De lucht was frisch en het woei Marie koel in het gelaat nu zij naast
Paul, die mende, op de hooge coureuse zat.
--Wat moet je daar toch gaan doen, in dat "huis"? vroeg Paul. Ik
geloof, dat je er maar voor je plezier naar toe gaat, hé?
Ze kon niet nalaten te lachen, want hij ried de waarheid. Het nestje
was geheel en al gereed de twee duiven te ontvangen en toch bezocht
zij het iederen dag, daar het haar dierbaar was geworden, als een
lief speelgoed.
Zij reden over het Bankaplein de Atjehstraat in en Marie moest het
Paul wijzen, daar hij nog niet juist wist, waar het was.
--Loop je dus altijd met den sleutel in je zak? Wat zal je doen,
als je dien hebt afgegeven? plaagde hij, terwijl hij stilhield,
en de groom van achteren afsprong, om Marie te helpen uitstijgen.
--Bellen, en hopen, dat ik word opengedaan! antwoordde zij
lachend. Maar wil je een kijkje nemen, Paul, en zien hoe je cadeau
uitkomt?
--Dank je, ik kan het me wel voorstellen! antwoordde hij. Amuzeer je.
--Merci, dank je voor je geleide...
Zij stak haar sleutel in het slot, en zag Paul achterna, nu hij
wegreed in zijn elegante equipage, die zoo licht scheen, alsof men
ze zou kunnen optillen, met het deftige groompje achterop.
In het huisje hoorde zij op de tweede verdieping zingen en zij lachte
bij zichzelve.
--Die Emilie, dacht ze vroolijk. Toch ging ze niet aanstonds
naar boven: zij moest eerst een blik op de kleine suite slaan. De
salon was keurig gevuld met het blauwe ameublementje, van nieuwheid
blinkend in het licht, dat door de crême kanten gordijnen viel. Het
zilveren servies blonk zacht op een theetafel, door een tulle kleedje
heen. Ook de schoorsteen was aardig versierd met een paar vazen en
een beeld, een artistieken narrekop in terracotta, die zich in den
spiegel weêrkaatste. Alleen de wanden waren nog wat kaal, evenals
in de eetkamer, die zeer eenvoudig gemeubeleerd was met een klein
notenhouten buffetje en een bruin leêren canapé, met een ronde tafel
en eenige stoelen.
--De gezelligheid moet toch nog komen! dacht Marie. Alles blinkt nog
zoo geweldig.
En het was waar, alles blonk, blonk geweldig. Ook het keukentje
blonk, van blinkende potten en pannen en van een, nog nooit ontvlamd
fornuis. Maar al voelde men nog geen leven over al dat geblink ademen,
toch scheen die rez-de-chausée een juweeltje. Marie begaf zich naar
boven. Emilie zong nog altijd en was niets verbaasd, toen zij Marie
zag. Zij was bezig in het kantoor van Georges tallooze souvenirs uit
zijn jongelui's-kamer te schikken.
--O, hier is het al vreeselijk gezellig! sprak Marie. Al die kleine
prullen maken het, vind ik. Dat moet beneden zoo langzamerhand komen.
Zij opende een tusschendeur, die tot een kabinetje toegang gaf,
dat als Lili's boudoirtje was ingericht, klein en vol snuisterijen.
--Dit vind ik toch zoo een aardig hokje! riep Marie in verrukking.
--O, ik ook! antwoordde Emilie. Als meneer nu hier zit te werken,
zit mevrouw daar te rêvasseeren.
--Te rêvasseeren? Mevrouw zal het veel te druk met haar huishouden
hebben! hernam Marie. O, ik zie die Lili al bezig haar meid te
drillen. Het zal nooit gaan, ze zal er nooit iets van kunnen.
Beiden proestten het uit en Emilie beweerde, dat ze het mettertijd
wel zou aanleeren.
--Kom Marie, help eens, geef me die boeken eens aan! vervolgde zij.
Zij had een kleine ladder tegen George's antieke boekenkast, ook
een herinnering uit zijn kamer in het Noordeinde, aangezet, en zij
klom parmantig de lucht in. Marie was in een bui van onuitbluschbare
vroolijkheid gekomen door de gedachte aan Lili en aan haar meid en
zij schaterde het uit, nu zij Emilie, dik en statig, op de leer zag
staan. Emilie lachte ook.
--Waarom sta je toch zoo te gieren, gekke meid? Kom Marie, geef die
boeken, dan doe je tenminste wat. Die boeken daar, neen, die verder
op: juist.
Marie tilde eenige omvangrijke deelen in haar armen van den grond op,
en bracht ze proestende, aan.
--Wat heb je toch? vroeg Emilie vroolijk, terwijl zij zich boog en
de boeken aannam.
--Ik weet het niet! lachte Marie. Ik lijd tegenwoordig telkens aan
een fou-rire.
--Pas toch op. Mijn boeken zullen vallen!
--Alles werkt tegenwoordig op mijn lachspieren. Als ik denk aan Lili
en aan die meid, die mama gehuurd heeft!
--Waarom heeft je mama dan ook zoo een oude keukenprinses genomen. Lili
komt onder de plak, dat zal je zien.
--Ja, ja, ik geloof het ook! gierde Marie. En als ik jou dan zie,
boven op de ladder, in al je dikheid. O, ik kan niet meer!
Zij had haar laatste boek aangereikt en viel zittend op den grond neêr,
met de tranen in haar oogen. Emilie lachte ook, maar zij werke door
en stofte elk boek met haar plumeau af.
--Kind, je zal ziek worden!
--O, dat duurt nu tot vanavond! riep Marie. En als ik vannacht in
mijn bed lig, lach ik nog.
--Wat heb je tegenwoordig dan voor blijde gedachten?
Marie blikte verschrikt op en bloosde.
--Blijde gedachten? Hoe meen je? Ach, ik heb niet bepaald blijde
gedachten. Maar bij voorbeeld telkens als ik hier in dit huis kom,
moet ik lachen! Als ik denk, dat ze hier met hun beidjes heel alleen
gaan wonen, dan moet ik lachen, dan kan ik niet anders dan lachen.
Zij eindigde haar zin in zulk een dolle bui, dat Emilie het ook
uitproestte en de leer onder haar wankelde.
--O, ik val! riep ze angstig, balanceerende met haar plumeau. Maar
ze viel niet, en Marie riep uit, dat ze dood ging! Emilie liet haar
echter niet doodgaan: vroolijk zijn en werken tegelijk was haar leus.
--Kom, Marie, sta op! Geef de andere boeken aan! Allons! beval zij.
Marie rees omhoog, gebroken door haar gierbuien en zij tilde opnieuw
een stapel omhoog. Maar zij lachte steeds door; zij vond er iets
allerdolst in, dat zij met Emilie zoo dat kooitje gereed maakte,
dat kooitje voor die twee verliefde tortels.
--Je zal zien, ze doen het nooit voor ons, hoor Emilie! riep zij uit.