VIII.

Het was pauze en de tafeltjes voor het souper werden gedekt

binnengebracht, zoodat de salons snel in elegante restauraties konden

herschapen worden.

Overal in iederen hoek, in de serre, waaruit de pianist verdwenen was,

vormden zich verpoozende, schertsende groepjes, waarin de waaiers der

meisjes, als een gefladder van vlinders, op en neêr wuifden. Er scheen

een schitterend stofgoud als uit de lucht neêr te zinken, een stofgoud,

dat in een blik, in een lach glansde, een ontastbaar stofgoud, dat zich

over hun aller vroolijkheid verspreidde, als een bezwijmelend getintel.

Mevrouw Verstraeten kwam in de serre bruidje bezorgd aan heur oor

vragen, of zij niet moê was, maar zij schudde ontkennend heur kopje,

al lag zij wat mat in een rieten stoel, geheel wit en geurende van

de verwelkende jasmijnen in haren bouquet. Zij gevoelde zich zoo

gelukkig, dat iedereen feestvierde en lachte en danste, alleen omdat

zij met haar Georges ging trouwen; zij gevoelde zich steeds als een

jong vorstinnetje, dat men huldigde, steeds huldigde.

Want Pauls overmoedige stem deed alle andere groepjes naar de serre

stroomen, naar de "residentie van het hof", zoodat het er stampvol

werd en men er zich ternauwernood kon bewegen. Ieder wilde hooren,

wat Paul aan den bruidegom vertelde en waarmeê Paul bruidje plaagde en

ze drongen in het hof binnen tot Paul aan Léonie en Françoise vroeg,

of zij ook op zijn schoot wilden zitten, ieder op een knie....

--Paul, ik vind je schandelijk brutaal, je wordt iederen dag

brutaler! riep Marie, maar hij hoorde niet: hij rees op en drong

door hen allen heen. Hij had Cateautje Van der Stoor om een hoek van

de serre zien kijken, en hij moest haar toch eens even aanspreken;

hij gevoelde een plotseling berouw.

--Toosje, ben je erg boos op me, dat ik je een beetje voor den gek

heb gehouden?

--Ik heb er niets van gemerkt! antwoordde zij, maar haar trillend

mondje getuigde, dat zij zich niet goed kon houden.

Hij vleide met zijn oogen en met zijne stem en bad om vergeving. En

hij vroeg om een dans.

--Ik heb geen dans meer open! sprak Toos fier, en blij dat zij weigeren

kon, toonde zij hem haar boekje.

--Ik moet toch met je dansen! Laat eens zien:

Hijdrecht. Hijdrecht... Tweemaal Hijdrecht, dat is niet noodig! Ga

meê en zeg aan Hijdrecht, dat je met mij wilt dansen!

--Maar dat durf ik niet doen!

--Hij zal je toch niet opeten! Allons Toos, ga meê, ik wil het hebben!

Hij troonde haar naar Hijdrecht en hij dwong haar den volgenden

Scottisch terug te vragen. Cateau werd boos op zichzelve, dat zij

zoo had toegestemd, maar het was onmogelijk Paul iets te weigeren.

--Tot straks dus en niet meer boos zijn, mijn Toosje-lief! murmelde

hij verliefd.

--Ik ben je Toosje-lief volstrekt niet! riep zij quasi geërgerd,

maar zij vond het toch aardig, dat hij het goed had willen maken.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 130 / 188 题