Het was over tienen, toen het rijtuig voor het huis in de Laan van
Meerdervoort stilhield. De palfrenier belde, men deed open. Zij stapten
uit. In de vestibule stond mevrouw Van Raat, bevend van aandoening,
nu Eline op haar toestortte en haar omhelsde.
--Goed, lief mevrouwtje! Goed moesje! snikte zij. Je wilt me dus wel
bij je hebben, je wilt me bij je hebben?
Mevrouw weende als een kind en voerde Eline in haar arm de eetkamer
binnen. Het gaslicht scheen er over de gedekte tafel, want men had
gewacht met een souper.
--En, ik kan je niet zeggen, wat een dot ik je vind, mijn goed,
goed oudje! riep Eline. Ik ben zoo blij, dat ik bij je mag komen....
Zij knelde de weenende oude vrouw steeds in hare armen en mevrouw Van
Raat deed haar zitten op de canapé en zette zich naast haar, met den
arm om heur middel. Wat was het een tijd, dat zij Eline niet gezien
had, en hoe zag Eline er uit? Goed?
--O ja, ja! Ik ben heel wel! riep Eline en kuste haar telkens en
telkens weêr.
Mevrouw echter knoopte Eline's voile los, hielp haar heur hoed
afzetten, haar mantel uittrekken. En ach, zij zag aanstonds .... die
ingevallen schouders, die holle wangen, die sombere oogen.
--Kind! kreet zij, niet meester zich te weêrhouden. Kind! Ach wat
ben je veranderd, wat zie je er uit!
Hartstochtelijk omhelsde Eline haar en zij verborg haar gloeiend
kopje aan mevrouwtjes borst.
--O, daar moet u niet op letten. Ik ben wat moê van de reis; ik ben
wat bleek, zeker? U zal het zien, zoodra ik eenigen tijd bij u ben,
zie ik er weêr gezond en frisch uit.... U zal het zien!
Zij lachte mevrouw toe door hare tranen en zij kuste haar steeds,
nu hare wang, dan hare oude gerimpelde hand. Ook Henk en Paul waren
binnen gekomen, ook hen trof aanstonds Eline's vermagerd wezen,
maar hoewel zij schrikten, maakten zij er geene aanmerking over.
Mevrouw kon de oogen niet van Eline afhouden. Zij wischte zich hare
tranen af en vroeg Eline, of zij zich wat wilde verfrisschen op
hare kamer.
--Neen, ach neen, laat maar! riep Eline. Ik voel me wel wat stoffig,
maar het komt er niet op aan. O, Henk, mijn goede Henk!
Zij wenkte Henk, trok hem tot zich, waar zij naast mevrouw op de
canapé zat en pakte zijn dik hoofd in hare kleine handen.
--Ben je niet.... meer boos, Henk? murmelde zij aan zijn oor.
Hij verbeet zich de lippen van aandoening.
--Ik ben nooit.... boos op je geweest! stamelde hij met een brekende
stem.
Zij kuste hem, liet hem los, zuchtte verruimd en sloeg een langen
blik om zich heen. Zij had iets van een thuis gevonden.
Men zette zich aan tafel, maar Eline had geen honger; zij roerde
haar soep even aan, at geen vleesch en nam slechts kieskauwend een
stukje eend met slâ, maar zij wenkte Paul telkens, dat hij haar zou
inschenken, want zij had dorst. De wijn en hare emotie deden een blos
schemeren door de gele bleekte van heur gelaat en toen mevrouw haar
vroeg, waarom oom Daniël haar toch niet gebracht had, lachte zij met
een luiden, zenuwachtigen lach. O, zij kon best alleen van Brussel
naar Den Haag komen; oom had haar willen geleiden, maar zij had zijn
geleide afgeslagen. Zij was zoo bereisd geworden: zij was nergens bang
voor. Niets was gemakkelijker dan te reizen; men pakte zijn koffer,
men informeerde en vroeg hier en daar, wat men noodig had en men ging
in zijn waggon zitten. Als mevrouw later eens zou willen reizen zou
mevrouw zien, hoe handig zij het kon.
