I.

Anderhalf jaar was verloopen. Bij de Verstraetens op de Princessegracht

zag het er allerfeestelijkst uit. De vestibule, de eetkamer, de beide

salons en de serre geleken bevallige wintertuinen, daar kunstige

palmgroepen zich in de hoeken als pyramiden van groen verhieven,

terwijl de roze en witte bloesems der volbloeide azalea's daartusschen

hare groote, ronde bouquetten opbeurden. Want er was eene bruid in

huis en men vierde hoogtijd.

Het was de middag der receptie en de salons waren gevuld met eene

steeds wisselende drukte van gelukwenschende kennissen. Het tuinraam

van den grooten salon was geheel en al verborgen door een groep van

groen, waarvoor zich een halve cirkel van fauteuils aan weêrszijden

eener canapé rijde en voór die canapé stonden Georges De Woude Van

Bergh en Lili Verstraeten als een jeugdig vorstenpaar, dat audiëntie

verleent. Het twintigjarige bruidje schitterde in den glans van haar

geluk, in haar witte zijde en haar oranjebloesem en zij werd niet moede

hun allen, die daar kwamen, haar lieve woordjes toe te fluisteren:

--Dank u, dank u wel en dank u nog hartelijk voor uw mooi cadeau!

Haar bruidegom, in zijn rok met zijn witte roos, bedankte eveneens,

innerlijk wenschende, dat de parade was afgeloopen, maar steeds een

en al glimlach en vriendelijkheid. Mevrouw Verstraeten stond aan de

zijde harer dochter en Emilie De Woude kwam zich nu en dan aan die

van haar broêr stellen, maar zij nam heure moederlijke plichten zeer

ongedurig waar en was, wanneer men haar zocht, dikwijls verdwaald

tusschen de gonzende groepen der bezoekers. Marie en Frédérique

waren met Paul en Etienne het gevolg van het jeugdig vorstenpaar,

de bruidsmeisjes in het roze, de jonkers in hun rok met bloesemend

knoopsgat, en zij brachten de steeds wisselende gasten naar de serre,

waar, op een lange tafel de geschenken stonden uitgestald. Het zilveren

theeservies in het midden van den heer De Woude: daar omheen al het

zilver, al het kristal, al het fijn porselein, door verwanten en

vrienden geofferd, terwijl het prachtig cadeau der beide neven Van

Raat, Henk en Paul, een elegant ameublementje van dof blauw satijn

voor den kleinen salon der jonggehuwden, de geheele serre, als het

ware, encombreerde. Het geschenk van de ouders der bruid was niet

zichtbaar; het zou te veel plaats ingenomen hebben, want het bestond

uit het geheele ameublement der slaapkamer, keurig maar niet luxueus,

zooals het betaamde voor een jong paar, dat nog fortuin moest maken,

beweerde Emilie tot mevrouw Van der Stoor, die met Cateau was gekomen.

--Ze gaan wonen in de Atjehstraat, niet waar, freule? vroeg mevrouw

Van der Stoor, met een onderzoekenden blik naar een confituurlepel

en -vork met agathen heft.

--Ja, in de Atjehstraat, in een klein huisje, net geschikt voor twee

van die kinderen. Wat zegt u er au fond van, twee van die kinderen,

die gaan trouwen! Enfin, ze moeten weten wat ze doen, niet waar?

Zij mopperde met een glimlach, innerlijk zeer gelukkig over de keuze

van haar broêr en mevrouw Van der Stoor lachte ook. Cateau bewonderde

het satijnen ameublement.

--Dit hebben uw broêr en uw schoonzuster gegeven, niet waar, meneer

Paul?

--En de ondergeteekende! sprak Paul en wees op zichzelven. Maar wat

wordt je al een dame, Cateau! vervolgde hij terwijl zijn blik streelend

over hare gestalte gleed. En wat draag je een hoogen chignon. Het is

kolossaal, hoor!

