Des avonds, na de receptie, waren de Verstraetens een weinig moê. Zij
verkleedden zich en meneer trok zich in zijn kantoor terug. Mevrouw
ging een dutje doen, afgetobt door duizend bruiloftbeslommeringen,
en Lili, uitgeput na een geheelen middag, staande, bedankt te hebben
voor een stortvloed van felicitaties, had zich in haar geliefden
stoel van oud tapisserie werk neêrgeworpen en sluimerde bijna met
half gesloten oogen.
--Lili, waarom ga je niet wat boven op je bed liggen? ried Marie aan.
--Ik dank je hartelijk, ik voel me daar in niets geen stemming
toe! Maar ik ben dood, dood...
Georges naderde zijn bruidje bezorgd en hij zette zich bij haar,
vatte heur hand, en zij fluisterden samen in het zachte schijnsel
der halfverlichte salons. Frédérique, Paul en Etienne waren, evenals
Georges, blijven eten, maar Etienne nam nu afscheid; hij had een
afspraak met eenige kennissen.
--Ga je meê, Paul? vroeg hij.
Paul hief even het hoofd op en dacht na. Toen rekte hij zich uit.
--Neen, dank je, ik ben wat lui.
--Maar ze rekenen op je!
--Ja, ik heb toch geen lust; excuzeer me maar.
Etienne mopperde ontevreden en ging heen. Marie dwaalde neuriënde door
de salons, verschikte met Frédérique eenige bouquetten en bloemenmanden
en besprenkelde ze met de druppels, die zij van hare vingers, na ze in
een kom met water bevochtigd te hebben, aftikte. Marie alleen had zich,
om in een feeststemming te blijven, niet verkleed, maar zij zou nu
toch haar roze toilet voor iets eenvoudigers verwisselen. De anderen
waren toch saai en lui en moê. Lili lag met haar hoofd op Georges'
schouder; Paul hing in een stoel, met wijd uitgestrekte beenen...
--Zet die groote mand op het tafeltje in de serre, wil je, Freddy;
hij staat hier wat in den weg; we zouden hem morgen omver kunnen
dansen. Dan ga ik even naar boven.
--Goed, sprak Frédérique.
Marie ging en Frédérique tilde de mand op, toen Paul zich verhief.
--Wil ik je even helpen? vroeg hij.
--Ja, zet hem dan in de serre, op het tafeltje. Dank je.
Zij nam de kom met water en besprenkelde de bloemen, die Paul nu
verplaatst had. De serre was niet verlicht en scheen een somber
priëel van groen. De geschenken waren reeds opgeruimd; alleen het
blauwe ameublement stond er nog verspreid. Paul met de handen in den
zak staarde op Frédérique's vingers, die de druppels over de bloemen
neêr tikten.
--Freddy, begon hij. Ik moet je eens iets vragen.
--Wat dan?
--Waarom boudeer je tegenwoordig tegen me?
--Ik boudeeren? Ik denk er niet aan. Alleen kan ik niet lief zijn
tegen iemand, van wien ik op het oogenblik niet hou.
--En waarom hoû je op het oogenblik niet van me?
--Die vraag kan jij jezelve beantwoorden, als je even nadenkt,
antwoordde zij en zij wilde zich met haar kom verwijderen. Hij echter
vatte haar bij de beide polsen.
--Loop nu niet boos weg en zet die kom maar neêr. En antwoord me nu
niet met halve woorden.
Hij dwong haar zacht te gaan zitten en ontnam haar de kom, maar zij
maakte heure polsen los uit zijn greep. Gaf zij hem nu ook toe door
te blijven zitten, bereid hem aan te hooren, toch gevoelde zij iets,
of zij een zege behaald had: er was iets smeekends in zijn zachten
dwang geweest.
--En vertel me nu eens wat je tegen me hebt?
Dat hij zoo aanhield maakte haar verlegen: het was haar toch wel
moeilijk hem tezeggen, wat zij tegen hem had.
--Je weet, dat ik een groote fout heb, Paul! begon zij. Ik kan namelijk
nooit mijn gevoelens verbergen. Ik vind je tegenwoordig niets lief
en dat schijn ik onwillekeurig te laten blijken. Het spijt me en
ik verzeker je, dat het onwillekeurig is; ik zal voortaan probeeren
vriendelijker te zijn en een beetje te huichelen.
--Waarom ben je toch zoo bitter, Freddy? Spreek liever ronduit met me.
--Ach, beste Paul, wat valt er te spreken. Als ik met je sprak, zou
ik je misschien het een of ander gaan verwijten, en ik heb geen recht
je verwijtingen te doen.
--En als ik je nu het recht gaf me verwijtingen te doen? Verwijtingen
zijn me in alle geval aangenamer dan die korte, booze woordjes,
die ik tegenwoordig telkens van je krijg.
--Je wilt dus absoluut door mij de les worden gelezen? vroeg zij,
een weinig verzacht en glimlachend.
--O zoo graag, dol graag.
--Zie je, je maakt er gekheid van. Ik wil heel graag gekheid maken,
maar laten we dan over iets anders praten en naar binnen gaan.
--Neen, neen, juist niet, het is hier juist een plekje om vertrouwelijk
te zijn, en ik ben hoogst ernstig, ik verzeker het je.
Zij poogde hem in de oogen te zien, want hij zat in de sombere
schaduw der palmen. Hij had in den laatsten tijd een toon van spot,
een satirieke tint in zijn stem, die haar hinderde, en zelfs nu hij
een verklaring met haar zocht, merkte zij dien cynischen klank op.
--Je bent zeker zeer tevreden over jezelven, niet waar? Je spreekt
tegenwoordig over alles zoo luchtig, zoo minachtend.
