II.

Het was over tienen, toen het rijtuig voor het huis in de Laan van

Meerdervoort stilhield. De palfrenier belde, men deed open. Zij stapten

uit. In de vestibule stond mevrouw Van Raat, bevend van aandoening,

nu Eline op haar toestortte en haar omhelsde.

--Goed, lief mevrouwtje! Goed moesje! snikte zij. Je wilt me dus wel

bij je hebben, je wilt me bij je hebben?

Mevrouw weende als een kind en voerde Eline in haar arm de eetkamer

binnen. Het gaslicht scheen er over de gedekte tafel, want men had

gewacht met een souper.

--En, ik kan je niet zeggen, wat een dot ik je vind, mijn goed,

goed oudje! riep Eline. Ik ben zoo blij, dat ik bij je mag komen....

Zij knelde de weenende oude vrouw steeds in hare armen en mevrouw Van

Raat deed haar zitten op de canapé en zette zich naast haar, met den

arm om heur middel. Wat was het een tijd, dat zij Eline niet gezien

had, en hoe zag Eline er uit? Goed?

--O ja, ja! Ik ben heel wel! riep Eline en kuste haar telkens en

telkens weêr.

Mevrouw echter knoopte Eline's voile los, hielp haar heur hoed

afzetten, haar mantel uittrekken. En ach, zij zag aanstonds .... die

ingevallen schouders, die holle wangen, die sombere oogen.

--Kind! kreet zij, niet meester zich te weêrhouden. Kind! Ach wat

ben je veranderd, wat zie je er uit!

Hartstochtelijk omhelsde Eline haar en zij verborg haar gloeiend

kopje aan mevrouwtjes borst.

--O, daar moet u niet op letten. Ik ben wat moê van de reis; ik ben

wat bleek, zeker? U zal het zien, zoodra ik eenigen tijd bij u ben,

zie ik er weêr gezond en frisch uit.... U zal het zien!

Zij lachte mevrouw toe door hare tranen en zij kuste haar steeds,

nu hare wang, dan hare oude gerimpelde hand. Ook Henk en Paul waren

binnen gekomen, ook hen trof aanstonds Eline's vermagerd wezen,

maar hoewel zij schrikten, maakten zij er geene aanmerking over.

Mevrouw kon de oogen niet van Eline afhouden. Zij wischte zich hare

tranen af en vroeg Eline, of zij zich wat wilde verfrisschen op

hare kamer.

--Neen, ach neen, laat maar! riep Eline. Ik voel me wel wat stoffig,

maar het komt er niet op aan. O, Henk, mijn goede Henk!

Zij wenkte Henk, trok hem tot zich, waar zij naast mevrouw op de

canapé zat en pakte zijn dik hoofd in hare kleine handen.

--Ben je niet.... meer boos, Henk? murmelde zij aan zijn oor.

Hij verbeet zich de lippen van aandoening.

--Ik ben nooit.... boos op je geweest! stamelde hij met een brekende

stem.

Zij kuste hem, liet hem los, zuchtte verruimd en sloeg een langen

blik om zich heen. Zij had iets van een thuis gevonden.

Men zette zich aan tafel, maar Eline had geen honger; zij roerde

haar soep even aan, at geen vleesch en nam slechts kieskauwend een

stukje eend met slâ, maar zij wenkte Paul telkens, dat hij haar zou

inschenken, want zij had dorst. De wijn en hare emotie deden een blos

schemeren door de gele bleekte van heur gelaat en toen mevrouw haar

vroeg, waarom oom Daniël haar toch niet gebracht had, lachte zij met

een luiden, zenuwachtigen lach. O, zij kon best alleen van Brussel

naar Den Haag komen; oom had haar willen geleiden, maar zij had zijn

geleide afgeslagen. Zij was zoo bereisd geworden: zij was nergens bang

voor. Niets was gemakkelijker dan te reizen; men pakte zijn koffer,

men informeerde en vroeg hier en daar, wat men noodig had en men ging

in zijn waggon zitten. Als mevrouw later eens zou willen reizen zou

mevrouw zien, hoe handig zij het kon.

