I.

Het was twee uur, toen Paul opstond. Den vorigen avond was hij met

kennissen uit geweest en eerst tegen vijf uur in den morgen thuis

gekomen. Hij besteedde veel tijd om zich te verfrisschen, nam een

koud bad en kwam even over drieën beneden in de eetkamer, waar zijn

ontbijt hem wachtte. Hij had honger en behagelijk weidde hij een blik

over de koude kip en over de flesch Hochheimer. Hij nam echter eerst

uit de kast, die open was, een paar rauwe eieren en klutste geel en

wit, fluitende, in een glas cognac samen. Hoewel het hem niet smaakte,

slikte hij het toch naar binnen; dat wekte de krachten wat op! Daarna

zette hij zich neêr en begon de kip, malsch en blank in haar gestolde,

gouden gelei, te snijden. Hij had geen haast, hij wilde smakelijk eten.

Het was in het begin van Juni, nog frisch en weinig zonnig, zoodat

de grijze lucht met een grauwe vaalheid in de kamer en over hare

versleten luxe viel. Zij hinderden Paul wel een weinig, die verschoten,

ouderwetsche gordijnen, die zware, versleten meubels, die doffe,

Deventersche tapijten en hij had mevrouw van Raat reeds vaak willen

overhalen tot een nieuwe inrichting van haar huis. Maar hij schikte

zich toch in zijne omgeving; hij begreep, dat zij, op haren leeftijd,

al dat nieuwe kil zou vinden, en dat ieder dier versleten meubels

een gloed van herinnering bij haar opwekte, herinneringen, waarmede

ze wilde sterven.

Onder het genot van de kip, besproeid door eenige glazen Hochheimer,

begon Paul te filozofeeren en hij vond, dat het leven nog zoo kwaad

niet was. Hij begreep niet, dat hij niet altijd het zoo had opgevat,

als hij thans deed. Zijn studententijd rees even, als een periode van

jongensdartelheid, voor zijn geest, maar hij herinnerde zich tevens,

hoe oom Verstraeten hem in die periode telkens had voortgedreven tot

een examen, en van dat examen tot een ander examen. Zeker, het was

goed, dat hij toen door oompje was beheerscht geworden; daardoor had

hij ten minste iets gedaan, waarop hij nu wijzen kon, want had hij

als student zoo zijn eigen willetje gevolgd, als hij nu deed, dan

was hij denkelijk nog student! Na zijn promotie was hij een weinig

martelaar geweest van zijne artistieke neigingen en het had hem later

leed gedaan, dat hij niet beter schilderde en niet meer van muziek

wist. Zie je.... daar was hij nu overheen; hij schilderde niet meer,

hij zong niet meer, maar ook, Goddank! versufte hij niet meer van

neêrslachtigheid over zijn gemis aan scheppingskracht. Hij leefde nu

om te leven, om te genieten van zijn geld, dat hij lustig om zich heen

strooide, en hij gevoelde zich jong en vroolijk, jonger en vroolijker

dan hij zich ooit gevoeld had als student, of als quasi-artist; hij

gevoelde zich gezond en krachtig in zijn materialistisch epicurisme,

een jongen stier gelijk, die, brieschende van levenslust, dronken

van zon en zomer, door zijn wereld van lachend weiland rent.

Zoo verklaarde hij zich een weinig zijn late herschepping van een

"dikken doezel", zooals Betsy hem wel eens genoemd had, tot een

overmoedig brutalen geurmaker, die het er flink van nam, maar diep

dacht hij er niet over na; hij filozofeerde nu alleen een weinig,

uit gemis aan conversatie aan zijn ontbijttafel. Hij was nu gereed

en stak een sigaar op, toen hij tante Verstraeten met Marie langs het

raam zag gaan. Er werd gebeld. Daar hij wist dat Leentje de meid oud

werd en lang deed wachten, deed hijzelve open.

--Dag tante, dag Mies.

--Zoo, dag Paul. Mama zeker thuis? vroeg mevrouw Verstraeten.

--Om u de waarheid te zeggen, tante, ik heb mama nog niet gezien maar

ik denk het wel; ik ben wat laat opgestaan, weet u.