--Ah, nu komen we verder. Dit zijn ten minste grieven; luchtig,
minachtend, ik wist niet, dat ik zoo sprak. Maar waarom zou ik niet
tevreden zijn over mezelven?
--Omdat je tegenwoordig zoo een allernuttigst leven lijdt.
--O, ik weet al waar je naar toe wilt. Je meent dat ik tegenwoordig
niet meer bij Hovel werk. Ik ben van plan me als advocaat te vestigen.
--Dat wist ik; tenminste, dat heb ik meer gehoord.
--Nu, stelt dat je dan niet gerust?
--Mij gerust? Ik ben over niets ongerust, Paul, ik heb over niets
ongerust te zijn. Ik bid je, laten we toch over iets anders spreken
want ik heb heusch de pretentie niet, je tot een bezigheid aan te
sporen. Het kan mij niet schelen, of je iets doet, of dat je leêg
loopt. Ga je mee naar den salon?
--Toe Freddy, wees nu niet zoo kort van stof. In den salon hinder
je Georges en Lili, die met elkaâr liggen te vrijen. Ik wou nu zoo
graag eens vrede met je maken.
--We zijn toch niet op voet van oorlog, meen ik.
--Neen, maar ik kan niets zeggen of je vat het verkeerd op. En je
bent toch niet zoo koel tegen me, alleen, omdat ik op het oogenblik
niets uitvoer? Zeg me dus ronduit; waarom ben je zoo koel tegen me?
Hij dreef haar een beetje in het nauw, maar zij liet het niet blijken.
--Zooals ik je zeg, je luchtige, minachtende toon bevalt me soms
niet. Je kan soms vreeselijk arrogant spreken. Bij voorbeeld verleden,
toen je over Georges en Lili sprak.
--Omdat ik het dwaas vond,--en dat vind ik nog,--dat ze met elkaâr
armoede willen gaan lijden? Enfin, ze moeten het weten, niet waar,
maar waarom is het arrogant dat te zeggen?
--Omdat niet iedereen millionnair is, Paul. Hij zag haar doordringend
aan.
--Ik begrijp niet wat je daarmeê bedoelt.
--Het is toch niet moeilijk te vatten, geloof ik! antwoordde zij met
een lachje.
--Je meent toch niet, dat ik me.... op mijn geld laat voorstaan?
--Nu.... zoo een klein beetje.
--Ach kom, dwaasheid!
--Heusch, je hangt tegenwoordig wel wat "le seigneur opulent" uit. Je
hebt, geloof ik, een kring van arme vrienden, die goed van je beurs
profiteeren, en waarmeê je orgies houdt, in het huis van je moeder,
zoodat de goede vrouw niet slapen kan, niet waar?
--Hoe kom je aan dat verhaal?
--Je vergeet, dat ik een broêr heb, die ook in dat clubje is. En dat
je mama wel eens behoefte heeft haar hart lucht te geven.
--O, ik denk er al lang over op mijzelven te gaan wonen. Het is
te lastig als jongmensch in een zoogenaamd geordend huishouden te
zijn. Ik heb een appartement op het oog en dan heeft mama geen last
meer van mijn orgies.
--Een appartement? Ik zou een hôtel laten bouwen, Paul, met
logeerkamers voor je arme vrienden.
--Wat hamer je toch op mijn arme vrienden! Wie bedoel je
daarmeê! Hijdrecht is toch niet arm en Oudendijk ook niet.
--Je noemt wel de twee fatsoenlijkste op van het troepje.
--Je kent de anderen niet, Frédérique.
--O gelukkig niet, goddank niet!
--Wat weet je dan van ze? En hoe kan je ze dan beoordeelen? Als je
ze niet kent....
--Ik weet genoeg van ze, om te weten, dat ze als een troepje parasieten
op je geld azen.
--Zoo, denk je? Etienne heeft zeker geleuterd over iemand, dien ik
wel eens geld gaf. Etienne moest beter weten, wat hij zeggen kan en
wat hij voor zich moet houden. Je leent onder jongelui elkaâr zoo
dikwijls; daar kan jij niet over oordeelen.
--Dat zal wel zoo zijn, we zullen er dus niet meer over spreken.
Er was in den salon beweging gekomen en het gas brandde er nu
hel. Frédérique stond op.
--En de vrede is dus niet gesloten? vroeg Paul, eveneens opstaande.
--Er was geen oorlog, Paul, antwoordde Frédérique. Je hebt alleen
me willen spreken en ik heb met je gesproken. Heb ik je soms iets
gezegd, dat je niet aangenaam is, vergeet dat dan; ik herhaal je,
ik zou je niets verweten hebben, als jezelve geen verwijtingen had
uitgelokt. Je bent oud en wijs genoeg om je leven van jongmensch in
te richten, zooals je verkiest. Een raad van een jong meisje heb je
daartoe niet noodig en zou je niet van nut zijn.
Zij begaf zich naar binnen. Mevrouw Verstraeten was juist met Marie
teruggekomen, en Dien bracht het theeblad. Lili vroeg waar Frédérique
gezeten had.
--Ik heb met Paul zitten wachten op de thee, antwoordde Freddy. Ik
versmacht van dorst, mevrouw.
Paul echter nam afscheid. Hij zou nu toch maar Etienne en, zijne
kennissen, die hem wachtten, zoeken, zeide hij, en in zijn stem klonk
iets uittartends.
--Tot morgen dus... Adieu tante! Dag Lili, Georges, Marie. Dag Freddy!
--Dag Paul, amuzeer je. Tot morgen, antwoordde Freddy koel en zij
legde achteloos hare vingers in de hand, die hij uitstak.