III.

Des avonds, na de receptie, waren de Verstraetens een weinig moê. Zij

verkleedden zich en meneer trok zich in zijn kantoor terug. Mevrouw

ging een dutje doen, afgetobt door duizend bruiloftbeslommeringen,

en Lili, uitgeput na een geheelen middag, staande, bedankt te hebben

voor een stortvloed van felicitaties, had zich in haar geliefden

stoel van oud tapisserie werk neêrgeworpen en sluimerde bijna met

half gesloten oogen.

--Lili, waarom ga je niet wat boven op je bed liggen? ried Marie aan.

--Ik dank je hartelijk, ik voel me daar in niets geen stemming

toe! Maar ik ben dood, dood...

Georges naderde zijn bruidje bezorgd en hij zette zich bij haar,

vatte heur hand, en zij fluisterden samen in het zachte schijnsel

der halfverlichte salons. Frédérique, Paul en Etienne waren, evenals

Georges, blijven eten, maar Etienne nam nu afscheid; hij had een

afspraak met eenige kennissen.

--Ga je meê, Paul? vroeg hij.

Paul hief even het hoofd op en dacht na. Toen rekte hij zich uit.

--Neen, dank je, ik ben wat lui.

--Maar ze rekenen op je!

--Ja, ik heb toch geen lust; excuzeer me maar.

Etienne mopperde ontevreden en ging heen. Marie dwaalde neuriënde door

de salons, verschikte met Frédérique eenige bouquetten en bloemenmanden

en besprenkelde ze met de druppels, die zij van hare vingers, na ze in

een kom met water bevochtigd te hebben, aftikte. Marie alleen had zich,

om in een feeststemming te blijven, niet verkleed, maar zij zou nu

toch haar roze toilet voor iets eenvoudigers verwisselen. De anderen

waren toch saai en lui en moê. Lili lag met haar hoofd op Georges'

schouder; Paul hing in een stoel, met wijd uitgestrekte beenen...

--Zet die groote mand op het tafeltje in de serre, wil je, Freddy;

hij staat hier wat in den weg; we zouden hem morgen omver kunnen

dansen. Dan ga ik even naar boven.

--Goed, sprak Frédérique.

Marie ging en Frédérique tilde de mand op, toen Paul zich verhief.

--Wil ik je even helpen? vroeg hij.

--Ja, zet hem dan in de serre, op het tafeltje. Dank je.

Zij nam de kom met water en besprenkelde de bloemen, die Paul nu

verplaatst had. De serre was niet verlicht en scheen een somber

priëel van groen. De geschenken waren reeds opgeruimd; alleen het

blauwe ameublement stond er nog verspreid. Paul met de handen in den

zak staarde op Frédérique's vingers, die de druppels over de bloemen

neêr tikten.

--Freddy, begon hij. Ik moet je eens iets vragen.

--Wat dan?

--Waarom boudeer je tegenwoordig tegen me?

--Ik boudeeren? Ik denk er niet aan. Alleen kan ik niet lief zijn

tegen iemand, van wien ik op het oogenblik niet hou.

--En waarom hoû je op het oogenblik niet van me?

--Die vraag kan jij jezelve beantwoorden, als je even nadenkt,

antwoordde zij en zij wilde zich met haar kom verwijderen. Hij echter

vatte haar bij de beide polsen.

--Loop nu niet boos weg en zet die kom maar neêr. En antwoord me nu

niet met halve woorden.

Hij dwong haar zacht te gaan zitten en ontnam haar de kom, maar zij

maakte heure polsen los uit zijn greep. Gaf zij hem nu ook toe door

te blijven zitten, bereid hem aan te hooren, toch gevoelde zij iets,

of zij een zege behaald had: er was iets smeekends in zijn zachten

dwang geweest.

--En vertel me nu eens wat je tegen me hebt?

Dat hij zoo aanhield maakte haar verlegen: het was haar toch wel

moeilijk hem tezeggen, wat zij tegen hem had.

--Je weet, dat ik een groote fout heb, Paul! begon zij. Ik kan namelijk

nooit mijn gevoelens verbergen. Ik vind je tegenwoordig niets lief

en dat schijn ik onwillekeurig te laten blijken. Het spijt me en

ik verzeker je, dat het onwillekeurig is; ik zal voortaan probeeren

vriendelijker te zijn en een beetje te huichelen.

--Waarom ben je toch zoo bitter, Freddy? Spreek liever ronduit met me.

--Ach, beste Paul, wat valt er te spreken. Als ik met je sprak, zou

ik je misschien het een of ander gaan verwijten, en ik heb geen recht

je verwijtingen te doen.

--En als ik je nu het recht gaf me verwijtingen te doen? Verwijtingen

zijn me in alle geval aangenamer dan die korte, booze woordjes,

die ik tegenwoordig telkens van je krijg.

--Je wilt dus absoluut door mij de les worden gelezen? vroeg zij,

een weinig verzacht en glimlachend.

--O zoo graag, dol graag.

--Zie je, je maakt er gekheid van. Ik wil heel graag gekheid maken,

maar laten we dan over iets anders praten en naar binnen gaan.

--Neen, neen, juist niet, het is hier juist een plekje om vertrouwelijk

te zijn, en ik ben hoogst ernstig, ik verzeker het je.

Zij poogde hem in de oogen te zien, want hij zat in de sombere

schaduw der palmen. Hij had in den laatsten tijd een toon van spot,

een satirieke tint in zijn stem, die haar hinderde, en zelfs nu hij

een verklaring met haar zocht, merkte zij dien cynischen klank op.

--Je bent zeker zeer tevreden over jezelven, niet waar? Je spreekt

tegenwoordig over alles zoo luchtig, zoo minachtend.