Zenuwachtig sprak zij door, steeds met haar wijnglas, dat zij telkens

aan de lippen bracht, in de vingers. Zij sprak over Elize, haar jong

tantetje, een snoesje van een vrouwtje, zoo vroolijk en levendig! Nooit

zat ze stil, dan was ze hier, dan was ze daar, altijd had ze iets te

doen, iets te beredderen. Oom en Elize waren het nooit met elkander

eens, en ze kibbelden onophoudelijk, maar op zoo een aardige manier,

dat het bepaald amuzant was. Elize's familie in Parijs was ook

charmant, maar haar oom en tante, die bij Bordeaux woonden, op een

kasteel, dàt waren lieve menschen. Des Luynes heetten zij. Zij,

Eline, had er de feesten van den wijnoogst bijgewoond, vreeselijk

lief en champêtre, iets van eene episode uit een roman van Georges

Sand.... Georges Sand had immers "La Petite Fadette" geschreven? Nu

juist.... En Spanje, Spanje vond zij prachtig, vooral in het Zuiden,

waar men nog zooveel van de Mooren vond. O, Granada en de Alhambra,

prachtig, magnifique... Naar de stierengevechten had ze nooit willen

gaan, hoewel Elize er haar om had uitgelachen. Maar zij vond ze zoo

griezelig en vies, bepaald vies. Met die doode bloedende beesten....

Paul lachte, en zij lachte ook en beklaagde de arme stieren en zij

sprak door, steeds door; mevrouw drong haar telkens toch iets te eten,

maar zij weigerde met een ernstig gezichtje:

--Heusch niet, mevrouwtje, heusch niet, dank u waarlijk... Ik drink

alleen maar; ik heb zoo een dorst. Mag ik nog een glaasje?

--Kind, kan je er tegen, zooveel te drinken?

--O, ja, daar slaap ik heerlijk op! Anders lig ik wel eens zoo een

heelen nacht wakker, weet u, en dat is zoo vervelend. Cordova is ook

een lieve stad; daar is zoo een prachtige moskee.

Zij liet zich verder voortdrijven op den zenuwachtigen stroom harer

reisherinneringen en sprong van den hak op den tak. Waarom reisde

Paul toch niet meer dan hij deed? Als zij een jongmensch was dat geld

had, zou ze altijd reizen, altijd door! Groote reizen, zie je, bij

voorbeeld, van New-York met de Great Pacific naar San Francisco, en dan

over zee naar Japan, de wereld om, heerlijk! Zij vond het heerlijk! Zij

vond het heerlijk in een waggon, zij zou in een waggon kunnen leven!

Mevrouw schudde zacht glimlachend het hoofd over hare opgewondenheid.

--Maar ik vind het nog heerlijker hier bij u te komen wonen, mijn lief

oudje, mijn schat! riep zij en onstuimig omhelsde zij de grijze vrouw.

Na het souper zeide mevrouw Van Raat, dat het haar veel pleizier zou

doen, zoo Eline nu wat rust ging nemen, op hare kamer. Eline vond

het goed, maar mevrouwtje moest bij haar blijven, wou ze? Paul had

een afspraak met kennissen en nam afscheid en ook Henk stond op om

te vertrekken.

--Mag Betsy je morgen komen zien? fluisterde hij, een beetje

angstig. Zij zag hem vaag glimlachend aan en drukte zijne hand.

--Zeker! sprak ze. Geef ze een zoen van me, zal je...? En hoe is Ben,

is hij groot geworden?

--O, een kolos van een jongen; je zal hem morgen ook zien. Nu adieu,

dag Elly, slaap lekker....

--Adieu, Henk, tot morgen zeker. Adieu....

Henk vertrok en mevrouw geleidde Eline naar boven, naar heure kamer.

--Ik kan je vooreerst geen zitkamer geven, Elly! sprak zij op de

trap. Tenminste niet zoolang Paul nog bij me is.

--Waar denkt hij dan naar toe te gaan?

--Hij wil op zich zelven wonen en dat is beter ook voor een jongmensch,

niet waar? Maar je slaapkamer is heel groot, je weet wel, die kamer

naast de mijne.

--O, die is heerlijk, die herinner ik me!

Leentje had er het licht aangestoken, en de deuren van het balcon

stonden open, zoodat de koele zomeravondlucht binnenvlood. Eline

kuchte even, toen zij binnentrad.

--Het is wat koel, ik zal sluiten, sprak mevrouw en zij sloot de

deurvensters.

Eline zag verbaasd om zich rond en hare oogen werden vochtig.