Zij ging hem voor, de trap op, naar de bel-étage, en zij vonden

mevrouw Van Raat eenzaam in haar donkere achterkamer. Een boek:

Tristesses et Sourires, van Gustave Droz, lag bij haar op tafel,

maar zij las niet en tuurde, de handen gevouwen in den schoot, den

tuin in. Zij stond even op en kuste mevrouw Verstraeten en Marie,

waarna ook Paul haar de wang kuste. Toen zij gezeten waren, vroeg

mevrouw Van Raat naar Lili en Georges.

--Ze maken het goed en hebben Eline gezien bij die Fransche familie

van Vere's vrouw. Ze amuzeeren zich uitstekend, sprak mevrouw

Verstraeten. Maar toch schreef Lili me, dat ze beiden al hun volharding

moesten verzamelen om het twee weken in Parijs uit te houden. Ze

verlangen zoo in hun huisje te zijn.

Paul haalde, met een spottenden trek om zijn knevel, onmerkbaar de

schouders op.

--Die goede kinderen! lachte mevrouw Van Raat. En is het haast klaar,

het huisje?

--Bijna, tante, sprak Marie. Toch ga ik er iederen dag naar toe;

ik vind er nog altijd iets te doen. En verbeeld u: Emilie, die den

tweeden sleutel heeft, verras ik er dan wel eens.

--Touchant! sprak Paul. Dat zal dan wel een roerende ontmoeting geven.

--Niets roerend en niets touchant, antwoordde Marie uit de

hoogte. Meestal zijn we heel vroolijk, terwijl we, zooals we het

noemen, ons poppenhuis arrangeeren. Dat is een genot, waarvan jij je

geen voorstelling kunt maken. Maar zeg eens, je zei zooeven, dat je

laat was opgestaan; hoe laat was dat?

--Zoo, ga je me controleeren?

--Kom, zeg eens hoe laat? Durf je het niet bekennen? Hij plaagde haar

terug, maar hij hoorde opnieuw Eline's naam en luisterde.

--O, zij vinden Eline heel vroolijk en lief; enfin, zooals wij haar ook

altijd gekend hebben, niet waar? vertelde mevrouw Verstraeten, sprekend

over Lili's brief. Ze hebben gedineerd bij die Fransche lui. En Eline

was geheel en al Parisienne geworden, vond Lili, niet waar Marie?

Marie lachte even. Zij stelde zich Eline voor en naast Eline verrees

Otto.

--Ja, Eline schreef me ook over Georges en Lili, sprak mevrouw

Van Raat.

--Wat, heeft u een brief van Eline, mama? riep Paul. U heeft me er

niets van verteld.

--Beste jongen, ik heb je sedert gisteren na het eten niet meer

gezien. Ja van morgen kreeg ik een brief, een heel lieven brief. Ze

is heel dankbaar, dat ik haar bij me in huis wil nemen. Arm kind,

ze schrijft me, dat ze zich zoo verlaten voelt onder al die vreemde

menschen, al zijn ze ook nog zoo aardig voor haar. Ze is blij, dat

haar zwerven nu een eind zal nemen.

--Ze komt dus bij ons wonen? vroeg Paul. Hoe jammer, dat ik nu juist

het huis uitga!

--U heeft altijd veel van Eline gehouden, tante! sprak Marie. Het is

een uitmuntend idée van u.

--Ja, kind, ik geloof ook, dat ik er goed meê doe, zuchtte mevrouw

Van Raat. Zoo een juffrouw van gezelschap, zoo een mensch, dat je

betaalt, zou me dadelijk gaan vervelen. Maar een meisje, als Eline,

dat attenties voor je heeft en dat je een beetje tot de familie rekent,

waarvan je houdt, dat is heel iets anders, niet waar? Ik ben blij,

dat jullie het goed vinden; ik heb er wel eens over getobd voor ik

me decideeren kon.

--Betsy sprak er verleden ook heel aardig over, zeide mevrouw

Verstraeten.

--Ja, ach, het geeft Betsy een houding, weet je. Bij Henk inwonen

zal Eline toch nooit meer willen doen, maar nu ze bij mij komt, heeft

het niet het air, alsof ze gebrouilleerd zou zijn met haar zuster.

--Zoo zijn alle partijen dus tevreden! riep Paul in zijn handen

wrijvend. Dat vind ik altijd maar gelukkig in de wereld.

