VII.

Terwijl Paul langs oom Verstraeten en langs Henk ging, hoorde hij hen

praten... ook al over Eline. Eline zou misschien met den zomer in Den

Haag terugkeeren en Paul herinnerde zich iets gehoord te hebben, als

zou zij in den eersten tijd, bij de oude mevrouw Van Raat, bij zijn

moeder haar intrek nemen. Nu, dat zou wel gezellig zijn, zoo een mooi

meisje in huis; ze was nu... laat eens zien... vijf-en-twintig jaar:

toch nog jong genoeg om aardig te zijn; hij zou ten minste eens zien,

of hij haar niet verliefd op zich zou kunnen maken, voor de grap.

Toen hij in den grooten salon terugkwam, zag hij er bruid en bruidegom

omringd van hunne geheele hofhouding en er ontstond een drukte nu zij

Paul terugzagen. Eenige meisjes vlogen op hem af, om hem te verwijten,

dat hij als bruidsjonker niet nauwkeuriger zijne plichten waarnam en

hij verdedigde zich op zijne kluchtige wijze.

Léonie schaterde het uit.

--Die Paul is tegenwoordig toch zoo grappig! lachte zij.

--Die Paul! Ach ja.... die Paul, hé? riep hij haar toe. Naar die

lachebek had hij maar éen vinger uit te steken en.... hap zou ze

zeggen! En hij zag uit naar Frédérique. Zij liep met Georges; zij

zou den Scottisch met den bruidegom dansen.

--Kom, ik heb je een heelen boel te vertellen! sprak hij tot Léonie,

met eenigen spijt, dat Frédérique zoo ver was. Maar je weet, we dansen

niet, we praten.

--Hé Paul, even een toertje....

Maar na het toertje sleepte hij dwars door de anderen het kleine,

steeds lachende, meisje naar een canapé in den hoek overlooverd door

afhangende palmbladeren.

--Léonie, nu niet vermoeiend zijn; je bent net een elastiek poppetje,

dat den heelen tijd op en neêr wipt. Vertel me nu iets liefs!

--En jij had me zelf zooveel te vertellen? vroeg ze coquet

Hij wilde haar antwoorden, maar hij bemerkte Françoise, die zich met

vluchtige gebaartjes, tusschen de stoelen en de, heen en weêr dansende,

paren, voortschoof naar hun canapé.

--Ruim me een plaatsje in? vroeg Françoise. Je hebt me immers als

tweede praatdame gevraagd.

--En nu accepteer je zeker die gunst, omdat je geen danseur gekregen

hebt, hé? Maar nu wil ik je ook niet meer hebben, ga maar weg....

--Ach Paul, wees nu niet flauw, laat me nu zitten; ik kan er immers

niet meer door; ik weet niet, waar ik anders naar toe moet!

Hij was genadig en schoof in het midden van de canapé, zoodat Françoise

kon zitten en zijne beenen bijna bedolven waren onder de tarlatan

der beide meisjes.

--Nu gaan we al de anderen uitlachen! sprak hij, als gaf hij een bevel.

En terwijl een paar zwarte panden of een gedwarrel van rokken langs

hem heen zwaaiden, zaten zij met hun drieën, in een dwaze pret, zich

te amuzeeren ten koste der dansenden. Paul had Françoise's waaier

genomen en sloeg er de maat mede; hij leunde behaaglijk tusschen zijne

dames achterover en liet zich, als een sultan, door hare opmerkingen

vermaken.

--Kijk, Freddy danst keurig, sprak Françoise. Georges en Freddy

dansten hun voorbij en zij applaudisseerden alle drie zoo luid,

dat de canapé dreunde. Het was te dol, te dol.

--Te dol, te dol! herhaalde Paul en sprong op en neêr, zoodat hij

haar toiletten verkreukte.

--O ja, van dol gesproken! riep Françoise, Paul, waarom ben jij zoo

dol tegenwoordig? Je zou me dat vertellen!

--Ik ben dol, omdat ik dol ben op jou! riep hij hartstochtelijk;

op jou Françoise! Ik sterf van liefde voor je! Laat me je zoenen.

En Léonie dreigde te stikken om dat verontwaardigde gezicht van

Françoise, die achteruit deinsde!

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 129 / 188 题