Zij wilde nu ook, nog steeds vroolijk, een laatsten blik weiden over
de slaapkamer. Ook hier lag die tint van levenloosheid over de nieuwe
meubels, over de gordijnen van het ledekant, over de waschtafel en
de kasten en over het toilet tusschen de twee vensters. Marie lachte
nog steeds en Emilie schudde het hoofd over hare dwaze grappen.
--Kijk eens, hoe netjes! sprak zij tot Marie en zij deed een kast open,
waar al Lili's huishoudgoed in stapels, met roze en blauwe lintjes
omstrikt, geschikt lag. Tafellakens, servetten, beddelakens, sloopen...
--Keurig! riep Marie, die zich goed hield. Ik zie Lili al, die schoon
tafelgoed uitgeeft!
Zij gaf zich tevergeefs moeite ernstig te zijn, terwijl zij zich op
den rand van het onopgemaakte ledikant neêrzette. Emilie sloot de
kast en zette zich naast haar.
--Kom Marie, vertel me nu toch, waarom je zoo vroolijk bent!
--Waarom veronderstel je, dat ik een geheim heb? Maar jij, Emilie,
vertel jij me eens in ernst, waarom ben je nooit getrouwd? Ben je nooit
"bemind" geworden?
--Ja, eens door een cavalerie-officier, met zielvolle oogen en een
rijzige gestalte, en eens... kind, schei toch uit zoo te lachen! Moet
ik dan nog flauwer zijn, dan ik al ben, om je te doen bedaren? Kom,
ik ga naar den zolder.
Zij sloeg even een blik in het kabinetje naast de slaapkamer, "le
cabinet de toilette de monsieur," zooals zij het noemde en zij holde
naar den zolder, achtervolgd door Marie, die nog steeds informeerde
naar de zielvolle oogen van den cavalerie-officier. Zij liet Emilie
niet rustig de meidenkamer inspecteeren, zij vatte haar bij heur
middel en bij de hand en zij walste met haar, terwijl zij hijgend
een wijsje neuriede, over de gladde planken heen.
--Kind, je wordt dol! lachte Emilie, maar de wals bekoorde haar en
zij neurieden en tolden samen...
--Dat is nu het eerste bal, gevierd ten huize Atjehstraat! riep Marie
buiten adem. Maar Emilie schrikte en beweerde, dat ze geheel en al
vergeten had naar den kelder te gaan zien.
--Hoe is het mogelijk, dat je dat vergeet! Hoe onverantwoordelijk! riep
Marie uitgelaten. Allons, vooruit, naar den kelder, naar den kelder...
En zij duwde de dikke Emilie, die gilde, de twee trappen in éen ren
af, naar den kelder toe.
Hoofdstuk XXVIII.