Met een zeer ontevreden gevoel over zichzelven, in een onbehagelijke
stemming, wandelde Paul de Princessegracht af, op weg naar de
stad. Tevergeefs poogde hij dat ontevreden gevoel af te weren;
het had een grijzen sluier over zijne gewone loszinnigheid geworpen
en hoe meer hij zich uit die vale plooien zocht los te winden, hoe
dichter zij hem omhulden. Wat toch behoefde hij zich het hoofd zwaar
te maken over de bouderie van een jong meisje, dat bij toeval het een
en ander van zijn jongelui's-leven gehoord had, en dat zich uit die
oppervlakkige kennis een romanesk-idée schiep, zeker een fantazie van
stroomen champagne, rollende gouden tientjes en smachtende vrouwenarmen
... Wat had Frédérique hem eigenlijk verweten? Dat hij geene betrekking
had? Waarom zou hij zich niet amuzeeren, zoolang hij het doen kon? En
waarom zou hij naar een betrekking zoeken, die hij niet noodig had, en
aldus den een of anderen armen drommel, die zijn brood moest verdienen,
door concurrentie zoeken te benadeelen? Hijzelve zou ook gaarne een
aangenamen werkkring gehad hebben, maar zooveel betrekkingen waren
er niet te krijgen, dat men er eene voor de luxe op na zou houden
en Frédérique moest in plaats van hem de les te lezen over zijn
"allernuttigst leven", het in hem apprecieeren, dat hij niet een
ander zijn brood ontstal! Zijne arme vrienden... Frédérique wist
immers zelve, dat niet iedereen millionnair was; zou ze dus willen,
dat hij zijne vrienden alleen uit Nabobs koos! Waarom zou hij zijne
vrienden niet helpen als ze in den piepzak zaten, terwijl hij slechts
de moeite had bij zijn bankier aan te loopen. Maar Etienne had soms
zulk een kinderachtige, tactlooze manier om zaken, waarover men niet
onder dames of met zijne familie sprak, klakkeloos uit te flappen;
hij zou dat jongetje eens onderhanden nemen; Frédérique moest eens
weten, dat Etienne, zoo goed als de anderen, telkens bij hem aanklopte,
nu om honderdvijftig gulden en dan om een rijksdaalder.
En terwijl hij in de schemering voortliep, groot en flink, met
zijn breede borst en zijn breede schouders, het hoofd in den nek,
en iets voor-den-gek-houdends in zijn lachende oogen en om zijn
pedant omgekrulden mond, bedacht hij, met een inwendig genot, dat
het toch wel lastig was rijk te zijn. Die verlangde, dat je geld
rondom je heen zou strooien, en die, dat je er op ging zitten. Toch
maakte wel iedereen je het hof, vooral de mama's van huwbare dochters:
zooals mevrouw Eekhof, die hem met alle geweld scheen te willen lijmen
aan Ange of Léonie, of mevrouw Oudendijk, die hem minstens eens per
week inviteerde en hem zooveel mogelijk met Françoise alleen liet,
terwijl nu, dat Cateautje op jaren kwam, mevrouw Van der Stoor ook
moeite ging doen. En dan nog andere mama's met meisjes, die en die,
en die... Hij liet ze allen in gedachten voorbij trekken, als een
processie van bejaarde dames, die glimlachend en buigend, hem hare
quasi zedig blozende dochters voorstelden, als ware hij een Pacha,
die er een harem op na ging houden en maar voor het nemen had. Zoo
loerden ze om hem te vangen, allen tuk op een ton of wat. Hij had
zijn hand maar uit te strekken en hij zou er tien aan elken vinger
hebben. Ja, ja, het was wel lastig rijk te zijn!
Hij sloeg het Korte Voorhout om. Zijn gedachte had zich langzamerhand
uit dien grijzen nevel van ontevredenheid losgeplooid en fladderde nu
spottend over al die aanprijzende mama's en die koopbare dochters. Hij
moest er nog niets van hebben; hij hoopte zijne lieve vrijheid
nog lang ongerept te kunnen bewaren! Maar stel eens, dat hij arm
geweest was, wie van die ris schoonheden zou hem dan hebben willen
hebben? Françoise zeker nog wel; die zag hem altijd zoo verliefd vlak
in zijn oogen aan! Ange en Léonie draaiden ook nog al om hem rond,
als zochten ze krijgertje met hem te spelen, en als hij ze nageloopen
had, zouden ze zeker in zijn arm gevallen zijn, met haar halfdichte
oogjes en haar mooie poppenfiguurtjes. Alleen Cateau, die gaf zich
airs, de kleine meid!
Terwijl zijne spottende gedachte over haar allen met een liefkoozende
minachting heengleed, rees een enkele maal Frédérique, fier als een
jonge vorstin, tusschen al die sultanetjes. Maar haar trof geen spot en
bij haar stond ook niet mevrouw Van Erlevoort, die ze te koop bood. Zij
stond alleen, en blikte met een rustigen hoogmoed op hem neêr; zij zou
zich niet in zijn armen geworpen hebben of aan zijn voeten gevallen
zijn, zooals die anderen. En hij eerbiedigde er haar om....
--Maar dat ze zooveel tegen me heeft bewijst toch wel, dat ik haar
niet onverschillig ben! dacht hij, terwijl hij langs den Schouwburg
ging en de Houtstraat insloeg. Ze beweert nu wel: het kan haar niet
schelen, of ik dit doe of dat doe, of ik zoo leef of zus leef, maar
kòn het haar niet schelen, dan zou ze me niet boudeeren, en niet tegen
me spreken als ze gedaan heeft. Ach natuurlijk, ze kent me zoolang,
dat ze vanzelf eenig belang in me stelt... En ze hoort natuurlijk een
heele boel slechts van me door mama en tante en de nichtjes... Het
is een lieve, degelijke meid, ik mag haar heel graag...
Het streelde hem nu bijna, dat die lieve, degelijke meid hem zooveel
verweten had en hij verlangde haar weder te zien en opnieuw zulk een
gesprek met haar te wisselen, als zij dien avond gewisseld hadden,
onder de schemerende palmen der serre.
--Natuurlijk, ze is een jong meisje en ze maakt zich dus wat nuchtere
ideeën van een wereld, die ze alleen uit den een of anderen slechten
roman kent, maar ze kan toch zoo aardig praten over de parasieten,
die op mijn geld azen. Dat heeft ze zeker ergens gelezen! Het is
net een professortje... Ik zal haar voortaan professor noemen, die
kleine wijsneus!
Zijn spot dreef weêr boven, maar hij mocht zich even vroolijk maken
over wat hij Frédérique's deftigheid noemde, zij bleef in zijne
gedachte toch tronen boven die andere meisjes, welke door haar mama's
hem in den arm werden geduwd....
En terwijl hij de Witte Sociëteit, waar hij wist nog zijne kennissen
te zullen vinden, naderde, herdacht hij het met een heimelijk genot:
ja, ja, het was wel lastig geld te hebben, het was wel lastig...