Dien middag kwamen de oude mevrouw Van Raat en mevrouw Verstraeten
om Eline te zien, en haar over te halen naar het Nassauplein terug te
keeren. Eline weigerde echter ze te ontvangen. Zelfs Betsy liet zich
daarop door Jeanne bewegen tot Eline te komen, om haar vergiffenis te
vragen. Jeanne meende, dat Betsy dit aan hare, nu zoo zieke zuster
verplicht was en dat het Eline misschien roeren zou. Ook Betsy liet
Eline niet tot zich toe. En in de aangrenzende kamer vernam Betsy met
haar schoonmoeder en haar tante, evenals Henk dien ochtend, zwijgend,
en angstig, hoe Eline zich tegen Jeanne verweerde; zij wilde, zij
wilde niemand van hen zien. Zij wilde alleen Jeanne bij zich hebben,
alleen Jeanne!
Weldra verhaalde men in den kring hunner kennissen, hoe Eline zich
gebrouilleerd had met de Van Raats en bij de Ferelijns, als het ware,
gevlucht was. Men verwonderde zich zeer, toen men hoorde, dat zij
den vorigen middag nog bij de Hovels gedineerd hadden, maar de jonge
Hijdrecht beweerde toch ook--hij was ook op het diner geweest--dat de
zusters toen al niet zeer opwekkende conversaties hadden gewisseld en
dat hij zich nog nooit zoo naast freule Vere verveeld had, als dien
middag: ze had haar mond niet tegen hem opengedaan. De détails van
den twist wist men niet goed; alleen was men er zeker van, dat Eline
's nachts--in dien storm!--met een nachtwacht en een jong mensch in
een rijtuig gezeten had, en men vond dat, minstens genomen, vreemd!
Enfin, Eline was altijd nogal excentriek geweest; des winters ging ze
alleen ochtendwandelingen maken in het Bosch--welk fatsoenlijk jong
meisje deed dat nu!--die geschiedenis met Erlevoort was ook toch nogal
duister, en nu die roman met een jongmensch en een nachtwacht! Het was
zoo jammer, want ze was toch au fond zoo lief, zoo mooi en zoo elegant;
maar was het niet altijd een vreemde familie geweest bij die Vere's?
Betsy verbeet zich van nijdigheid over deze praatjes, waarvan zij het
geruisch als in de lucht ried en zij vertoonde zich ternauwernood en
zocht alleen hare toevlucht bij de Verstraetens en Emilie De Woude.
Hoofdstuk XXV.