--Wel, waarom zou ik mettertijd geen dame worden en mijn haar hoog

dragen? vroeg Cateau, een beetje uit de hoogte en geërgerd over zijn

familiariteit. Ze was nu toch bijna zeventien, en hij had volstrekt

niet noodig haar maar altijd bij den naam te noemen, terwijl zij

nooit wist, wat zij tot hem zeggen moest, Van Raat, meneer Van Raat,

of meneer Paul. Ze vond hem tegenwoordig ook volstrekt niet meer

aardig; zij hoorde steeds allerlei slechte dingen van hem; hij moest

zoo pierewaaien en zooveel geld stukslaan!

--Maar je bent al een dame! riep Paul spottend uit. Je bent al

geheel en al een dame; denk je, dat ik dat niet zie? Zeg eens,

Cateau, hoe lang is het nu toch wel geleden, dat ik je drapeerde,

voor het tableau-vivant van de Vijf Zinnen? Herinner je je het nog?

Cateau bloosde.

--O, dat is nu wel, laat eens zien.... wel twee en een half jaar

geleden; dat was in mijn jeugd! Ik zou het u nu niet meer laten doen;

daar kan u zeker van zijn.

Als hij dàt soms dacht, dan had hij het mis! En zij wendde zich met

een knikje van hem af, terwijl hij zich inwendig vroolijk maakte

over haar nuffig gezichtje. Daar kreeg hij Frédérique in het oog,

die in den grooten salon van zijne moeder, welke vertrok, afscheid

nam en hij spoedde zich tot haar.

--Gaat mama al weg? vroeg hij.

--Ja, ze is moê! antwoordde zij kort, zonder hem aan te zien.

Hij merkte haar koelheid op en zij deed hem pijn; het scheen wel,

of ze hem allemaal brusqueerden, eerst Cateau, nu Freddy.

--Zeg, Freddy, sprak hij gedwongen vroolijk. Ik kan niet zeggen,

dat je prettig bent, om meê bruiloft te vieren.

--Waarom? vroeg zij koel.

--Ik heb vandaag nog geen lief woord van je gehad. Je hebt toch niets

tegen me?

--Ik? O, volstrekt niet. Wat zou ik tegen je hebben?

--Ben je niet te verzoenen? Zie je, als ik mijn schuld nu maar wist.

Etienne kwam op hen toe.

--Zeg eens, komen jullie toch je plichten waarnemen! Er zijn twee oude

dames, die ik niet ken, en die naar de cadeaux kijken, of ze er een

paar in hun zak willen steken. Kom toch! Marie vraagt ook naar jullie.

Zij volgden hem naar de serre, waar men zich bijna verdrong en Paul

gevoelde zich wrevelig, dat Etienne hen was komen storen. Hij moest

toch eens met Freddy spreken: het begon hem te vervelen, dat eeuwige

boudeeren.

Henk en Betsy waren binnengekomen, door de eetkamer, en zij zagen

er den ouden heer De Woude zitten met zijn dof, goedig gelaat en

zijn fijn, grijs haar. Hij had zijn stok, waarop hij steeds leunde,

tusschen de knieën, en sprak met Otto Van Erlevoort, die voor hem

stond, en dien hij telkens iets liet herhalen, daar hij wat doof was.

Otto zag de Van Raats een enkele maal bij de Verstraetens of bij

anderen en zij waren steeds vriendelijk tegen elkaâr gebleven, hoewel

hij niet op het Nassauplein kwam. Toch spraken zij nooit veel met

elkaâr, daar er een nevel van treurigheid tusschen hen scheen te

hangen. Nu ook gingen Betsy en Henk weldra verder en zij wenschten

den heer Verstraeten geluk, die in den kleinen salon met Mathilde

Van Rijssel sprak.

--Zoo, dag Bets, dag Henk.... dank je, dank je! Zeg, verbeeld je wat

mevrouw Van Rijssel me hier vertelt.

--Wat dan, oom? vroeg Betsy.

