II.

De lucht was frisch en het woei Marie koel in het gelaat nu zij naast

Paul, die mende, op de hooge coureuse zat.

--Wat moet je daar toch gaan doen, in dat "huis"? vroeg Paul. Ik

geloof, dat je er maar voor je plezier naar toe gaat, hé?

Ze kon niet nalaten te lachen, want hij ried de waarheid. Het nestje

was geheel en al gereed de twee duiven te ontvangen en toch bezocht

zij het iederen dag, daar het haar dierbaar was geworden, als een

lief speelgoed.

Zij reden over het Bankaplein de Atjehstraat in en Marie moest het

Paul wijzen, daar hij nog niet juist wist, waar het was.

--Loop je dus altijd met den sleutel in je zak? Wat zal je doen,

als je dien hebt afgegeven? plaagde hij, terwijl hij stilhield,

en de groom van achteren afsprong, om Marie te helpen uitstijgen.

--Bellen, en hopen, dat ik word opengedaan! antwoordde zij

lachend. Maar wil je een kijkje nemen, Paul, en zien hoe je cadeau

uitkomt?

--Dank je, ik kan het me wel voorstellen! antwoordde hij. Amuzeer je.

--Merci, dank je voor je geleide...

Zij stak haar sleutel in het slot, en zag Paul achterna, nu hij

wegreed in zijn elegante equipage, die zoo licht scheen, alsof men

ze zou kunnen optillen, met het deftige groompje achterop.

In het huisje hoorde zij op de tweede verdieping zingen en zij lachte

bij zichzelve.

--Die Emilie, dacht ze vroolijk. Toch ging ze niet aanstonds

naar boven: zij moest eerst een blik op de kleine suite slaan. De

salon was keurig gevuld met het blauwe ameublementje, van nieuwheid

blinkend in het licht, dat door de crême kanten gordijnen viel. Het

zilveren servies blonk zacht op een theetafel, door een tulle kleedje

heen. Ook de schoorsteen was aardig versierd met een paar vazen en

een beeld, een artistieken narrekop in terracotta, die zich in den

spiegel weêrkaatste. Alleen de wanden waren nog wat kaal, evenals

in de eetkamer, die zeer eenvoudig gemeubeleerd was met een klein

notenhouten buffetje en een bruin leêren canapé, met een ronde tafel

en eenige stoelen.

--De gezelligheid moet toch nog komen! dacht Marie. Alles blinkt nog

zoo geweldig.

En het was waar, alles blonk, blonk geweldig. Ook het keukentje

blonk, van blinkende potten en pannen en van een, nog nooit ontvlamd

fornuis. Maar al voelde men nog geen leven over al dat geblink ademen,

toch scheen die rez-de-chausée een juweeltje. Marie begaf zich naar

boven. Emilie zong nog altijd en was niets verbaasd, toen zij Marie

zag. Zij was bezig in het kantoor van Georges tallooze souvenirs uit

zijn jongelui's-kamer te schikken.

--O, hier is het al vreeselijk gezellig! sprak Marie. Al die kleine

prullen maken het, vind ik. Dat moet beneden zoo langzamerhand komen.

Zij opende een tusschendeur, die tot een kabinetje toegang gaf,

dat als Lili's boudoirtje was ingericht, klein en vol snuisterijen.

--Dit vind ik toch zoo een aardig hokje! riep Marie in verrukking.

--O, ik ook! antwoordde Emilie. Als meneer nu hier zit te werken,

zit mevrouw daar te rêvasseeren.

--Te rêvasseeren? Mevrouw zal het veel te druk met haar huishouden

hebben! hernam Marie. O, ik zie die Lili al bezig haar meid te

drillen. Het zal nooit gaan, ze zal er nooit iets van kunnen.

Beiden proestten het uit en Emilie beweerde, dat ze het mettertijd

wel zou aanleeren.

--Kom Marie, help eens, geef me die boeken eens aan! vervolgde zij.

Zij had een kleine ladder tegen George's antieke boekenkast, ook

een herinnering uit zijn kamer in het Noordeinde, aangezet, en zij

klom parmantig de lucht in. Marie was in een bui van onuitbluschbare

vroolijkheid gekomen door de gedachte aan Lili en aan haar meid en

zij schaterde het uit, nu zij Emilie, dik en statig, op de leer zag

staan. Emilie lachte ook.

--Waarom sta je toch zoo te gieren, gekke meid? Kom Marie, geef die

boeken, dan doe je tenminste wat. Die boeken daar, neen, die verder

op: juist.

Marie tilde eenige omvangrijke deelen in haar armen van den grond op,

en bracht ze proestende, aan.

--Wat heb je toch? vroeg Emilie vroolijk, terwijl zij zich boog en

de boeken aannam.

--Ik weet het niet! lachte Marie. Ik lijd tegenwoordig telkens aan

een fou-rire.

--Pas toch op. Mijn boeken zullen vallen!

--Alles werkt tegenwoordig op mijn lachspieren. Als ik denk aan Lili

en aan die meid, die mama gehuurd heeft!

--Waarom heeft je mama dan ook zoo een oude keukenprinses genomen. Lili

komt onder de plak, dat zal je zien.

--Ja, ja, ik geloof het ook! gierde Marie. En als ik jou dan zie,

boven op de ladder, in al je dikheid. O, ik kan niet meer!

Zij had haar laatste boek aangereikt en viel zittend op den grond neêr,

met de tranen in haar oogen. Emilie lachte ook, maar zij werke door

en stofte elk boek met haar plumeau af.

--Kind, je zal ziek worden!

--O, dat duurt nu tot vanavond! riep Marie. En als ik vannacht in

mijn bed lig, lach ik nog.

--Wat heb je tegenwoordig dan voor blijde gedachten?

Marie blikte verschrikt op en bloosde.

--Blijde gedachten? Hoe meen je? Ach, ik heb niet bepaald blijde

gedachten. Maar bij voorbeeld telkens als ik hier in dit huis kom,

moet ik lachen! Als ik denk, dat ze hier met hun beidjes heel alleen

gaan wonen, dan moet ik lachen, dan kan ik niet anders dan lachen.

Zij eindigde haar zin in zulk een dolle bui, dat Emilie het ook

uitproestte en de leer onder haar wankelde.

--O, ik val! riep ze angstig, balanceerende met haar plumeau. Maar

ze viel niet, en Marie riep uit, dat ze dood ging! Emilie liet haar

echter niet doodgaan: vroolijk zijn en werken tegelijk was haar leus.

--Kom, Marie, sta op! Geef de andere boeken aan! Allons! beval zij.

Marie rees omhoog, gebroken door haar gierbuien en zij tilde opnieuw

een stapel omhoog. Maar zij lachte steeds door; zij vond er iets

allerdolst in, dat zij met Emilie zoo dat kooitje gereed maakte,

dat kooitje voor die twee verliefde tortels.

--Je zal zien, ze doen het nooit voor ons, hoor Emilie! riep zij uit.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 134 / 188 题