VI.

In de Lanciers, waarin Paul naast bruidje gestaan had met Frédérique,

Marie, Cateau, Georges, Etienne en Jan, die zich reeds piqueerde keurig

te dansen, had Paul, telkens dat zijne hand Cateau's vingers aanraakte,

ze met een drukje geknepen. Hij plaagde haar den geheelen avond door

met zijne spottende blikken en Cateau zag hem nu minachtend terug

aan. Hijzelve wist niet, waarom hij zoo wreed was, maar hij kon het

niet nalaten: hij moest dien avond iedereen voor den gek houden. Hij

stond zich nu te dandineeren tusschen een troep van lachende, jonge

meisjes, die hij elk op hare beurt, zonder dat zij er boos om konden

worden, een brutaliteit toediende. Alleen Françoise Oudendijk zag

hij nauwelijks aan, hoewel zij het niet scheen op te merken, daar zij

telkens schertsend hem iets vroeg. Hij deed of hij haar niet hoorde

en draaide zich ineens verbaasd naar haar toe, zoodat hij haar vlak

in het gezicht zag. Op eens vroeg zij, terwijl zij zijne gardenia

even aanroerde:

--Zeg eens, Paul, hoe komt het toch, dat je tegenwoordig zoo vreeselijk

dol bent? Heel anders dan een paar jaar geleden.

--Kan je dat niet raden? vroeg hij terug met een zachte stem en een

verliefd spel zijner brutale oogen. Kan je dat niet raden?

--Ik? Neen, hoe zou ik...?

--Mag ik het je dan straks zeggen? Mag ik? smeekte hij.

--O, dolgraag!

--Geef me dan een halven praatdans, onder de Scottisch, sprak hij

eensklaps kortaf.

--Wat noem je een halven praatdans?

--Ik promoveer den eersten Scottisch tot een praatdans met twee

dames, maar ik praat niet met de een na de ander, ik praat met allebei

tegelijk. Mijn eerste dame is Léonie Eekhof, wil jij nummer twee zijn,

dan zal ik je vertellen, waarom ik tegenwoordig zoo dol ben.

Zij zag hem even aan, als wist zij niet, of zij zich boos moest maken,

ja of neen.

--Als je me niets beters te offreeren hebt, dankje! antwoordde zij,

quasi gekrenkt.

--Zooals je verkiest! boog hij terug, en hij zag haar zoo spottend aan,

dat zij hem haar rug toedraaide.

Intusschen hadden de andere meisjes door hun gesprek heengerateld.

--Lieve kinderen, je praat me mijn ooren doof! riep hij pedant uit en

hij baande zich een doortocht tusschen al dat lichtkleurig gefladder

en liep op een drafje naar den kleinen salon. Hij moest al die mama's,

welke daar langs den wand hare dochters zaten te bewonderen, eens

onderhanden nemen. Maar hij werd tegengehouden door Betsy, die met

Emilie zat te spreken.

--Zoo, kapel! sprak Betsy, terwijl zij hem even bij zijn mouw

vasthield. Waar papillonneer je naar toe?

--Naar de oude muurbloemetjes? fluisterde hij terug. Dans je niet? Niet

dat ik je vraag, ik spreek alleen maar uit louter belangstelling.

Betsy verzocht hem, s'il lui plaisait, niet zoo brutaal te zijn

en zij begonnen schertsend met elkaâr te kibbelen, tot Emilie de

tranen in de oogen kreeg van het lachen. Paul won het toch van zijn

schoonzuster in brutaliteit. Betsy zag met genoegen naar hem op:

ook zij begreep niet, hoe die dikke doezel van een jongen zoo iets

aantrekkelijks had gekregen, dat alle vrouwen dol op hem werden! Hij

had lang noodig gehad om uit zijn dommel te ontwaken, en hij werd

uitgelaten vroolijk op een leeftijd, dat anderen reeds gepozeerd

wierden, maar zij kon het zich niet ontkennen: hij had tegenwoordig

iets, dat ieder jong meisje het hoofd op hol kon maken, iets van een

donkerblonden Don Juan, met onbeschaamde blauwgrijze oogen.

Paul had zich reeds weggespoed, naar de mama's en hij boog voor mevrouw

Eekhof en mevrouw Van der Stoor, samen op een canapé gezeten. Nadat

hij eenige woorden met haar gewisseld had vroeg mevrouw Eekhof:

--Maar dans je niet, Van Raat? Ik hoor de muziek al.

Paul beweerde, dat hij niets gaf om een Mazurka en hij vroeg of de

dames een weinig wilden opschuiven. Toen nestelde hij zich tusschen

haarbeiden, zonder eerbied voor heur krakende zijden japonnen en

terwijl hij met zijn gibus speelde, antwoordde hij haarbeider vragen

met een gezicht, alsof hij tot haar gekomen was, om zich op zijn gemak

te laten bewierooken. Neen, hij schilderde tegenwoordig in het geheel

niet meer, hij had zijn ezel op zolder laten zetten; het was zoo een

onaangename lucht, die olieverf. Aan de muziek was hij ook geheel en

al ontrouw geworden, sinds Eline Vere weg was en zijn duetten waren

gestaakt. Vergenoegd draaide hij zijn dikken, blonden snor op, nu

mevrouw Eekhof betuigde, dat het toch jammer was die talenten zoo te

negligeeren; zij herinnerde zich, dat Cateau in extaze was geweest,

als zij hem vroeger had hooren zingen.

--A propos van Eline, vroeg mevrouw Van der Stoor; komt ze nog niet

terug? Reist ze nog altijd?

--U weet, ze is eerst in Spanje geweest, met haar oom en haar

tante. Later heeft ze lang bij hen gelogeerd in Brussel; toen heeft ze,

geloof ik, in Nice een séjour met hen gemaakt; ook heeft ze gelogeerd

bij familie van haar tante, ergens op een kasteel bij Bordeaux,

en ik weet niet waar ze nog meer geweest is.

Het gesprek begon hem te vervelen. Eline interesseerde hem niets op

het oogenblik, en de jammerklachten van mevrouw Eekhof over Eline

onderbrekend, nam hij plotseling afscheid. Hij ging langs zijne

tante Verstraeten al de andere mama's, op een rijtje af, aanspreken,

glimlachend en zeer beleefd, maar inwendig genietend dat hij haar

allen zulke verwachtingen deed koesteren. O, mevrouw Oudendijk was

nu zeker overtuigd, dat hij Françoise van avond zou vragen; zij zag

hem nu reeds met zoo iets schoonmoederlijks aan, en zij legde haar

hand met zoo iets vertrouwelijks op de zijne. Hij putte zich dan ook

uit in de verfijndste complimentjes over Françoise, welke hij mevrouw

Oudendijk toediende, als zoete fondants... o, hoe behagelijk slikte

zij ze! Françoise had hem gezegd, dat zij zoo dolgraag paard wilde

rijden; waarom gaf mevrouw haar geen rijpaard? vroeg hij goedig;

ze zou een betooverende amazone zijn! En hij wachtte met een brutale

naïveteit op haar antwoord. Ze zou het hem zeker niet willen bekennen,

dat zoo een rijpaard haar allesbehalve conveniëerde, maar gaarne zou ze

gelispeld hebben, dat hem alles conveniëerde en dat hij dus Françoise

het paard maar moest aanbieden, met den gever op den koop toe. Nu,

als ze dàt dacht....

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 128 / 188 题