--Dat je oude vriendin, dat vrouwtje van Ferelijn, zoo ziek is.

--Jeanne? Zoo ziek?

--Ik heb gisteren een brief van Ferelijn gekregen uit Bangil, sprak

Mathilde zacht.

--Waar ligt Bangil? vroeg Betsy.

--In Pasoeroean. Ze was bevallen toen hij schreef en men vreesde voor

haar leven.

--Ja? Arme meid! Ach, we hielden geen correspondentie; maar.... maar

ik mocht haar heel gaarne....

Ze had het op de lippen om te zeggen: "maar we zijn haar zooveel

verschuldigd!" Zij dacht aan Eline. Doch zij vervolgde slechts:

--Toe Mathilde, als je iets naders hoort, schrijf het me dan, wil

je? Je zal er mij veel plezier meê doen.

--Goed! sprak Mathilde en Betsy ging met Henk naar bruid en

bruidegom. De Van Raats kwamen ook niet meer bij de Erlevoorts aan

huis, maar men was toch steeds goede vrienden gebleven. En Mathilde

dacht aan Jeanne, die zij misschien voor goed verloren had, toen hare

arme vriendin, reeds zes maanden geleden, haar man terug naar Indië

was gevolgd.

Henk en Betsy waren Georges en Lili genaderd.

--O Betsy, Henk! riep Lili uit; wat hebt je ons vreeslijk bedorven! En

het was zoo geheel en al een verrassing voor me! Het is prachtig. Het

is zoo mooi!

Zij omhelsde hen beiden voor het blauw satijnen ameublement.

--Als het maar niet te veel zal afsteken bij het andere! sprak Georges,

die ook bedankt had.

--Ach, wel neen! riep Lili. Die mannen zijn altijd ondankbaar, niet

waar, Betsy? Nu ik niet, ik ben er dol blij meê, dol blij!

--Net een kind dat een poppenhuis krijgt! sprak Emilie lachend

tot Betsy.

In de serre was Marie, met Etienne op de blauwe canapê en de

causeusetjes zittende, bezig te onderzoeken, welke het zachtst en

molligst was. Marie was in den laatsten tijd vroolijk tot in het

uitgelatene toe. Zij sprongen nu zittend op en neêr, gierend en zonder

eerbied voor de krakende veeren van het blauwe ameublementje.

Wel, waarom zou ze niet vroolijk zijn, al trouwde hare zuster? Wanneer

die uit het huis was, zou het toch nog tijds genoeg zijn, om zich

te verkniezen, want eenzaam... ja, dat zou zij, Marie, het dan wel

hebben. Maar geen verdriet van te voren!

Mathilde was met Otto in de serre gekomen, ten einde de geschenken

te bezichtigen. En Marie wees hun alles aan, dit van die, en dat

van die...

--Waarom kom je morgen niet dansen? vroeg zij Otto, het zou zoo

gezellig zijn.

Hij schudde met een zachten glimlach het hoofd.

--Waarlijk, dring er niet meer op aan. Het spijt me, dat ik weigeren

moest. Maar ik dans niet, ik ga niet meer uit.

--Je bent een kluizenaar geworden!

--Ik word al oud!

--Ach, kom, gekheid! Amuzeert het je niet meer menschen te zien,

die zich amuzeeren?

--Jawel, zoo nu en dan, maar over het algemeen blijf ik liever thuis.

Er klonk een zachte weemoed door zijn stem en zij drong niet meer

aan en wees hem, om over iets anders te spreken, een groote mand

met bloemen.

--Wat een mooie rozen al... kijk eens! Heerlijk als die bloemen komen;

ik ben zoo dol op rozen... we zullen zeker een mooien zomer krijgen.

--Ja, we hebben ook een mooi voorjaar, sprak hij dof. Zij schrikte en

zweeg, een weinig geërgerd en toch vol van medelijden om zijn stillen

weemoed. Hij dacht zeker aan een vorig voorjaar, aan een vorigen zomer.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 123 / 188 题