,

je ziet er zoo mager en hol uit, net of je honger hebt geleden. Je

moet je goed voeden, melk drinken en eieren en vleesch eten, hoor!

Eline glimlachte slechts en zag naar het ei met een lichten afschuw,

dien zij niet verbergen kon. Een paar malen proefde zij, toen schoof

zij het weg.

--Toe moesje, word niet boos, maar heusch.... ik kan niet. Ik word

er zoo akelig van.

Zij zag mevrouw zoo smeekend aan, dat deze niet meer aandrong en

zij nam nu, om mevrouw toch plezier te doen, een beschuitje. Dat was

genoeg; heusch, ze at nooit meer zoo vroeg in den morgen.

--En Paul? Slaapt die nog?

--O ja.

Mevrouw zeide, dat Paul altijd alleen ontbeet of meestal niet ontbeet

en alleen koffie dronk. Paul gaf haar weinig last maar ook weinig

genoegen.

--Meisjes zijn veel gemakkelijker en veel liever dan die jongens,

niet waar, moesje? U moet u nu maar verbeelden, dat u een dochter

thuis hebt gekregen! sprak Eline liefkoozend. O, herinnert u u nog;

het is nu al lang geleden, toen heeft u mij gevraagd bij u te komen

wonen en ik antwoordde u, dat u van me hield, omdat u me zoo weinig

zag, maar dat u me een lastpost zou vinden, als u me iederen dag

zag. Herinnert u u wel?

Mevrouw dacht vaag glimlachend na, maar zij herinnerde het zich

niet meer.

--O, ik weet het nog zoo goed. Het was op het Nassauplein, in het

kleine, violette boudoirtje. Wie had toen gedacht, dat ik waarlijk

eens mijn toevlucht bij u zou komen zoeken? Maar heusch, ik zal mijn

best doen geen lastpost te zijn....

Weemoed vervulde haar hart en zenuwachtig speelde zij met een klein

medaillon van zwart émail en pareltjes, dat aan haar horlogeketting

hing, en dat zij sedert jaren niet meer gedragen had. Het was een

geschenk van haar vader geweest, toen zij tien jaar geworden was; na

zijn dood had zij bij zichzelve een belofte afgelegd het niet meer

te dragen, maar vanochtend droeg zij het weder voor het eerst. Het

bevatte nu het stukje karton, dat zij gisterenavond tusschen haar

brieven gevonden had.

--Mevrouwtje, begon zij met een zacht trillende sternen zij legde

hare eene hand op die der oude vrouw, Mevrouwtje, ik wilde u iets

vragen. Ziet u Erlevoort nog wel eens, of hoort u nog wel eens wat

van hem?

Mevrouw zag haar aan, als poogde zij Eline's gedachten te raden,

maar zij vermocht niets af te leiden uit die koortsige blikken,

uit de bewegelijkheid dier spelende vingers.

--Waarom vraag je dat, Elly? vroeg zij.

Het was de eerste maal, dat zij met Eline sprak over Otto, nadat hun

engagement verbroken was.

--Ach, ik zou graag willen weten, of hij het zich erg heeft

aangetrokken, en of hij nu gelukkig is. Ontmoet u hem nooit?

--Ik heb hem een enkele maal bij mijn zwager gezien op de

Princessegracht.

--Hoe ziet hij er uit?

--Hij is in zijn uiterlijk niet veel veranderd, misschien een beetje

ouder geworden, maar dat frappeert toch niet. Hij is wel stil en een

beetje somber, maar hij was toch nooit vreeselijk uitgelaten, wel?

--Neen, murmelde Eline, overvloeiende van herinneringen.

--Hij is nu niet in Den Haag. Hij is naar de Horze, geloof ik.

--Zou ik hem hebben doen vluchten? dacht Eline, en om zich te houden

of zij belang in hem stelde om hemzelven, niet om haarzelve, sprak

zij zacht:

--Hij zal er dus wel overheen zijn. Ik wensch niets liever dan dat

hij gelukkig is; hij verdient het: het is een beste jongen.

