VIII.

Den volgenden morgen reed Henk met Frans zeer vroeg naar een

oculist. Er waren in Henks oog slechts een paar aârtjes gesprongen en

hij gevoelde zich reeds verlicht toen het lancet hem van een enkel

glaskorreltje verlost had. Over zijn wang was echter een lange sneê

zichtbaar.

--Ik zie er uit, of ik uit den oorlog kom! sprak hij met een poging

tot scherts Ferelijn toe, zoodra zij weder in den coupé zaten, op weg

naar de Hugo De Grootstraat. En o, kerel, het schijnt tegenwoordig

wel oorlog bij ons: ik krijg er tenminste mijn buik vol van.

Ferelijn gevoelde eenig medelijden met hem, toen hij dat goede joviale

gelaat overtogen zag met een sombere versuffing. Het was hem duidelijk,

dat Henk zeer tegen het onderhoud, dat hij met Eline zou hebben, opzag.

Maar het werd hem bespaard. Eline weigerde hartstochtelijk hem te

ontvangen, en in de aangrenzende kamer luisterde hij angstig naar hare

verwijtingen tegen Frans. Waarom wilde Frans haar tot hem brengen,

en waarom had zij Frans hare sleutels gegeven? Kon zij Frans ook al

niet meer vertrouwen?

Eline's stem klonk schor en heesch en het scheen Henk, dat zij

ijlde. Daarop vernam hij een zacht verwijtend gefluister van Jeanne,

vervolgens hoorde hij Eline snikken en zich van ondankbaarheid

beschuldigen.

Frans kwam weldra tot hem en haalde zijn schouders op.

--Ze wil je niet zien. Ik zou er maar in berusten. Ik geloof, dat ze

een violente koorts heeft. Zou Reijer nog thuis zijn? Rij dan naar

hem toe.

--Goed, sprak Henk gedrukt. Ik zal gaan.

Eline lag nog steeds op haar bank, onder hare wollen dekens, en

zij woelde zich kreunend om en om, als wierd zij gefolterd op een

pijnbank. Jeanne had de kinderen boven doen blijven.

--Je bent zoo goed voor me, Jany, maar je begrijpt, ik kan je niet lang

blijven lastig vallen! ijlde zij smartelijk. Je bent klein gehuisvest,

ik doe je overlast aan, ik zal vanmiddag naar een hôtel gaan.

Jeanne zette zich bij haar neer en vatte heure handen.

--Eline, als je nu verstandig wilt zijn, praat daar dan niet meer

over. Geloof me, je bent ziek. Blijf rustig bij ons. Ik dring niet

bij je aan, dat je naar Betsy terug gaat, maar ik wil ook niet hebben,

dat je van een hôtel spreekt.

--Ja maar, als ik ziek ben--ik geloof het niet, maar enfin, je beweert

het--als ik ziek ben, dan zal het lang duren eer ik je verlaten

kan. En... en... o, neem het me niet kwalijk, als ik je dat zeg;

ik weet, dat je het niet doen kan, mijn Jany-lief; vergeef me, dat

ik het je zeg, vergeef het me.

Jeanne zag Eline zacht aan en hare oogen schoten vol tranen.

--Als het dat is, Eline, betaal ons dan en blijf bij ons; betaal

ons dan en spreek niet meer over een hotel. Ik zal er mij niet voor

schamen; je mag me voor mijn zorg betalen, als je dat verlichten

kan. Maar blijf.

Eline schrikte op met haar woeste oogen en haar verwarde haren, die

Jeanne steeds tevergeefs wegstreek. En zij omklemde Jeanne wild, als

dompelde zij zich, brandend van smart, in een koele bron van sympathie.

--O, engel, engel! gilde zij uit. Vergeef me, ik meen het zoo niet,

maar.... maar.... O ja, ik wil gaarne blijven, je bent zoo goed. Mag

ik blijven?

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 119 / 188 题