IV.

Met een zeer ontevreden gevoel over zichzelven, in een onbehagelijke

stemming, wandelde Paul de Princessegracht af, op weg naar de

stad. Tevergeefs poogde hij dat ontevreden gevoel af te weren;

het had een grijzen sluier over zijne gewone loszinnigheid geworpen

en hoe meer hij zich uit die vale plooien zocht los te winden, hoe

dichter zij hem omhulden. Wat toch behoefde hij zich het hoofd zwaar

te maken over de bouderie van een jong meisje, dat bij toeval het een

en ander van zijn jongelui's-leven gehoord had, en dat zich uit die

oppervlakkige kennis een romanesk-idée schiep, zeker een fantazie van

stroomen champagne, rollende gouden tientjes en smachtende vrouwenarmen

... Wat had Frédérique hem eigenlijk verweten? Dat hij geene betrekking

had? Waarom zou hij zich niet amuzeeren, zoolang hij het doen kon? En

waarom zou hij naar een betrekking zoeken, die hij niet noodig had, en

aldus den een of anderen armen drommel, die zijn brood moest verdienen,

door concurrentie zoeken te benadeelen? Hijzelve zou ook gaarne een

aangenamen werkkring gehad hebben, maar zooveel betrekkingen waren

er niet te krijgen, dat men er eene voor de luxe op na zou houden

en Frédérique moest in plaats van hem de les te lezen over zijn

"allernuttigst leven", het in hem apprecieeren, dat hij niet een

ander zijn brood ontstal! Zijne arme vrienden... Frédérique wist

immers zelve, dat niet iedereen millionnair was; zou ze dus willen,

dat hij zijne vrienden alleen uit Nabobs koos! Waarom zou hij zijne

vrienden niet helpen als ze in den piepzak zaten, terwijl hij slechts

de moeite had bij zijn bankier aan te loopen. Maar Etienne had soms

zulk een kinderachtige, tactlooze manier om zaken, waarover men niet

onder dames of met zijne familie sprak, klakkeloos uit te flappen;

hij zou dat jongetje eens onderhanden nemen; Frédérique moest eens

weten, dat Etienne, zoo goed als de anderen, telkens bij hem aanklopte,

nu om honderdvijftig gulden en dan om een rijksdaalder.

En terwijl hij in de schemering voortliep, groot en flink, met

zijn breede borst en zijn breede schouders, het hoofd in den nek,

en iets voor-den-gek-houdends in zijn lachende oogen en om zijn

pedant omgekrulden mond, bedacht hij, met een inwendig genot, dat

het toch wel lastig was rijk te zijn. Die verlangde, dat je geld

rondom je heen zou strooien, en die, dat je er op ging zitten. Toch

maakte wel iedereen je het hof, vooral de mama's van huwbare dochters:

zooals mevrouw Eekhof, die hem met alle geweld scheen te willen lijmen

aan Ange of Léonie, of mevrouw Oudendijk, die hem minstens eens per

week inviteerde en hem zooveel mogelijk met Françoise alleen liet,

terwijl nu, dat Cateautje op jaren kwam, mevrouw Van der Stoor ook

moeite ging doen. En dan nog andere mama's met meisjes, die en die,

en die... Hij liet ze allen in gedachten voorbij trekken, als een

processie van bejaarde dames, die glimlachend en buigend, hem hare

quasi zedig blozende dochters voorstelden, als ware hij een Pacha,

die er een harem op na ging houden en maar voor het nemen had. Zoo

loerden ze om hem te vangen, allen tuk op een ton of wat. Hij had

zijn hand maar uit te strekken en hij zou er tien aan elken vinger

hebben. Ja, ja, het was wel lastig rijk te zijn!

Hij sloeg het Korte Voorhout om. Zijn gedachte had zich langzamerhand

uit dien grijzen nevel van ontevredenheid losgeplooid en fladderde nu

spottend over al die aanprijzende mama's en die koopbare dochters. Hij

moest er nog niets van hebben; hij hoopte zijne lieve vrijheid

nog lang ongerept te kunnen bewaren! Maar stel eens, dat hij arm

geweest was, wie van die ris schoonheden zou hem dan hebben willen

hebben? Françoise zeker nog wel; die zag hem altijd zoo verliefd vlak

in zijn oogen aan! Ange en Léonie draaiden ook nog al om hem rond,

als zochten ze krijgertje met hem te spelen, en als hij ze nageloopen

had, zouden ze zeker in zijn arm gevallen zijn, met haar halfdichte

oogjes en haar mooie poppenfiguurtjes. Alleen Cateau, die gaf zich

airs, de kleine meid!

Terwijl zijne spottende gedachte over haar allen met een liefkoozende

minachting heengleed, rees een enkele maal Frédérique, fier als een

jonge vorstin, tusschen al die sultanetjes. Maar haar trof geen spot en

bij haar stond ook niet mevrouw Van Erlevoort, die ze te koop bood. Zij

stond alleen, en blikte met een rustigen hoogmoed op hem neêr; zij zou

zich niet in zijn armen geworpen hebben of aan zijn voeten gevallen

zijn, zooals die anderen. En hij eerbiedigde er haar om....

--Maar dat ze zooveel tegen me heeft bewijst toch wel, dat ik haar

niet onverschillig ben! dacht hij, terwijl hij langs den Schouwburg

ging en de Houtstraat insloeg. Ze beweert nu wel: het kan haar niet

schelen, of ik dit doe of dat doe, of ik zoo leef of zus leef, maar

kòn het haar niet schelen, dan zou ze me niet boudeeren, en niet tegen

me spreken als ze gedaan heeft. Ach natuurlijk, ze kent me zoolang,

dat ze vanzelf eenig belang in me stelt... En ze hoort natuurlijk een

heele boel slechts van me door mama en tante en de nichtjes... Het

is een lieve, degelijke meid, ik mag haar heel graag...

Het streelde hem nu bijna, dat die lieve, degelijke meid hem zooveel

verweten had en hij verlangde haar weder te zien en opnieuw zulk een

gesprek met haar te wisselen, als zij dien avond gewisseld hadden,

onder de schemerende palmen der serre.

--Natuurlijk, ze is een jong meisje en ze maakt zich dus wat nuchtere

ideeën van een wereld, die ze alleen uit den een of anderen slechten

roman kent, maar ze kan toch zoo aardig praten over de parasieten,

die op mijn geld azen. Dat heeft ze zeker ergens gelezen! Het is

net een professortje... Ik zal haar voortaan professor noemen, die

kleine wijsneus!

Zijn spot dreef weêr boven, maar hij mocht zich even vroolijk maken

over wat hij Frédérique's deftigheid noemde, zij bleef in zijne

gedachte toch tronen boven die andere meisjes, welke door haar mama's

hem in den arm werden geduwd....

En terwijl hij de Witte Sociëteit, waar hij wist nog zijne kennissen

te zullen vinden, naderde, herdacht hij het met een heimelijk genot:

ja, ja, het was wel lastig geld te hebben, het was wel lastig...

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 126 / 188 题