Zenuwachtig sprak zij door, steeds met haar wijnglas, dat zij telkens
aan de lippen bracht, in de vingers. Zij sprak over Elize, haar jong
tantetje, een snoesje van een vrouwtje, zoo vroolijk en levendig! Nooit
zat ze stil, dan was ze hier, dan was ze daar, altijd had ze iets te
doen, iets te beredderen. Oom en Elize waren het nooit met elkander
eens, en ze kibbelden onophoudelijk, maar op zoo een aardige manier,
dat het bepaald amuzant was. Elize's familie in Parijs was ook
charmant, maar haar oom en tante, die bij Bordeaux woonden, op een
kasteel, dàt waren lieve menschen. Des Luynes heetten zij. Zij,
Eline, had er de feesten van den wijnoogst bijgewoond, vreeselijk
lief en champêtre, iets van eene episode uit een roman van Georges
Sand.... Georges Sand had immers "La Petite Fadette" geschreven? Nu
juist.... En Spanje, Spanje vond zij prachtig, vooral in het Zuiden,
waar men nog zooveel van de Mooren vond. O, Granada en de Alhambra,
prachtig, magnifique... Naar de stierengevechten had ze nooit willen
gaan, hoewel Elize er haar om had uitgelachen. Maar zij vond ze zoo
griezelig en vies, bepaald vies. Met die doode bloedende beesten....
Paul lachte, en zij lachte ook en beklaagde de arme stieren en zij
sprak door, steeds door; mevrouw drong haar telkens toch iets te eten,
maar zij weigerde met een ernstig gezichtje:
--Heusch niet, mevrouwtje, heusch niet, dank u waarlijk... Ik drink
alleen maar; ik heb zoo een dorst. Mag ik nog een glaasje?
--Kind, kan je er tegen, zooveel te drinken?
--O, ja, daar slaap ik heerlijk op! Anders lig ik wel eens zoo een
heelen nacht wakker, weet u, en dat is zoo vervelend. Cordova is ook
een lieve stad; daar is zoo een prachtige moskee.
Zij liet zich verder voortdrijven op den zenuwachtigen stroom harer
reisherinneringen en sprong van den hak op den tak. Waarom reisde
Paul toch niet meer dan hij deed? Als zij een jongmensch was dat geld
had, zou ze altijd reizen, altijd door! Groote reizen, zie je, bij
voorbeeld, van New-York met de Great Pacific naar San Francisco, en dan
over zee naar Japan, de wereld om, heerlijk! Zij vond het heerlijk! Zij
vond het heerlijk in een waggon, zij zou in een waggon kunnen leven!
Mevrouw schudde zacht glimlachend het hoofd over hare opgewondenheid.
--Maar ik vind het nog heerlijker hier bij u te komen wonen, mijn lief
oudje, mijn schat! riep zij en onstuimig omhelsde zij de grijze vrouw.
Na het souper zeide mevrouw Van Raat, dat het haar veel pleizier zou
doen, zoo Eline nu wat rust ging nemen, op hare kamer. Eline vond
het goed, maar mevrouwtje moest bij haar blijven, wou ze? Paul had
een afspraak met kennissen en nam afscheid en ook Henk stond op om
te vertrekken.
--Mag Betsy je morgen komen zien? fluisterde hij, een beetje
angstig. Zij zag hem vaag glimlachend aan en drukte zijne hand.
--Zeker! sprak ze. Geef ze een zoen van me, zal je...? En hoe is Ben,
is hij groot geworden?
--O, een kolos van een jongen; je zal hem morgen ook zien. Nu adieu,
dag Elly, slaap lekker....
--Adieu, Henk, tot morgen zeker. Adieu....
Henk vertrok en mevrouw geleidde Eline naar boven, naar heure kamer.
--Ik kan je vooreerst geen zitkamer geven, Elly! sprak zij op de
trap. Tenminste niet zoolang Paul nog bij me is.
--Waar denkt hij dan naar toe te gaan?
--Hij wil op zich zelven wonen en dat is beter ook voor een jongmensch,
niet waar? Maar je slaapkamer is heel groot, je weet wel, die kamer
naast de mijne.
--O, die is heerlijk, die herinner ik me!
Leentje had er het licht aangestoken, en de deuren van het balcon
stonden open, zoodat de koele zomeravondlucht binnenvlood. Eline
kuchte even, toen zij binnentrad.
--Het is wat koel, ik zal sluiten, sprak mevrouw en zij sloot de
deurvensters.
Eline zag verbaasd om zich rond en hare oogen werden vochtig.
