III.

Zij wilde nu ook, nog steeds vroolijk, een laatsten blik weiden over

de slaapkamer. Ook hier lag die tint van levenloosheid over de nieuwe

meubels, over de gordijnen van het ledekant, over de waschtafel en

de kasten en over het toilet tusschen de twee vensters. Marie lachte

nog steeds en Emilie schudde het hoofd over hare dwaze grappen.

--Kijk eens, hoe netjes! sprak zij tot Marie en zij deed een kast open,

waar al Lili's huishoudgoed in stapels, met roze en blauwe lintjes

omstrikt, geschikt lag. Tafellakens, servetten, beddelakens, sloopen...

--Keurig! riep Marie, die zich goed hield. Ik zie Lili al, die schoon

tafelgoed uitgeeft!

Zij gaf zich tevergeefs moeite ernstig te zijn, terwijl zij zich op

den rand van het onopgemaakte ledikant neêrzette. Emilie sloot de

kast en zette zich naast haar.

--Kom Marie, vertel me nu toch, waarom je zoo vroolijk bent!

--Waarom veronderstel je, dat ik een geheim heb? Maar jij, Emilie,

vertel jij me eens in ernst, waarom ben je nooit getrouwd? Ben je nooit

"bemind" geworden?

--Ja, eens door een cavalerie-officier, met zielvolle oogen en een

rijzige gestalte, en eens... kind, schei toch uit zoo te lachen! Moet

ik dan nog flauwer zijn, dan ik al ben, om je te doen bedaren? Kom,

ik ga naar den zolder.

Zij sloeg even een blik in het kabinetje naast de slaapkamer, "le

cabinet de toilette de monsieur," zooals zij het noemde en zij holde

naar den zolder, achtervolgd door Marie, die nog steeds informeerde

naar de zielvolle oogen van den cavalerie-officier. Zij liet Emilie

niet rustig de meidenkamer inspecteeren, zij vatte haar bij heur

middel en bij de hand en zij walste met haar, terwijl zij hijgend

een wijsje neuriede, over de gladde planken heen.

--Kind, je wordt dol! lachte Emilie, maar de wals bekoorde haar en

zij neurieden en tolden samen...

--Dat is nu het eerste bal, gevierd ten huize Atjehstraat! riep Marie

buiten adem. Maar Emilie schrikte en beweerde, dat ze geheel en al

vergeten had naar den kelder te gaan zien.

--Hoe is het mogelijk, dat je dat vergeet! Hoe onverantwoordelijk! riep

Marie uitgelaten. Allons, vooruit, naar den kelder, naar den kelder...

En zij duwde de dikke Emilie, die gilde, de twee trappen in éen ren

af, naar den kelder toe.

Hoofdstuk XXVIII.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 135 / 188 题