De "verbintenis des harten" tusschen Georges en Lili, voor welke
Emilie, nu ongeveer anderhalf jaar geleden, bij den heer en mevrouw
Verstraeten gepleit had, had het jonge paartje niet lang gebonden,
zonder weldra tot een hechter band verstrengeld te worden. Iedereen
wist er immers van, en iedereen sprak er over, hoe bescheiden Georges
ook geweest was. De heer en mevrouw Verstraeten zagen in, dat die
toestand niet langer houdbaar zou zijn. Want Lili zeurde nu eens en
boudeerde eens, en Emilie, waarachtig! begon meê te zeuren. Mevrouw
kwam dan wel eens klagen bij hare zuster Dora, de oude mevrouw Van
Raat, maar de moede, grijze vrouw, die zich steeds in het verleden
geluk verdiepte, gaf haar niet gelijk. Waarom maar geen formeel
engagement; alles zou zich daarna wel schikken--zoo drong mevrouw Van
Raat met haar treurige stem aan, en Lili dweepte dan ook voortaan
met hare oude tante en vond, dat er niemand op de wereld zoo lief
was als zij.
Toen was het gebeurd, dat, zoodra Georges in zijn examen voor
vice-consul geslaagd was, het engagement, voor niemand meer een geheim,
publiek was geworden. Georges was daarna éens gedetacheerd geweest
naar Parijs en éens naar Hamburg. Toen hij teruggekeerd was, dreven
Emilie en Lili opnieuw de hardnekkige ouders tot een stap verder. De
toestand werd gewikt en gewogen en men kwam tot het besluit, dat als
Georges nu op Buitenlandsche Zaken werkzaam, zoo zuinig was, als hij
voorgaf te zijn en Lili verstandiger werd--wat zij nog lang niet was,
meende mevrouw Verstraeten--het huwelijk gewaagd zou kunnen worden met
een kleine bijdrage van de zijde der Verstraetens. De dag werd bepaald
op 30 Mei. Mevrouw, Emilie en Lili beijverden zich voor het uitzet en
er was niemand zoo gelukkig in heel Den Haag als die twee kinderen,
welke, zooals Emilie schertste, na een roman van lotverwisselingen,
omzwervingen en booze ouders, edele zusters en tantes, ten laatste
elkaâr gekregen hadden! Zoo werden deugd en trouw beloond!
Marie lachte hartelijk, toen Emilie aldus declameerde. Want Marie
was in den laatsten tijd zoo vroolijk en levenslustig geworden,
dat Frédérique geheel en al vergeten was, hoe zij vroeger vreemde,
nerveuze buien had gehad, hoe zij vroeger zich steeds eenzaam had
opgesloten en reisbeschrijvingen had pogen te schrijven. Zij dwaalde,
jubelend van vroolijkheid, het huis door, plaagde Lili, plaagde Jan,
pakte oude Dien bij de schouders, om met haar rond te tollen. Het
scheen, of er een glans over haar gelaat straalde, die zich weerkaatste
in het zachte bruin harer oogen, Zij had steeds een eenvoudig, weinig
opvallend gezichtje gehad, en men verwonderde zich er nu vaak over,
in den kring harer kennissen, dat Marie zoo opknapte.
Die glans over haar gelaat scheen als de weêrschittering van
den dageraad eener nieuwe verwachting in haar hart. Wanneer zij
tegenwoordig voor haar venster stond, en naar het Malieveld tuurde,
dat, in de zachte Meizon, als met een geparel van dauwdruppelen
schitterde, terwijl het geblaârte van het Bosch zich in teeder
geelgroene tinten schakeerde, sloeg geen weemoed meer een nevel over
haar ziel, maar jubelde die integendeel op.
Zij mocht zich hem, Otto, nu denken, zij mocht zich thans bekennen,
dat zij hem liefhad! En het scheen haar, of zij hem nog meer liefhad,
nu, dat een innig medelijden hare liefde verhoogde, dan vroeger, toen
zij hem beminde om zichzelve, met een stille ijverzucht op die andere,
welke hem weldra van zich gestooten had als een waardeloos iets.
Hij scheen nog wel te treuren om die andere, maar toch mocht zij
hopen, en die hoop schitterde van uit heur hart op naar heur gelaat,
en deed haar glanzen van een nieuw schoon.