--Maar mevrouwtje! Mevrouwtje! Wat heeft u gedaan! riep zij ontroerd
uit.
Overal zag zij herinneringen uit hare kamers van het Nassauplein. Daar
stonden haar psyché, haar toilette duchesse, hare schrijftafel, haar
divan, daar hing heur Venetiaansche spiegeltje, daar schitterden,
overal smaakvol verspreid, haar beelden, haar kleine sierlijkheden,
en bijna alleen nieuw, trof haar het groote ledekant, waarvan de
donkerblauwe gordijnen, als een baldakijn tegen den wand waren
opgehangen.
--Bevalt het je zoo? vroeg mevrouw Van Raat. Ik dacht dat je eigen
meubeltjes je het liefst zouden zijn. Maar kindlief, wat is er nu,
waarom moet je nu huilen?
Zij liet zich door Eline's armen omstrengelen en Eline weende op heur
schouder en kuste haar herhaaldelijk. Mevrouw deed haar zitten op den
divan, zette zich eveneens, en Eline leunde steeds tegen haar aan,
als een bedroefd kind tegen zijn moeder.
--O, nu, nu voel ik eerst dat ik rust! sprak ze mat. Want ik ben zoo
moê, zoo moê.
--Wil ik je dan alleen laten en wil je wat slapen?
--Neen, neen, blijf, toe blijf. Ik ben niet moê van die vijf uren
sporen, ik ben moê van... van alles, en daar helpt geen slapen
voor. Maar toch voel ik, dat ik nu rust, niet omdat ik zit, maar omdat
ik tegen u aanleun, en omdat ik weet, dat u van mij houdt. Ziet u,
daar had ik zoo een behoefte aan terwijl ik reisde en bij al die
vreemde menschen was; tegen iemand aan te leunen en een beetje, een
heel klein beetje liefde te voelen. Maar het was alles zoo koud om
me heen, al waren ze nog zoo vriendelijk en beleefd. Oom Daniël is
ook zoo: vriendelijk en galant zou ik bijna zeggen, maar zoo koud;
met Elize maakte ik altijd gekheid, ze is net schuim zoo luchtig,
maar ook koud, cynisch koud. En tegen die vreemden moest ik altijd lief
zijn en lachen, want wie zou een treurige logée hebben willen krijgen,
en waar moest ik naar toe, als ik niet ergens logeerde of reisde!
--Je had bij mij altijd kunnen komen, kind, en ik had je eerder
geschreven, als ik geweten had, dat je je zoo ongelukkig voelde,
maar ik dacht, dat je gelukkig was.
--Gelukkig! kermde Eline. Net zoo gelukkig als een paard, dat niet
meer kan en dat ze voortdrijven met een zweep: hoep! hoep! allo! lachte
zij smartelijk.
Haar lach viel mevrouw Van Raat in de ziel als een mes. Haar doffe
oogen schitterden van tranen en zij vermocht niet te spreken; zij
vermocht Eline alleen dichter aan heur borst te sluiten.
--Ja, hou me maar vast tegen je aan! murmelde Eline zachter. Zoo rust
ik, zoo rust ik uit... zoo ben je mijn lief, oud moesje...
Zoo bleven zij lang zitten en zij spraken bijna niet meer, tot mevrouw
er bij Eline op aandrong, dat ze zou pogen te slapen. Mevrouw bleef
vlak bij haar; Eline behoefde slechts eene deur te openen, om bij
haar te zijn.
--Heb je nog iets noodig, zeg het dan of bel dan, niet waar kind? Doe
voortaan geheel en al of je thuis bent en wees vooral niet te
discreet. Dat zou me pijn doen. Vraag, vraag maar wat je wil hebben...
Eline beloofde het en mevrouw liet haar alleen. Maar Eline voelde
zich nog te vol om zich aanstonds ter ruste te leggen. Zij zag rond
in hare kamer en in elken hoek herkende zij haar eigen vazen, hare
platen en fotografies.
