VII.

Het had ook drie uur geslagen, dien nacht, in het huis der Van Raats,

toen Frans Ferelijn met een rijtuig voor hun deur stilhield. De storm

brulde nog als een gekwetst monster, dat zich boven de donkere stad

woedend verweerde. Frans sprong uit het rijtuig en belde. Hij zag

dat de vestibule verlicht was.

--Ik heb geen geld bij me, maar kom morgen! Je zal hebben, wat ik je

beloofd heb! riep hij den koetsier toe.

Oogenblikkelijk werd hem open gedaan. Het was Henk, die iemand scheen

te verwachten. Maar hij deinsde verbaasd terug, nu hij Frans zich

naar binnen zag storten.

--Ben jij het, Ferelijn? riep hij uit.

--Ik ben het, wees kalm! sprak Frans, hem bedarend, daar hij zag,

dat Henk in de grootste opgewondenheid was. Alles is terecht, Eline

is bij ons.

Hij trad verder naar binnen en het kraakte onder zijne voeten: de

geheele vestibule lag vol glasscherven.

--Bij jullie!! O, Goddank! kreet Henk. Ik was dol, ik was radeloos,

ik wist niet wat ik doen zou! Goddank, dat ze bij jullie is!

--Kom binnen, Ferelijn! sprak Betsy bevend, die in de deur van de

eetkamer verscheen.

Ook de meiden en Gerard waren in de vestibule en hunne angstige

gezichten klaarden een weinig op, terwijl zij zich fluisterend in de

keuken terugtrokken. Frans kwam met Henk de eetkamer in.

--Wees maar niet bang, mevrouw; waarlijk, het is voor het oogenblik

geschikt. Eline was door- en doornat, maar Jeanne heeft haar goed

verzorgd. Verbeeld u onzen schrik toen wij die late bel hoorden en

haar zagen, druipnat...

Hij verhaalde kort Eline's aankomst ten hunnent in dien nacht van

jammer en stelde hen gerust, toen hem eensklaps voor het eerst Henks

gelaat opviel...

--Maar wat is jou overkomen? Je wang bloedt!

--Ja, maar het heeft niets te beteekenen. Toen Eline wegliep, wou

ik haar achterna, om haar tegen te houden, en door den tocht is de

glazen deur in de vestibule stuk geslagen. De scherven zijn me in mijn

gezicht gesprongen en in mijn oogen; daardoor was het mij onmogelijk

haar dadelijk achterna te rennen. Toch ben ik, zoo gauw ik kon,

met Gerard op straat gegaan, om haar desnoods terug te sleepen. Maar

het was zoo vervloekt donker--de lantaarns waren uitgewaaid--en ik

zag haar niet meer. Ik wist niet meer wat ik doen zou. Toen zijn we

naar het politiebureau op de Schelpkade gegaan, en vandaar zijn eenige

nachtwachts haar gaan zoeken. Ze was in zulk een toestand... ik dacht,

dat ze misschien een einde aan haar leven wou maken, en alles kon haar

overkomen met dat helsche weêr. Ik heb nog pijn, hier, in mijn oog;

ik zal morgen dadelijk naar een oogdokter gaan.

Betsy liet zich zuchtend in een stoel neer.

--Het is verschrikkelijk, verschrikkelijk! stamelde zij. Die Eline

kan zijn, of ze dol is!

--Als je ook alles doet om haar dol te maken! riep Henk woedend uit,

met de hand aan zijn oog.

--Ah, bien! Nu krijg ik er de schuld van.

--Van Raat, ik moet je nog het een en ander zeggen! viel Frans Betsy

in de rede. Je begrijpt, ten eerste ben ik zonder aarzeling hier in

den nacht gekomen, omdat ik vreesde, dat je in doodelijke ongerustheid

zou zijn.

--Kerel, ik weet niet, hoe ik je danken moet.

--Dat is van later zorg. Maar ten tweede heeft Eline me verzekerd,

dat ze niet bij je terug wil komen. Je begrijpt, zoo een historie lekt

gauw genoeg uit; er komen praatjes en dat is allesbehalve aangenaam. De

zaak wordt verergerd zoodra er over gesproken wordt. En de meiden en

de knechts hebben alles gezien, nietwaar?

Betsy zag Frans dankbaar aan, dat hij dit punt aanroerde.

--Ach, wat is daar aan te doen! riep Henk ongeduldig. De menschen

kletsen toch dadelijk.

--Daar is ook niet veel aan te doen, maar kom in elk geval morgen

dadelijk bij ons aan en zie Eline over te halen hier terug te

keeren. Ten minste, als ze niet ziek is; ik dacht zooeven, dat ze

nogal koortsig was. Ik zou haar dus nu in alle geval rustig laten,

maar kom morgen zoo vroeg mogelijk.

--Goed! sprak Henk, bijna versuft.

--Ik geloof, dat zij ijlde, toen ik een rijtuig ging halen, maar

toch sprak ze zeer gedecideerd. Ze wou niet terug komen en ze

gaf mij haar sleutels, die ze bij zich had. Ze droeg mij op--hij

zag Betsy aan--haar zaken hier te regelen, en haar goed te laten

wegbrengen. Maar ik geloof, dat zij dat alles in haar drift heeft

gezegd; ik hoop ten minste, dat we morgen om dezen tijd veel in der

minne geschikt zullen hebben.

--Hoor eens, Ferelijn! sprak Betsy onrustig, je begrijpt, hoe wanhopig

ik ben. Groote goedheid, ik heb wel eens met Eline gekibbeld,

maar wie kon vermoeden, dat ze tot zoo een dollen streek capabel

zou zijn! En zooals je zegt: heel Den Haag zal er den mond vol van

hebben! Als je haar dus weet over te halen terug te komen, zal ik je

eeuwig dankbaar zijn. Ons huis staat altijd voor haar open. En wat

die sleutels betreft, laat die maar hier: ik denk ook wel dat nog

alles goed zal afloopen. God, wat een geluk, dat ze naar jullie is

gegaan! Maar in dien nacht, alleen, in dien storm! Hoe heeft ze het

gedaan, God, God! Hoe heeft ze het gedaan!

Frans besprak met Henk nog het een en ander en Henk verzocht hem

te blijven tot den volgenden morgen, daar Frans zijn rijtuig had

weggestuurd en de storm nog niet bedaarde. Gerard geleidde Frans naar

Henks kleedkamer, opdat hij zich van zijn natte kleêren kon ontdoen.

--Je mag Ferelijn wel op een delicate manier vragen, hoeveel hij voor

dat rijtuig betaald heeft, Henk! sprak Betsy met een nederige stem,

zoodra zij alleen waren. Het zal hem toch heel veel gekost hebben in

dat weêr, en het is toch aardig, dat hij dadelijk gekomen is.

--Delicaat, ja praat jij me van delicaat! donderde Henk haar toe,

en hij liet haar alleen, huiverend van schrik bij de gedachte aan

wat de wereld van hen zeggen zou.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 118 / 188 题