--Maar mevrouwtje! Mevrouwtje! Wat heeft u gedaan! riep zij ontroerd

uit.

Overal zag zij herinneringen uit hare kamers van het Nassauplein. Daar

stonden haar psyché, haar toilette duchesse, hare schrijftafel, haar

divan, daar hing heur Venetiaansche spiegeltje, daar schitterden,

overal smaakvol verspreid, haar beelden, haar kleine sierlijkheden,

en bijna alleen nieuw, trof haar het groote ledekant, waarvan de

donkerblauwe gordijnen, als een baldakijn tegen den wand waren

opgehangen.

--Bevalt het je zoo? vroeg mevrouw Van Raat. Ik dacht dat je eigen

meubeltjes je het liefst zouden zijn. Maar kindlief, wat is er nu,

waarom moet je nu huilen?

Zij liet zich door Eline's armen omstrengelen en Eline weende op heur

schouder en kuste haar herhaaldelijk. Mevrouw deed haar zitten op den

divan, zette zich eveneens, en Eline leunde steeds tegen haar aan,

als een bedroefd kind tegen zijn moeder.

--O, nu, nu voel ik eerst dat ik rust! sprak ze mat. Want ik ben zoo

moê, zoo moê.

--Wil ik je dan alleen laten en wil je wat slapen?

--Neen, neen, blijf, toe blijf. Ik ben niet moê van die vijf uren

sporen, ik ben moê van... van alles, en daar helpt geen slapen

voor. Maar toch voel ik, dat ik nu rust, niet omdat ik zit, maar omdat

ik tegen u aanleun, en omdat ik weet, dat u van mij houdt. Ziet u,

daar had ik zoo een behoefte aan terwijl ik reisde en bij al die

vreemde menschen was; tegen iemand aan te leunen en een beetje, een

heel klein beetje liefde te voelen. Maar het was alles zoo koud om

me heen, al waren ze nog zoo vriendelijk en beleefd. Oom Daniël is

ook zoo: vriendelijk en galant zou ik bijna zeggen, maar zoo koud;

met Elize maakte ik altijd gekheid, ze is net schuim zoo luchtig,

maar ook koud, cynisch koud. En tegen die vreemden moest ik altijd lief

zijn en lachen, want wie zou een treurige logée hebben willen krijgen,

en waar moest ik naar toe, als ik niet ergens logeerde of reisde!

--Je had bij mij altijd kunnen komen, kind, en ik had je eerder

geschreven, als ik geweten had, dat je je zoo ongelukkig voelde,

maar ik dacht, dat je gelukkig was.

--Gelukkig! kermde Eline. Net zoo gelukkig als een paard, dat niet

meer kan en dat ze voortdrijven met een zweep: hoep! hoep! allo! lachte

zij smartelijk.

Haar lach viel mevrouw Van Raat in de ziel als een mes. Haar doffe

oogen schitterden van tranen en zij vermocht niet te spreken; zij

vermocht Eline alleen dichter aan heur borst te sluiten.

--Ja, hou me maar vast tegen je aan! murmelde Eline zachter. Zoo rust

ik, zoo rust ik uit... zoo ben je mijn lief, oud moesje...

Zoo bleven zij lang zitten en zij spraken bijna niet meer, tot mevrouw

er bij Eline op aandrong, dat ze zou pogen te slapen. Mevrouw bleef

vlak bij haar; Eline behoefde slechts eene deur te openen, om bij

haar te zijn.

--Heb je nog iets noodig, zeg het dan of bel dan, niet waar kind? Doe

voortaan geheel en al of je thuis bent en wees vooral niet te

discreet. Dat zou me pijn doen. Vraag, vraag maar wat je wil hebben...

Eline beloofde het en mevrouw liet haar alleen. Maar Eline voelde

zich nog te vol om zich aanstonds ter ruste te leggen. Zij zag rond

in hare kamer en in elken hoek herkende zij haar eigen vazen, hare

platen en fotografies.

