I.

Er was een maand verloopen, een maand, welke Eline bij de Ferelijns

doorbracht, daar Jeanne haar niet van zich wilde laten gaan, voor zij

geheel hersteld zou zijn. Reijer had namelijk geconstateerd, dat Eline

eene zware koude gevat had, die haar bij de minste verwaarloozing

noodlottig zou kunnen worden. Jeanne intusschen verpleegde haar

met medelijdende zorg; zij had Frans' kantoortje voor Eline laten

inrichten, en toen Eline zich verweerd had en opnieuw van een hôtel

had gesproken, meende Frans zelve, dat hij toch niet zooveel werken

mocht als hij placht te doen: de professor uit Amsterdam was daar ook

tegen. Eline omhelsde Jeanne dus met een hartstochtelijke dankbaarheid

en bleef, terwijl hare krijschende hoestbuien het kleine bovenhuis

als met eene smartelijke echo vervulden.

Zij hoestte nu iets minder; zij gevoelde nu ook minder pijn op heure

borst. Maar zij was vermagerd, en hare oogen stonden wat hol en somber

in heur gelaat, waarover nu eene vaalgele bleekte lag. Zij zat in

een grooten stoel dicht bij het kleine kacheltje en zij tuurde uit

het raam en vermaakte zich een weinig met de leveranciers te volgen,

den slager, den groenteboer, den melkboer, die aan huis na huis belden;

zij vermaakte zich een weinig met de meiden, die open deden: een dikke,

roode in die deur, en een lange, magere in die deur, terwijl de deur

verder door een juffrouw werd geopend, met een zwarten boezelaar en

een vuil kanten mutsje.

Daarna stond zij, hoestende, op en zag even in den kleinen spiegel,

een zeer kleinen met zwarte lijst, eenvoudig als alles nu eenvoudig

om haar heen was. Zij wachtte iemand en zij bestudeerde haar gelaat:

zij had hem in zoo lang niet gezien; welken indruk zou zij op hem

maken met dat gele gezicht en die holle oogen?

Betsy had namelijk een langen brief geschreven aan haar oom, Daniël

Vere, die tijdens Eline's minderjarigheid haar toeziende voogd

was geweest, en die, nog jong, sedert kort getrouwd, te Brussel

woonde. Toen oude tante Vere stierf, was hij nog ongehuwd, zoodat

er geen sprake van was geweest, dat Eline bij hem haar intrek zou

nemen. Hij kwam weinig in Den Haag en toen hij Betsy's brief, die

Eline's vlucht uit hun huis beschreef, ontving, scheen het hem,

dat men hem in zaken haalde waar hij niets mede te doen had. Hij

antwoordde desniettemin en schreef tevens Eline, met verzoek om een

onderhoud. Zijn brief verraste haar en verraste haar aangenaam, als

voorzag zij in zijn bemiddeling eene uitkomst uit haren tegenwoordigen

toestand, die, als zij genezen zou zijn, onhoudbaar zou worden. Zij

antwoordde hem dus in de liefste termen, en beweerde zich te zullen

schikken naar zijne wenschen, mits hij niet eischte, dat zij zich met

hare zuster verzoenen en opnieuw bij de Van Raats haren intrek nemen

zou; dit zou zij coûte-que-coûte moeten weigeren, daar het verleden

geleerd had, dat Betsy en zij niet met elkaâr overweg konden: door

wier schuld, liet zij in het midden.

Vere telegrafeerde daarop dag en uur, waarop hij Eline zou komen

zien. En nu wachtte zij hem, en bestudeerde zij de trekken van heur

vermagerd gelaat, en zij vreesde, nu zij zich zoo vermagerd zag, dat

zij niet meer die onwederstaanbare bekoring, waarmede zij iederen

man won, van zich zou kunnen doen uitstralen. Het gordijn liet zij

een weinig neêr, zoodat het licht niet zoo schel op heur teint viel.

