Den volgenden morgen reed Henk met Frans zeer vroeg naar een
oculist. Er waren in Henks oog slechts een paar aârtjes gesprongen en
hij gevoelde zich reeds verlicht toen het lancet hem van een enkel
glaskorreltje verlost had. Over zijn wang was echter een lange sneê
zichtbaar.
--Ik zie er uit, of ik uit den oorlog kom! sprak hij met een poging
tot scherts Ferelijn toe, zoodra zij weder in den coupé zaten, op weg
naar de Hugo De Grootstraat. En o, kerel, het schijnt tegenwoordig
wel oorlog bij ons: ik krijg er tenminste mijn buik vol van.
Ferelijn gevoelde eenig medelijden met hem, toen hij dat goede joviale
gelaat overtogen zag met een sombere versuffing. Het was hem duidelijk,
dat Henk zeer tegen het onderhoud, dat hij met Eline zou hebben, opzag.
Maar het werd hem bespaard. Eline weigerde hartstochtelijk hem te
ontvangen, en in de aangrenzende kamer luisterde hij angstig naar hare
verwijtingen tegen Frans. Waarom wilde Frans haar tot hem brengen,
en waarom had zij Frans hare sleutels gegeven? Kon zij Frans ook al
niet meer vertrouwen?
Eline's stem klonk schor en heesch en het scheen Henk, dat zij
ijlde. Daarop vernam hij een zacht verwijtend gefluister van Jeanne,
vervolgens hoorde hij Eline snikken en zich van ondankbaarheid
beschuldigen.
Frans kwam weldra tot hem en haalde zijn schouders op.
--Ze wil je niet zien. Ik zou er maar in berusten. Ik geloof, dat ze
een violente koorts heeft. Zou Reijer nog thuis zijn? Rij dan naar
hem toe.
--Goed, sprak Henk gedrukt. Ik zal gaan.
Eline lag nog steeds op haar bank, onder hare wollen dekens, en
zij woelde zich kreunend om en om, als wierd zij gefolterd op een
pijnbank. Jeanne had de kinderen boven doen blijven.
--Je bent zoo goed voor me, Jany, maar je begrijpt, ik kan je niet lang
blijven lastig vallen! ijlde zij smartelijk. Je bent klein gehuisvest,
ik doe je overlast aan, ik zal vanmiddag naar een hôtel gaan.
Jeanne zette zich bij haar neer en vatte heure handen.
--Eline, als je nu verstandig wilt zijn, praat daar dan niet meer
over. Geloof me, je bent ziek. Blijf rustig bij ons. Ik dring niet
bij je aan, dat je naar Betsy terug gaat, maar ik wil ook niet hebben,
dat je van een hôtel spreekt.
--Ja maar, als ik ziek ben--ik geloof het niet, maar enfin, je beweert
het--als ik ziek ben, dan zal het lang duren eer ik je verlaten
kan. En... en... o, neem het me niet kwalijk, als ik je dat zeg;
ik weet, dat je het niet doen kan, mijn Jany-lief; vergeef me, dat
ik het je zeg, vergeef het me.
Jeanne zag Eline zacht aan en hare oogen schoten vol tranen.
--Als het dat is, Eline, betaal ons dan en blijf bij ons; betaal
ons dan en spreek niet meer over een hotel. Ik zal er mij niet voor
schamen; je mag me voor mijn zorg betalen, als je dat verlichten
kan. Maar blijf.
Eline schrikte op met haar woeste oogen en haar verwarde haren, die
Jeanne steeds tevergeefs wegstreek. En zij omklemde Jeanne wild, als
dompelde zij zich, brandend van smart, in een koele bron van sympathie.
--O, engel, engel! gilde zij uit. Vergeef me, ik meen het zoo niet,
maar.... maar.... O ja, ik wil gaarne blijven, je bent zoo goed. Mag
ik blijven?