--Goed, lief mensch! murmelde zij met een weemoedigen glimlach. De

zenuwachtige onrust harer ziel scheen als in een zalige veiligheid

weg te vloeien, want zij voelde zich veilig te midden der reliquieën

van haar vroeger leven. Langzaam rees zij van haar divan op, langzaam

wandelde zij rond, op ieder voorwerp sloeg zij een teederen blik. Hare

fijne vingeren streken langs het terra-cotta en biscuit der beelden,

of verschikten eenige fantazie-fotografies, die los hier en daar tegen

het een of ander voorwerp aan leunden. Ieder der kleine dierbare

nietigheden bracht een herinnering mede en het werd haar eensklaps

duidelijk, dat de tijd, dien zij in het buitenland had doorgebracht,

niet was omgevlogen, maar wel degelijk eene volle anderhalf jaar

telde. Zij bedacht nu ook, dat zij die meubels; die ornamenten niet

meer gezien had van het oogenblik af, dat zij in dien verschrikkelijken

nacht naar Jeanne Ferelijn gevlucht was. En elke herinnering, die

opdoemde, bracht weder andere herinneringen met zich mede, zoodat

zij ten laatste als een regen van weldoende, geurige bloemen of van

pijnlijke, vurige vonken haar gemoed overstelpten.

Maar zij zette de wandeling door hare nieuwe kamer voort en haar blik

viel op een Japansche doos, die mevrouw Van Raat op haar schrijftafel

geplaatst had. Zij wilde, als werktuigelijk, de doos openen, maar

bespeurde, dat zij gesloten was. Daar zij echter op tafel haar sleutels

had zien liggen, een bosje kleine sleutels aan een zilveren ring,

dezelfde die zij eenmaal Frans Ferelijn had toevertrouwd, zocht zij

er het sleuteltje van de doos uit en opende die. Zij vond er tal van

brieven, vergeeld van papier, brieven van oude schoolvriendinnen,

brieven van tante Vere, geschreven ten tijde dat zij op kostschool was

geweest. Zij zou de eerste verscheuren, want zij hechtte niet meer aan

die vriendschapsontboezemingen van meisjes, die zij nooit meer zag,

en die ze vergeten had, zooals zij haar vergeten hadden. Zij vond

ook een enkelen brief van heur vader, die haar zoo dierbaar en zoo

verheven was geweest en ze kuste dat papier met een eerbied, of het

heilig ware. Maar op eens, terwijl zij haar brieven schikte, viel uit

die verkleurde bladen een klein stukje karton op den grond. Zij bukte

zich, raapte het op... en eene doodelijke bleekte overtoog heur gelaat,

terwijl haar oogen met ontzetting staarden!

--O! kreunde zij, als reet er een oude wond zich in hare ziel

open. O!.... O, God!

Het was een klein portret van Otto in medaillon-formaat.

Hoe kwam het daar tusschen die oude brieven? Het heugde haar; het was

slechts eene afgekeurde proef van een portret, dat hij eens voor haar

had laten maken. Het portret zelve, dat zij gedurende haar engagement

steeds bij zich gedragen had, had zij met zijne andere cadeaux,

met den waaier van Bucchi, hem teruggezonden, als eene allerlaatste,

noodzakelijk vereischte wreedheid, die zij hem had toegebracht. Dit

mislukte proefje was verdwaald geraakt tusschen hare brieven, en zij

had er niet meer aan gedacht; zij had nagelaten hem ook dit te sturen.

--O! kreunde zij steeds. O!

Zij weende, zij snikte, zij bracht het portret aan heure lippen. Het

versmade proefje was haar grootste schat geworden, en eeuwig zou

zij het met zich dragen, eeuwig, eeuwig! Het was het eenige wat haar

was overgebleven van haar groot geluk, dat haar uit de vingeren was

geglipt, als een dierbare vogel, die haar slechts een leelijk veêrtje

had achtergelaten.

--Otto! ... O, Otto! murmelde zij.

En hare tranen en kussen bedekten het kleine, ronde stukje papier.

In hare eigen slaapkamer zat mevrouw Van Raat nog peinzend

neêr. Weemoedig, de oogen vol tranen, schudde zij langzaam het hoofd.

Hoe was het mogelijk, dat zij zoo gelukkig, zoo lang gelukkig was

geweest met heur man en dat haar lieve Elly zoo weinig vreugde had

gekend? En omdat zij vroom was, met de kinderlijk-geloovende vroomheid

van een eenvoudig hart, dat dankbaarheid voelde voor wat het eens

geschonken was geworden, vouwde zij hare dorre handen en bad zij,

bad zij voor hare lieve Elly, die niet gelukkig was.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 137 / 188 题