Den volgenden Donderdag trouwden Georges en Lili en men was het er
over eens, dat men haar een allerliefst, fijn bruidje vond, zoo als
men haar in de kerk aan de zijde van haar bruidegom zag binnentreden,
zeer bleek en blond in den witten nevel van haar sluier, haar lange
sleep van zwaar blank moiré door Ben Van Raat en Nico Van Rijssel,
als door twee miniatuurpagetjes, getorst, en gevolgd door den heer
De Woude en mevrouw Verstraeten, den heer Verstraeten en Emilie,
door de bruidsjonkers en bruidsmeisjes, door de getuigen en de
overige leden der familie. Om éen uur reed de stoet terug naar
de Princessegracht. Het déjeuner dinatoire was daarna de laatste
feestelijke plechtigheid en er werd getoast en mevrouw Verstraeten
weende en Lili weende ook en Marie ook. Om zeven uur zaten in den
kleinen salon nog slechts familie en intiemen. Het jonge paar was
onder het déjeuner onmerkbaar verdwenen; het zou twee weken in Parijs
doorbrengen en Marie had schreiend aan Lili's oor verzekerd, dat zij
er goed voor zorgen zou, dat hun huisje in de Atjehstraat, na die
twee weken, kant en klaar zou zijn, als een nestje voor twee duifjes...
De oude mevrouw Van Raat en Emilie, Henk en Betsy, Frédérique, Otto
en Paul bleven de Verstraetens gezelschap houden en hoewel men nu en
dan eens lachte en zijn best deed vroolijk te zijn, scheen het, of er
langs de guirlandes een geur van weemoed neêrzonk, die zich vermengde
met den stervenden geur der welkende bouquetten en bloemenmanden. De
heer Verstraeten liep alle kamers rond, geërgerd door dat groen en die
bloemen en inwendig meer geroerd, dan hij wilde laten blijken. Eene
enkele maal klopte hij mevrouw op den schouder en gaf haar een snellen
kus op het voorhoofd en Emilie vroeg hem fluisterend, terwijl zij
hem omhelsde, of hij erg boos was, dat zij zoo gepleit en geijverd
had voor die twee kinderen... Otto nam ook afscheid en toen Marie
de zachte treurigheid zijner stem hoorde, had zij in tranen kunnen
uitbarsten. Zij vluchtte naar boven, naar de twee kamers, waar zij
van hare kinderjaren af met Lili geleefd had en waar zij nu alleen
zou moeten leven.
In de slaapkamer, op Lili's bed, waarop Lili nimmer meer sluimeren
zou, lag haar bruidstoilet en de witte sleep slierde gekreukt over het
tapijt, terwijl de sluier en oranjebloesem als in haast op een stoel
lagen neêrgegooid. Twee witte schoentjes slingerden over den grond.
En Marie weende zachtjes, nu zij op Lili's bed zat en het moirè
betastte en ruischen deed. Eenzaam bleef zij over: het werd haar,
of Lili gestorven was, of zij reeds begraven was geworden. Het moiré
scheen haar kil als een lijkwade toe. Maar de deur ging open; Dien
kwam binnen.
--Kom, beste meid, je moet er niet om huilen, hoor! Ze komt immers
weêrom en ze blijven in de buurt. Je zal ze iederen dag kunnen
zien, als je wil. Ach, wat was ze een lievertje in dat wit, wat een
lievertje! Ze zijn toch een bestig paartje met hun beidjes! Ach, ach!
Dien werd ietwat aangedaan en zij trok het gordijn hooger op, zoodat
de zon binnenstroomde.
--Ja, ja, zoo gaat het: je brengt je kinderen groot en dan gaan
ze van je weg, dan gaan ze naar Indië of dan trouwen ze... En jij,
die nou er om zit te grienen, denk je, dat jij dan altijd in huis
blijft? Je zal zien, jij trouwt ook; als die komt, dan trouw je;
zoo gaat het altijd, zeg ik je!
Marie zag met een glans van vroolijkheid door heur tranen op.
--Ach, wat weet jij ervan, Dien! Misschien word ik wel een oude
vrijster!
--Maar kind, dat kan je geen ernst zijn! Neen, daar zal je je toch
nooit in schikken! Je zal net als dat kind doen, let op mijn woorden.
Marie lachte. De zon stroomde in de kamer, als een weêrglans van hoop
en verwachting en gloeide over het verkreukte bruidstoilet, tot het
moiré tintelde van witte vlammen! Zoo was het geen lijkkleed meer,
zoo was het een schitterend feestgewaad, blank als sneeuw en lelies,
en Marie hoopte! Zij hoopte en zij nam de lentezon op in hare ziel,
tot alles er ontlook en bloesemde....
Hoofdstuk XXVII.