--Goed, lief mensch! murmelde zij met een weemoedigen glimlach. De
zenuwachtige onrust harer ziel scheen als in een zalige veiligheid
weg te vloeien, want zij voelde zich veilig te midden der reliquieën
van haar vroeger leven. Langzaam rees zij van haar divan op, langzaam
wandelde zij rond, op ieder voorwerp sloeg zij een teederen blik. Hare
fijne vingeren streken langs het terra-cotta en biscuit der beelden,
of verschikten eenige fantazie-fotografies, die los hier en daar tegen
het een of ander voorwerp aan leunden. Ieder der kleine dierbare
nietigheden bracht een herinnering mede en het werd haar eensklaps
duidelijk, dat de tijd, dien zij in het buitenland had doorgebracht,
niet was omgevlogen, maar wel degelijk eene volle anderhalf jaar
telde. Zij bedacht nu ook, dat zij die meubels; die ornamenten niet
meer gezien had van het oogenblik af, dat zij in dien verschrikkelijken
nacht naar Jeanne Ferelijn gevlucht was. En elke herinnering, die
opdoemde, bracht weder andere herinneringen met zich mede, zoodat
zij ten laatste als een regen van weldoende, geurige bloemen of van
pijnlijke, vurige vonken haar gemoed overstelpten.
Maar zij zette de wandeling door hare nieuwe kamer voort en haar blik
viel op een Japansche doos, die mevrouw Van Raat op haar schrijftafel
geplaatst had. Zij wilde, als werktuigelijk, de doos openen, maar
bespeurde, dat zij gesloten was. Daar zij echter op tafel haar sleutels
had zien liggen, een bosje kleine sleutels aan een zilveren ring,
dezelfde die zij eenmaal Frans Ferelijn had toevertrouwd, zocht zij
er het sleuteltje van de doos uit en opende die. Zij vond er tal van
brieven, vergeeld van papier, brieven van oude schoolvriendinnen,
brieven van tante Vere, geschreven ten tijde dat zij op kostschool was
geweest. Zij zou de eerste verscheuren, want zij hechtte niet meer aan
die vriendschapsontboezemingen van meisjes, die zij nooit meer zag,
en die ze vergeten had, zooals zij haar vergeten hadden. Zij vond
ook een enkelen brief van heur vader, die haar zoo dierbaar en zoo
verheven was geweest en ze kuste dat papier met een eerbied, of het
heilig ware. Maar op eens, terwijl zij haar brieven schikte, viel uit
die verkleurde bladen een klein stukje karton op den grond. Zij bukte
zich, raapte het op... en eene doodelijke bleekte overtoog heur gelaat,
terwijl haar oogen met ontzetting staarden!
--O! kreunde zij, als reet er een oude wond zich in hare ziel
open. O!.... O, God!
Het was een klein portret van Otto in medaillon-formaat.
Hoe kwam het daar tusschen die oude brieven? Het heugde haar; het was
slechts eene afgekeurde proef van een portret, dat hij eens voor haar
had laten maken. Het portret zelve, dat zij gedurende haar engagement
steeds bij zich gedragen had, had zij met zijne andere cadeaux,
met den waaier van Bucchi, hem teruggezonden, als eene allerlaatste,
noodzakelijk vereischte wreedheid, die zij hem had toegebracht. Dit
mislukte proefje was verdwaald geraakt tusschen hare brieven, en zij
had er niet meer aan gedacht; zij had nagelaten hem ook dit te sturen.
--O! kreunde zij steeds. O!
Zij weende, zij snikte, zij bracht het portret aan heure lippen. Het
versmade proefje was haar grootste schat geworden, en eeuwig zou
zij het met zich dragen, eeuwig, eeuwig! Het was het eenige wat haar
was overgebleven van haar groot geluk, dat haar uit de vingeren was
geglipt, als een dierbare vogel, die haar slechts een leelijk veêrtje
had achtergelaten.
--Otto! ... O, Otto! murmelde zij.
En hare tranen en kussen bedekten het kleine, ronde stukje papier.
In hare eigen slaapkamer zat mevrouw Van Raat nog peinzend
neêr. Weemoedig, de oogen vol tranen, schudde zij langzaam het hoofd.
Hoe was het mogelijk, dat zij zoo gelukkig, zoo lang gelukkig was
geweest met heur man en dat haar lieve Elly zoo weinig vreugde had
gekend? En omdat zij vroom was, met de kinderlijk-geloovende vroomheid
van een eenvoudig hart, dat dankbaarheid voelde voor wat het eens
geschonken was geworden, vouwde zij hare dorre handen en bad zij,
bad zij voor hare lieve Elly, die niet gelukkig was.