Des middags liet Jeanne hem bij haar binnen. Hij was lang en slank,

met de eenigszins vermoeide bewegingen, die de Vere's, behalve Betsy,

welke meer harer moeder geleek, eigen waren. Op Eline, die hem in

twee jaar niet gezien had, maakte hij, in zijn pels, een indruk van

vriendelijke distinctie en elegante wereldkennis, en zij schaamde

zich een weinig haar oom te ontvangen in dit kleine kamertje, in deze

eenvoudige omgeving. Zij rees langzaam op, als een loome vorstin en

trad hem tegemoet, terwijl Jeanne de deur sloot en zich terugtrok.

--Dag oom! sprak Eline zacht en zij verkende het terrein een weinig. Ik

ben heel blij u te zien, heel blij...

Zij reikte hem de hand en wees hem een stoel. Hij zette zich, zag

haar onderzoekend aan, glimlachte vriendelijk weemoedig en schudde

ten laatste afkeurend het hoofd.

--Foei, foei, Eline! begon hij langzaam. Wat heb je me een verdriet

gedaan. Weet je wel, dat ik niets tevreden over je ben, nichtje!

--Heeft Betsy u veel kwaads van me geschreven? vroeg zij innemend,

innerlijk nieuwsgieriger dan hare conversatietoon blijken liet.

--Wat Betsy me alzoo geschreven heeft, heeft me verrast, alsof ik het

in Keulen hoorde donderen! Ik wist er niets van, dat je niet met je

zuster sympathizeerde. Ik dacht, dat je gelukkig bij Van Raat was. Je

schreef me verleden voorjaar een opgetogen brief over je engagement,

en nu een paar maanden geleden hoor ik door Betsy, dat je Van Erlevoort

zijn woord terug hebt gegeven. Maar nog was dat geen reden, om zulke

scènes te vermoeden als er nu zijn voorgevallen. Eline, Eline, hoe

kan je je zoo, alleen door je gevoel, laten meêsleepen, zoo, zonder

de minste zelfbeheersching...

Hij zocht een weinig naar zijn woorden, voorzichtig, wantrouwend

of zij zich door hem zou laten leiden. Hare vlucht had in hem een

denkbeeld opgewekt, alsof zij onbesuisd en niet te regeeren was,

koppig en hartstochtelijk driftig. Hare zachte gedruktheid scheen hem

zelfs verdacht en hij vreesde, dat zij plotseling zou opspringen en

iets geweldigs doen. Zij antwoordde echter zeer rustig.

--Oom, al ben ik van Henk en Betsy weggeloopen, daarom moet u toch

niet van me denken, dat ik niets dan dwaasheden doe. Ik was mezelve

niet meer van drift, zoo agaceerde Betsy me. Zelve heb ik nu berouw,

dat ik me niet meer heb kunnen intoomen, dat ik haar niet eenvoudig

den rug heb toegedraaid, en den volgenden dag, op een kalmere wijze,

haar huis vaarwel heb gezegd. Maar ik hoop, dat u me zal toegeven,

dat er soms momenten in het leven zijn, waarop men... ja, niet meer

weet wat men doet!

--En je blijft er dus bij niet bij hen te willen terugkeeren?

--Ik dacht, dat ik over dit punt geschreven had! antwoordde zij,

een beetje hoog.

--Dat is ook zoo, maar ik hoopte... je zou misschien van opinie

kunnen veranderen.

--Nooit! sprak zij kalm en beslist en steeds uit de hoogte.

--Enfin, dan zullen wij er maar niet op terugkomen. Het spijt me, maar

als jij zoo gedecideerd bent, heb je er zeker goed over nagedacht,

niet waar?

--O, ja! sprak zij en hoestte.

--Nu, dan moet ik je wat anders voorstellen; of eerst... wat denk je

zelve te doen, als je dien akeligen hoest kwijt bent?

Eline zag hem angstig aan en haar trots verzwond.

--Daar heb ik ook al eens over zitten denken. Ik weet het

niet. Misschien op mezelve gaan wonen. Ik bezit toch genoeg van

mezelve en ik ben zuinig. En dan iemand bij me te nemen.

Hare verbeelding dacht zich haar wonende op een klein, bekrompen

bovenhuisje, als dit, en de tranen welden in hare oogen.

