Haar hoofd, een weinig kwijnend, geleund tegen het gecapitonneerde
roode fluweel, zat Eline alleen in den dames-coupé. Zij luisterde
werktuigelijk naar het geratel der raderen over de rails en het scheen
haar, of zij eene zenuwachtigen driekwartsmaat hoorde in die eentonige
harde melodie van ijzer. Eene enkele maal wischte zij met heur zakdoek
het beslagen glas af om naar buiten te turen, waar de avond grijs
neêrzonk en vale mistnevels over de weilanden gleden, hier en daar
met een dof geel lichtje doorschemerd. Over eenige minuten zou zij
in Den Haag zijn, in Den Haag waar zij nu sedert anderhalf jaar niet
geweest was, en dat haar, na heur zwerven, thans dierbaar scheen,
als een stad, waar zij nog iets van een thuis zou vinden...
Anderhalf jaar lang had zij gereisd, of, zoo zij niet bij heur
oom Vere te Brussel vertoefd had, bij vreemden gewoond, altijd bij
vreemden, zonder een plekje gekend te hebben, dat zij haar eigen
kon noemen. De tijd was haar door heur, steeds wisselend, leven snel
omgevlogen; zij had nu afwisseling gekend, steeds nieuwe steden en
oorden gezien, steeds nieuwe menschen ontmoet en zij was vermoeid
van die afwisseling. Zij wenschte nu rust en kalmte, zij smachtte
naar een lange, doffe sluimering, zonder droomen en zonder leed.
Iets van een thuis! Zou zij dat vinden bij die droeve, grijze vrouw,
die haar liefhad, maar die haar niet kende, zooals zij nu was, stil,
droevig stil, en moê van heur jong leven...? Want zij wilde voortaan
droef en stil en moê zijn; zij zou zich voortaan niet meer opschroeven
tot eene schitterende vroolijkheid, zooals zij onder die vreemden had
moeten doen, zooals nog een paar dagen te voren, Georges en Lili haar
gezien hadden. Een echte Parisienne had Lili haar genoemd, Lili, die
niet door dat glanzende vernis, dat luchtige aplomb heenzag... Ach,
nu, nu was zij zelfs te zwak zich op te schroeven en te vernissen;
nadat er eens iets gebroken was in hare ziel, brak alles langzamerhand
om dien eenen puinhoop af, brak alles af...
Zij hoorde fluiten en de lichten, die de nevels doorschemerden,
werden talrijker. Zij naderde Den Haag. Langzaam richtte zij zich
op, schoof heur hoed en heur voile recht en deed haar boek en heur
flacon in een lederen zak, dien zij sloot. En zij bleef wachten,
rechtop gezeten, een weinig vermagerd in haar grijzen reismantel,
vermagerd ook van gelaat, waarin heur oogen dieper en donkerder
schenen gezonken te zijn; zij bleef wachten tot de trein dreunend
het station binnengleed en stilhield.
Heur hart klopte, en tranen welden haar aan de pinkers. Door het
beslagen glas van het portier, in den doffen gasgloed der lantarens,
zag zij op het perron eene drukte woelen, waardoor hard de kreten
der conducteurs heenkrijschten:
--Haag! Haag!
Het portier werd opengerukt; zij rees op, heur zak en heur ingeriemden
plaid, vol parasols, in de hand. Zij zocht in het gewoel der in- en
uitstappende reizigers naar Paul; zij wist, dat hij haar zou komen
halen en zij schrikte eensklaps, toen zij eene bekende groote gestalte
door de anderen heen zag dringen, naar haar toe....
--Henk! riep zij.
Hij hielp haar uitstijgen en zij viel bijna in zijne armen, terwijl
Paul, die hem volgde, haar ontlastte van heure handbagage.
--Elly... lief kind! Mijn beste Elly! sprak Henk met een stem
vol tranen en zacht kuste hij haar, terwijl zij weenend tegen
hem aanleunde. Ze hoorde nauwlijks, hoe Paul haar begroette en
werktuigelijk stak zij hem heure hand toe en reikte zij hem heur
bagagebiljet over, opdat hij voor hare koffers kon zorgen. Een luide
snik welde uit haar boezem op. Maar Henk sprak steeds door, hij nam
heur arm, hij geleidde haar naar de voorzijde van het station, waar
zijn rijtuig stond. Zij liet zich medevoeren, vol onbestemde gedachten,
vervuld van een grooten weemoed, en zij leunde op zijne hand om in te
stijgen. Zij herkende den landauer, waarin zij vroeger zoo dikwijls
gezeten had, en zij merkte op, dat een andere palfrenier dan Herman
aan het portier stond.
--We zullen even op Paul wachten! sprak Henk, die naast haar plaats
nam.
Zij antwoordde niet, maar leunde achterover en bedekte heur hoofd
met de handen. Het was haar zoo vol, zoo vol...
--Ik had niet verwacht je te zien, Henk! Het is heel lief van
je! bracht zij eindelijk uit. Heel lief!
Hij drukte haar de hand en stak zijn hoofd uit het open portier. Maar
Paul kwam aan.
--In orde! riep hij en sprong in het rijtuig. Wel Elly, dat doet me
plezier, hoor! Dat doet me plezier je weêr te zien....
De palfrenier sloot het portier, het rijtuig, ratelde weg. Paul sprak
niet meer, daar Eline en Henk ook niet spraken. Bij elken lichtstraal
der lantarens, die zij voorbijreden, zag Paul Eline roerloos achterover
liggen, met de handen voor het gelaat, haar boezem geschokt door een
stillen snik. En zij zwegen steeds.