--Ah, nu komen we verder. Dit zijn ten minste grieven; luchtig,

minachtend, ik wist niet, dat ik zoo sprak. Maar waarom zou ik niet

tevreden zijn over mezelven?

--Omdat je tegenwoordig zoo een allernuttigst leven lijdt.

--O, ik weet al waar je naar toe wilt. Je meent dat ik tegenwoordig

niet meer bij Hovel werk. Ik ben van plan me als advocaat te vestigen.

--Dat wist ik; tenminste, dat heb ik meer gehoord.

--Nu, stelt dat je dan niet gerust?

--Mij gerust? Ik ben over niets ongerust, Paul, ik heb over niets

ongerust te zijn. Ik bid je, laten we toch over iets anders spreken

want ik heb heusch de pretentie niet, je tot een bezigheid aan te

sporen. Het kan mij niet schelen, of je iets doet, of dat je leêg

loopt. Ga je mee naar den salon?

--Toe Freddy, wees nu niet zoo kort van stof. In den salon hinder

je Georges en Lili, die met elkaâr liggen te vrijen. Ik wou nu zoo

graag eens vrede met je maken.

--We zijn toch niet op voet van oorlog, meen ik.

--Neen, maar ik kan niets zeggen of je vat het verkeerd op. En je

bent toch niet zoo koel tegen me, alleen, omdat ik op het oogenblik

niets uitvoer? Zeg me dus ronduit; waarom ben je zoo koel tegen me?

Hij dreef haar een beetje in het nauw, maar zij liet het niet blijken.

--Zooals ik je zeg, je luchtige, minachtende toon bevalt me soms

niet. Je kan soms vreeselijk arrogant spreken. Bij voorbeeld verleden,

toen je over Georges en Lili sprak.

--Omdat ik het dwaas vond,--en dat vind ik nog,--dat ze met elkaâr

armoede willen gaan lijden? Enfin, ze moeten het weten, niet waar,

maar waarom is het arrogant dat te zeggen?

--Omdat niet iedereen millionnair is, Paul. Hij zag haar doordringend

aan.

--Ik begrijp niet wat je daarmeê bedoelt.

--Het is toch niet moeilijk te vatten, geloof ik! antwoordde zij met

een lachje.

--Je meent toch niet, dat ik me.... op mijn geld laat voorstaan?

--Nu.... zoo een klein beetje.

--Ach kom, dwaasheid!

--Heusch, je hangt tegenwoordig wel wat "le seigneur opulent" uit. Je

hebt, geloof ik, een kring van arme vrienden, die goed van je beurs

profiteeren, en waarmeê je orgies houdt, in het huis van je moeder,

zoodat de goede vrouw niet slapen kan, niet waar?

--Hoe kom je aan dat verhaal?

--Je vergeet, dat ik een broêr heb, die ook in dat clubje is. En dat

je mama wel eens behoefte heeft haar hart lucht te geven.

--O, ik denk er al lang over op mijzelven te gaan wonen. Het is

te lastig als jongmensch in een zoogenaamd geordend huishouden te

zijn. Ik heb een appartement op het oog en dan heeft mama geen last

meer van mijn orgies.

--Een appartement? Ik zou een hôtel laten bouwen, Paul, met

logeerkamers voor je arme vrienden.

--Wat hamer je toch op mijn arme vrienden! Wie bedoel je

daarmeê! Hijdrecht is toch niet arm en Oudendijk ook niet.

--Je noemt wel de twee fatsoenlijkste op van het troepje.

--Je kent de anderen niet, Frédérique.

--O gelukkig niet, goddank niet!

--Wat weet je dan van ze? En hoe kan je ze dan beoordeelen? Als je

ze niet kent....

--Ik weet genoeg van ze, om te weten, dat ze als een troepje parasieten

op je geld azen.

--Zoo, denk je? Etienne heeft zeker geleuterd over iemand, dien ik

wel eens geld gaf. Etienne moest beter weten, wat hij zeggen kan en

wat hij voor zich moet houden. Je leent onder jongelui elkaâr zoo

dikwijls; daar kan jij niet over oordeelen.

--Dat zal wel zoo zijn, we zullen er dus niet meer over spreken.

Er was in den salon beweging gekomen en het gas brandde er nu

hel. Frédérique stond op.

--En de vrede is dus niet gesloten? vroeg Paul, eveneens opstaande.

--Er was geen oorlog, Paul, antwoordde Frédérique. Je hebt alleen

me willen spreken en ik heb met je gesproken. Heb ik je soms iets

gezegd, dat je niet aangenaam is, vergeet dat dan; ik herhaal je,

ik zou je niets verweten hebben, als jezelve geen verwijtingen had

uitgelokt. Je bent oud en wijs genoeg om je leven van jongmensch in

te richten, zooals je verkiest. Een raad van een jong meisje heb je

daartoe niet noodig en zou je niet van nut zijn.

Zij begaf zich naar binnen. Mevrouw Verstraeten was juist met Marie

teruggekomen, en Dien bracht het theeblad. Lili vroeg waar Frédérique

gezeten had.

--Ik heb met Paul zitten wachten op de thee, antwoordde Freddy. Ik

versmacht van dorst, mevrouw.

Paul echter nam afscheid. Hij zou nu toch maar Etienne en, zijne

kennissen, die hem wachtten, zoeken, zeide hij, en in zijn stem klonk

iets uittartends.

--Tot morgen dus... Adieu tante! Dag Lili, Georges, Marie. Dag Freddy!

--Dag Paul, amuzeer je. Tot morgen, antwoordde Freddy koel en zij

legde achteloos hare vingers in de hand, die hij uitstak.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 125 / 188 题