--Dit is ten minste een verstandig idée. Hier in den Haag?

--Ach ja, ik denk wel, ik weet het ook niet. Misschien op een kleine

plaats.

--Enfin, dat is dan nog iets van later zorg. Want, zie je, ik wou je

iets voorstellen.

Hij nam hare hand en zag haar met zijn moede oogen aan. En zij dacht,

dat hij haar zou vragen bij hen in Brussel te komen; zou zij dat

aannemen?

--Ik ga van den winter met je tante Elize op reis. Ik moet lachen

nu ik van je "tante" spreek, want ze is, zooals je weet, maar

vijf jaar ouder dan jij. Als je haar dus ziet, zal je haar zeker

Elize noemen. We gaan eerst naar Parijs, en later denkelijk naar

Spanje. En nu wou ik je voorstellen, beste meid, of je niet met ons

meê zou gaan. Je hebt wel eens afleiding noodig, na al wat er gebeurd

is. We blijven denkelijk den geheelen winter uit, misschien korter,

misschien ook langer. Verveel je je, dan kan je altijd terugkeeren en

zooals je dat verkiest, op jezelve gaan wonen. Met mijn vrouw zal je

wel sympathizeeren, al ken je haar niet; ze is levendig en vroolijk,

een echte Française. Wat zeg je van dat plan?

Eline zag hem verward aan, met haar weenende oogen. Ja, zij had

afleiding noodig, zij zou een geheelen winter reizen! Het was of zij

een zee van zonneschijn door de sombere duisternis harer ziel voelde

vlieten. Afwisseling was het leven, zeide Vincent altijd.

--Oom, ik weet heusch niet! begon zij ontroerd. Ik ben tegenwoordig

niet vroolijk, ik zal geen prettige reiskameraad zijn.

--Lieve meid, dat weet je niet. Zoodra je een andere omgeving ziet

en andere menschen, krijg je ook andere ideeën. Er is niets wat zoo

een levensbehoefte voor een mensch is, als afwisseling.

Zij schrikte en zag hem glimlachend aan. Hij sprak daar evenals

Vincent! En zij gevoelde zich dankbaar, zeer dankbaar voor zijn

vriendelijke stem. Ja, zij nam aan, zij nam dankbaar aan.

--Zie je, kom dan eerst wat bij ons logeeren te Brussel en blijf bij

ons, tot we gaan. We reizen nogal veel en doen het zuinig, zonder ons

eenig pleizier te ontzeggen--want we hebben er tact van--en jij.... je

bent immers toch zoo een rijke partij! eindigde hij schertsend.

--Ik een rijke partij! Mijn rijkdom is niet schitterend, oom, en à

prendre ben ik niet meer! sprak zij, weemoedig lachend. Ik word zoo

langzamerhand oud; ik heb uitgediend.

Hij wekte haar vroolijk op; hunne reis zou haar wel genezen van die

sombere ideeën. Nadat Jeanne, die Eline geroepen had, van het plan

had gehoord, vertrok hij; hij moest nog op het Nassauplein een visite

maken, bij Van Raat.

Eline bleef alleen, terwijl Jeanne hem uitliet. Honderden gedachten

bruisten in haar op als dwarrelende rozebladeren, als sparkelende

zonnevonken, als tintelende schuimbellen. Zij zag naar buiten, maar

de wind blies er eene vale stofwolk van de straat omhoog. En zij

wendde zich om, huiverend van dien herfst daar buiten, toen haar blik

plotseling op Frans' scheurkalender viel, die aan den wand hing en

door Jeanne trouw werd afgescheurd. Met groote, zwarte cijfers zag

zij er: 15 November.

O God, dat was de dag, dien Otto en zij een paar maanden geleden

bepaald hadden als... hun trouwdag! Zij staarde als wezenloos naar

die zwarte cijfers. Wilde smart overbruiste eensklaps hare nieuwe,

heldere vreugde en zij wierp zich woest in haar grooten stoel en

snikte, alsof zij haar ziel uit wilde snikken.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 121 / 188 题