V.

Den volgenden avond was het bal bij de Verstraetens zeer vroolijk. Daar

men natuurlijk slechts intieme kennissen genoodigd had, lag er over de

drukte in de salons, de eetkamer en de serre, niettegenstaande al het

groen, en de luchtige toiletten der meisjes en de rokken der jongelui,

eene tint van huiselijke gezelligheid. Men kende elkander onderling

goed en in plaats eener stijve gelegenheidsconversatie heerschten onder

alle groepen eene ongedwongen vroolijkheid en een schitterende scherts.

Paul kwam te laat. De Polonaise en de Polka waren reeds geëindigd,

toen hij binnentrad en terwijl hij deftig voor het bruidje boog,

maakte zij zich boos.

--Je moest je schamen, dat je geen tijd vond eerder op mijn bal te

komen! Ik hoop, dat je er goed voor gestraft zal worden, akelige

jongen!

Hij verontschuldigde zich met zijn lachende oogen en zijn spottenden

mond, en rook even aan haar prachtigen, witten bouquet, met kanten

cornet, zijn gibus onder den arm, en zich zijne gris-perle handschoenen

aan de vingers schuivend. Hij vond, dat zij er bijna etherisch uitzag

in de wolkende witheid van heur tulle en oranjebloesem, met haar fijn,

bleek gezichtje en haar pruilend mondje, als van een bedorven kind.

--Ik hoop, dat alle meisjes haar dansen al zullen hebben, en dat je

alleen overblijft! sprak zij opstaande.

--Maar bruidje, bruidje, wat ben je weinig mild van humeur! Wil je

een pari met me aangaan, dat ik niet alleen overblijf en dat ik den

heelen avond dans, wil je? murmelde hij haar dicht in het gelaat,

terwijl hij heur fijn stemmetje nadeed.

--Neen, neen, geen pari! riep zij verschrikt. Je bent brutaal genoeg

om allerlei dwaasheden te doen. Je gedraagt je netjes vanavond, hoor.

Zij dreigde hem met den vinger en nam den arm van haar bruidegom

en zij dreef Georges fluisterend verder door een dichten drom van

meisjes en jongelui.

Paul zag Cateau Van der Stoor bij een paar azalea's staan met een

langen, bleeken jongen, dien hij niet kende. Hij knikte haar familiaar

toe, als hij een kindje gedaan had, terwijl zij koel even boog. Dat

kleine nest, hij zou haar leeren vanavond... hij zou haar niet om

een dans vragen, misschien wel haar in het geheel niet aanspreken.

Hij gevoelde zich juist in een humeur om iedereen voor den gek te

houden, toen hij in een dichten groep Frédérique en Marie bespeurde,

beide in roze tulle.

--Zoo, late bruidsjonker! riep Marie. Durf je je nog vertoonen,

bloos je niet...?

Hij hoorde niet naar heure overstelpende verwijtingen, maar vroeg

Freddy aanstonds naar de dansen, die zij hem beloofd had. De eerste

wals?

--Natuurlijk! sprak Freddy. Ik wachtte al op je, ik dacht dat je me

geheel vergeten was.

Uit de serre klonken reeds de eerste maten der Invitation à la

Valse en het dichte groepje, waarin zij zich bevonden, begon zich

te verspreiden.

--En nu gaan we zeker al dansende filozofeeren, zooals gisterenavond,

niet waar Freddy? vroeg hij.

--Dank je wel, hoor. Vanavond filozofeer ik niet, vanavond dans ik

en amuzeer ik me!

Haar stem klonk vol van een uitgelaten vroolijkheid en zij zag hem

lachend, met haar schitterende oogen, zoo betooverend aan, dat hij zijn

hart sneller voelde kloppen. Gelukkig, zij boudeerde nu niet. Wat was

zij mooi zoo, met die roze kleur, als een weêrschijn van heur toilet,

op hare wangen; wat was zij mooi in dien dartelen glans van bijna niet

te betoomen vroolijkheid! Mooier, mooier dan eene van die anderen,

mooier dan dat bleeke bruidje daar ginds. Hij had haar kunnen omhelzen,

maar hij vroeg slechts met zijn oogen in de hare:

--En de polka vóor de pauze en de wals na het souper? En de

cotillon? Alles voor me opengehouden?

--Ja, alles! antwoordde zij blozend; ofschoon je het volstrekt niet

verdient. Maar ik blijf trouw aan mijn eens gegeven woord. En je ziet,

al mijn andere dansen heb ik weggegeven.

Zij toonde hem haar balboekje; hij zag glimlachend naar de blanke

ruimte achter de dansen, die zij hem beloofd had, en hij kraste nu

achter elk dier dansen een groote brutale P.

De wals was reeds begonnen en terwijl hij zijn arm om Frédérique's

middel boog, zag hij Cateautje met den bleeken jongen voorbij

dansen. Hij knikte haar voor de tweede maal met een vaderlijk knikje

toe en genoot van zijn wreedheid, toen hij haar, met een kleur als

vuur, over den schouder van haren langen cavalier, een woedenden

blik naar hem zag werpen. En daarna dacht hij niet meer aan haar,

daarna dacht hij slechts aan Freddy.

Hij herinnerde zich niet ooit zoo zoet gedanst te hebben, nu hij

haar, gestrengeld in zijn arm, als zwevend op de punt harer roze

schoentjes rondvoerde tusschen de andere paren, waarvan de meisjes

hem, met een vluchtige liefkoozing harer linten, voorbij draaiden. Als

onwillekeurig drukte hij haar een weinig aan zijn borst en zijn blik

daalde lachend over haren hals, over hare mooie, volle schouders. Het

gewemel harer roze tulle bezwijmelde hem, als was dit een tintelende

wijn, dien hij met langzame teugen genoot en terwijl haar hoofd bijna

op zijn schouder lag, bespiedde hij het kroezen van een paar kleine,

zijden haartjes in heur nek. Zij had nu niets van een wijsneus,

niets van een kleinen professor en zij walste heerlijk, heerlijk.

Toen werd het hem of het leven niets dan éen zoete wals was. Altijd

de bedwelmende maat van die zachte duizelende wending, altijd

dezelfde... En altijd, bij die wending, dat mooie kopje bij

zijn schouder, dat ranke figuurtje in zijn arm, en altijd die

roze wervelwind van ruischende plooitjes als een gedwarrel van

rozenbladeren... En altijd die kroezende lokjes in haar nek en die

zachte blankheid van hare schouders, als van twee lelies... Altijd,

altijd...

--Paul, hou me toch niet zoo vast; ik zal niet wegloopen! fluisterde

zij en zag lachend tot hem op en hij zag haar vol terug in die

schitterende oogen. Maar hij wond zijn arm niet losser om haar leest

en zij schikte zich in zijne halve omhelzing, een vaag lachje om de

lippen. Zij spraken niet meer.

Het was hem, of hij uit een zoeten droom ontwaakte, toen de muziek

ophield.

--Waarom maar zoo niet door te walsen, hè Freddy altijd door? Tot je

dood ging...

Zij lachte en antwoordde iets, maar hij hoorde niet wat. Hij droomde

nog, dat zij walsten!

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 127 / 188 题