Mevrouw Van Raat zag een weinig strak voor zich. Pauls luchtige

woorden vielen wat buiten den toon.

Er werd geklopt, de oude meid kwam binnen.

--Meneer, het rijtuig staat voor! sprak Leentje.

Paul stond op.

--Dank je, schoone Helena! Tante, wil u met me gaan toeren? Het weêr

is heerlijk.

Tante bedankte, zij had nog een paar visites te maken.

--Maar je mag mij naar de Atjehstraat brengen, als je wilt! sprak

Marie. Ik moet nog even in het huis zijn.

Hij verklaarde zich bereid zijne beminde nicht te brengen naar de

Noordpool, zoo ze dat verkoos en zij vertrokken beiden.

Mevrouw Van Raat schudde haar hoofd.

--Die jongen, die jongen! sprak zij zuchtend.

Maar mevrouw Verstraeten nam zijne partij.

--Ach, hij is toch niet kwaad, Dora. Een jongmensch, dat geld

heeft.... hoe wil je, dat hij anders is, dan hij is!

--Henk is toch nooit zoo geweest. Ik vraag je, is dat nu een leven, dat

hij leidt! Hij staat nooit vóor elven op, hij rost een beetje op zijn

paard of met zijn coureuse, gaat naar de Witte, komt--Goddank!--nogal

trouw thuis eten en 's avonds.... ja, de Hemel weet, wat hij 's avonds

al niet uitvoert.

--Hij ziet er toch gezond uit.

--Hij is sterk en gelukkig heeft hem dat leven totnogtoe geen kwaad

gedaan. Maar ik vraag je, is dat een bestaan? Als student was hij

waarlijk nog verstandiger dan hij nu is. Neen, dan was Henk heel

anders als jongmensch, heel anders!

Zij trok een parellel tusschen hare beide zonen, een weinig partijdig

door die voorliefde voor heur oudste, dien zij degelijk en soliede

noemde, in tegenstelling van Paul, wien zij wuftheid en egoïsme ten

laste legde. Wat noemde haar zuster het anders dan egoïsme, dat Paul

zich niet aan de minste harer wenschen stoorde, dat hij niet het minste

deed om haar heur laatste dagen te veraangenamen? Hij schonk haar niet

de minste gezelligheid in haar eenzaam huis, dat hij als een hôtel

scheen te beschouwen, waar hij at en sliep. Hij weidde geen enkele

gedachte aan zijn oude moeder; hij leefde slechts voor zichzelven,

voor zijn genot....

Mevrouw Verstraeten wist slechts te antwoorden dat Paul toch een goed

hart had, en dat hij alleen maar een weinig loszinnig was. Maar hoewel

zij het niet wist te zeggen, gevoelde zij met zekeren weemoed, hoe het

eene wreede wet der natuur was, die, met de jaren, de kinderen van hun

ouders deed vervreemden, en die hen van hunne ouders voortsleepte in

eene nieuwe sfeer van gedachten en illuzies, waar die ouders hen niet

volgen konden. Het was geen gebrek aan liefde, dat kinderen, zoo zij

hunne ouders ontgroeid waren, die ouders niet meer konden voldoen,

en het was ook geen gebrek aan liefde, dat die ouders hunne kinderen

niet meer begrepen; het was slechts een wreede noodlottige wet,

die hen noodzakelijk scheidde, die de teedere banden hunner liefde

langzamerhand wel niet verbrak, maar ontwond, ontwond, tot zij los

waren.... Zij had dit begrepen, toen Lili tegen haar geboudeerd had,

omdat zij Georges lief kreeg; zij begreep dit ook nu, dat zij in

Marie iets ried, waarvan zij nog niets verstond dan dat het later,

ook tengevolge dier wreede wet, eene verkoeling, eene scheiding kon

teweegbrengen, en zij zou het weldra begrijpen voor de derde maal,

wanneer Jan eenige jaren ouder was geworden. Maar tevens voelde

zij, dat dit noodlot noch de schuld der ouders, noch de schuld der

kinderen was. De ouders waren slechts martelaars hunner ouderliefde,

en de kinderen zouden, zoo zij ouders werden, op hunne beurt dat

martelaarschap moeten dragen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 133 / 188 题