X.

Den volgenden Donderdag trouwden Georges en Lili en men was het er

over eens, dat men haar een allerliefst, fijn bruidje vond, zoo als

men haar in de kerk aan de zijde van haar bruidegom zag binnentreden,

zeer bleek en blond in den witten nevel van haar sluier, haar lange

sleep van zwaar blank moiré door Ben Van Raat en Nico Van Rijssel,

als door twee miniatuurpagetjes, getorst, en gevolgd door den heer

De Woude en mevrouw Verstraeten, den heer Verstraeten en Emilie,

door de bruidsjonkers en bruidsmeisjes, door de getuigen en de

overige leden der familie. Om éen uur reed de stoet terug naar

de Princessegracht. Het déjeuner dinatoire was daarna de laatste

feestelijke plechtigheid en er werd getoast en mevrouw Verstraeten

weende en Lili weende ook en Marie ook. Om zeven uur zaten in den

kleinen salon nog slechts familie en intiemen. Het jonge paar was

onder het déjeuner onmerkbaar verdwenen; het zou twee weken in Parijs

doorbrengen en Marie had schreiend aan Lili's oor verzekerd, dat zij

er goed voor zorgen zou, dat hun huisje in de Atjehstraat, na die

twee weken, kant en klaar zou zijn, als een nestje voor twee duifjes...

De oude mevrouw Van Raat en Emilie, Henk en Betsy, Frédérique, Otto

en Paul bleven de Verstraetens gezelschap houden en hoewel men nu en

dan eens lachte en zijn best deed vroolijk te zijn, scheen het, of er

langs de guirlandes een geur van weemoed neêrzonk, die zich vermengde

met den stervenden geur der welkende bouquetten en bloemenmanden. De

heer Verstraeten liep alle kamers rond, geërgerd door dat groen en die

bloemen en inwendig meer geroerd, dan hij wilde laten blijken. Eene

enkele maal klopte hij mevrouw op den schouder en gaf haar een snellen

kus op het voorhoofd en Emilie vroeg hem fluisterend, terwijl zij

hem omhelsde, of hij erg boos was, dat zij zoo gepleit en geijverd

had voor die twee kinderen... Otto nam ook afscheid en toen Marie

de zachte treurigheid zijner stem hoorde, had zij in tranen kunnen

uitbarsten. Zij vluchtte naar boven, naar de twee kamers, waar zij

van hare kinderjaren af met Lili geleefd had en waar zij nu alleen

zou moeten leven.

In de slaapkamer, op Lili's bed, waarop Lili nimmer meer sluimeren

zou, lag haar bruidstoilet en de witte sleep slierde gekreukt over het

tapijt, terwijl de sluier en oranjebloesem als in haast op een stoel

lagen neêrgegooid. Twee witte schoentjes slingerden over den grond.

En Marie weende zachtjes, nu zij op Lili's bed zat en het moirè

betastte en ruischen deed. Eenzaam bleef zij over: het werd haar,

of Lili gestorven was, of zij reeds begraven was geworden. Het moiré

scheen haar kil als een lijkwade toe. Maar de deur ging open; Dien

kwam binnen.

--Kom, beste meid, je moet er niet om huilen, hoor! Ze komt immers

weêrom en ze blijven in de buurt. Je zal ze iederen dag kunnen

zien, als je wil. Ach, wat was ze een lievertje in dat wit, wat een

lievertje! Ze zijn toch een bestig paartje met hun beidjes! Ach, ach!

Dien werd ietwat aangedaan en zij trok het gordijn hooger op, zoodat

de zon binnenstroomde.

--Ja, ja, zoo gaat het: je brengt je kinderen groot en dan gaan

ze van je weg, dan gaan ze naar Indië of dan trouwen ze... En jij,

die nou er om zit te grienen, denk je, dat jij dan altijd in huis

blijft? Je zal zien, jij trouwt ook; als die komt, dan trouw je;

zoo gaat het altijd, zeg ik je!

Marie zag met een glans van vroolijkheid door heur tranen op.

--Ach, wat weet jij ervan, Dien! Misschien word ik wel een oude

vrijster!

--Maar kind, dat kan je geen ernst zijn! Neen, daar zal je je toch

nooit in schikken! Je zal net als dat kind doen, let op mijn woorden.

Marie lachte. De zon stroomde in de kamer, als een weêrglans van hoop

en verwachting en gloeide over het verkreukte bruidstoilet, tot het

moiré tintelde van witte vlammen! Zoo was het geen lijkkleed meer,

zoo was het een schitterend feestgewaad, blank als sneeuw en lelies,

en Marie hoopte! Zij hoopte en zij nam de lentezon op in hare ziel,

tot alles er ontlook en bloesemde....

Hoofdstuk XXVII.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 132 / 188 题