Zij lag nu in hunne verlichte huiskamer, op eene bank, die Frans naast
de vlammende kachel getrokken had, en zij rilde van koorts onder
haar wollen dekens. En toch gevoelde zij zich zalig, in dat licht,
bij die vlammen, zalig, dat zij gered was uit de demonische machten
der duisternis. Eensklaps richtte zij zich op.
--Jeanne! krijschte zij met een schorre stem tot het bevende vrouwtje,
dat een gloeienden grog gereed maakte, Jeanne! Ik bid je, vergeef
het me, dat ik je in zoo een nacht wakker hoû door mijn ellende! Maar
God! Waar moest ik naar toe! O, die regen, die wind! Ik word gek, als
ik er aan denk! Ik wist niet dat een mensch zulke armoede kon lijden,
als ik dezen nacht gedaan heb! Maar zie je, ik kon niet langer bij
hen blijven! O, die Betsy, die Betsy, die Betsy, ik haat haar, ik
haat haar!
--Eline! Ik smeek je, neem nu rust!
--Waarom heeft ze Otto's naam genoemd! Wat heeft zij het recht Otto's
naam te noemen! Ik haat haar! Ik haat haar!
--Eline! kreet Jeanne met gevouwen handen.
Zij wierp zich voor de bank neêr.
--Eline, ik smeek het je, ik smeek het je bij God! wees kalm! Ga
liggen! Rust uit, rust nu uit, Eline.
Eline zag met hare koortsige oogen Jeanne lang aan en zij wond heur
arm om Jeanne's hals.
--Rust nu, Eline rust nu, als je niet slapen kan. Een holle snik
doorknarste Eline's keel.
--Engel, die je bent! fluisterde zij brekend. Ik zal het nooit
vergeten, wat je voor me doet, nooit. Het is of je me gered hebt van
een afgrond. O, die modder! Je houdt dus van me, Jany?
--Ja, ja, Eline, ik hoû van je, maar rust nu, rust nu uit.
--O, rusten....
Dat eene woord doorsneed Jeanne's ziel. Eline sprak het uit met
eene stem vol wanhoop, alsof er voor haar geen rust kon zijn, nooit
meer. Maar toch liet zij zich, met een zwaren zucht, door Jeanne
in de kussens vlijen en dronk zij het heete glas uit, dat Jeanne
haar toehield.
--Dank je, dank je.... stamelde zij.
Jeanne dekte haar dicht in de dekens en zette zich naast haar
neêr. De ruiten schenen in de vensters te klappertanden en heen en
weêr geslingerde takken zwiepten er in wanhoop tegen aan. De pendule
op den schoorsteen sloeg, kort en hard, drie uur.