Mevrouw zweeg en Eline hield zich in om niet te weenen. O, zoo moest

zij zich zelfs bij haar goed moesje opschroeven en zich anders toonen

dan zij was! Wat was toch het leven een groot gehuichel! Zij, zij had

altijd gehuicheld, voor zichzelve, voor anderen, en zij huichelde

nog, zij was zoo vergroeid in haar gehuichel, dat zij niets anders

kon dan huichelen.

--En nu moet ik je nog iets toonen, dat ik hoop, dat je plezier

zal doen! sprak mevrouw, daar ze iets ried van Eline's weemoed. Kom

eens meê.

Ze bracht haar naar de bel-étage, waar Eline nog niet geweest was,

en opende de deur van den salon.

--Je weet, ik had vroeger zoo een oud hakkebord van een piano, omdat

Paul alleen maar zoo wat tokkelde, om zijn zang in te studeeren. Maar

zie nu eens.

Zij traden binnen en Eline bespeurde op de plaats van het oude

hakkebord een fonkelnieuwe Bechstein. Haar muziekboeken, rood gebonden

met gouden letters, lagen er boven op.

--Daar zal je heerlijk bij kunnen zingen, de klank is zoo zuiver

en mooi.

Eline's lippen trilden en een zenuwachtige trek gleed over haar gelaat.

--Maar mevrouw! stamelde zij. Waarom heeft u dat gedaan, o, waarom

heeft u dat gedaan!... ik zing niet meer.

--Wat! Waarom niet? vroeg mevrouw verschrikt. Eline wierp zich zuchtend

op een stoel.

--Ik mag het niet meer doen! kreet zij bijna smartelijk, daar de nieuwe

piano de herinnering aan haar schitterende stem wreed bij haar deed

oprijzen. De dokters, die ik in Parijs geconsulteerd heb, hebben het

mij verboden. Want u moet weten, dat ik den heelen winter hoest en dat

mijn hoest alleen met den zomer overgaat. De twee laatste winters heb

ik voortdurend gehoest en ik had altijd pijn, hier op mijn borst. 's

Zomers ben ik heel wel!

--Maar kind! sprak mevrouw angstig. Heb je je dan goed laten soigneeren

in het buitenland?

--O ja, de Des Luynes wisten specialiteiten in Parijs voor

borstaandoeningen en ze hebben me geklopt en getikt en geausculteerd,

tot vervelens toe! Ik ben ook lang onder geregelde behandeling geweest

van twee dokters, maar ik kreeg op het laatst genoeg van ze: ze maakten

me toch niet beter, en beweerden, dat ik altijd in een zacht klimaat

moest wonen, maar ik kon toch niet in mijn eentje in Algiers of de

hemel weet waar zitten en oom Daniël moest terug naar Brussel. U

ziet--eindigde zij met een zenuwachtigen lach--ik ben heelemaal een

ruïne, van binnen en van buiten.

Mevrouw drukte, steeds voor haar staande, Eline's hoofd tegen zich aan,

haar oogen vol tranen.

--Het is jammer van de mooie piano! sprak Eline, zich losmakend uit

mevrouws omhelzing en zich nerveus voor de piano zettend. Wat een

volle klank, wat mooi....

Heur vingers gleden snel over de toetsen als in snikkende gamma's;

de tonen schenen te weenen van smart over die verloren stem. Mevrouw

zag droef toe; zij had zich illuzies gemaakt, dat Eline zou zingen,

met Paul zou zingen, dat Paul, door dien zang geboeid, 's avonds veel

thuis zou blijven, dat eene melodieuze, huiselijke gezelligheid hare

eenzame, stille kamers zou vervullen. Maar zij hoorde slechts luide,

snikkende gamma's, den weenenden dauw van een chromatischen triller,

en de groote, losse tranen van pijnlijke staccato's.

--Ik zal werk maken van mijn spel, ik ben nooit een groote pianiste

geweest, maar ik zal mij zooveel mogelijk zoeken te perfectionneeren! U

zal toch muziek hooren, moesjelief! Wat een klank, wat een mooie klank!

En de mooie klanken ruischten door, als een stortvloed van smart.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 138 / 188 题