VI.

Zij lag nu in hunne verlichte huiskamer, op eene bank, die Frans naast

de vlammende kachel getrokken had, en zij rilde van koorts onder

haar wollen dekens. En toch gevoelde zij zich zalig, in dat licht,

bij die vlammen, zalig, dat zij gered was uit de demonische machten

der duisternis. Eensklaps richtte zij zich op.

--Jeanne! krijschte zij met een schorre stem tot het bevende vrouwtje,

dat een gloeienden grog gereed maakte, Jeanne! Ik bid je, vergeef

het me, dat ik je in zoo een nacht wakker hoû door mijn ellende! Maar

God! Waar moest ik naar toe! O, die regen, die wind! Ik word gek, als

ik er aan denk! Ik wist niet dat een mensch zulke armoede kon lijden,

als ik dezen nacht gedaan heb! Maar zie je, ik kon niet langer bij

hen blijven! O, die Betsy, die Betsy, die Betsy, ik haat haar, ik

haat haar!

--Eline! Ik smeek je, neem nu rust!

--Waarom heeft ze Otto's naam genoemd! Wat heeft zij het recht Otto's

naam te noemen! Ik haat haar! Ik haat haar!

--Eline! kreet Jeanne met gevouwen handen.

Zij wierp zich voor de bank neêr.

--Eline, ik smeek het je, ik smeek het je bij God! wees kalm! Ga

liggen! Rust uit, rust nu uit, Eline.

Eline zag met hare koortsige oogen Jeanne lang aan en zij wond heur

arm om Jeanne's hals.

--Rust nu, Eline rust nu, als je niet slapen kan. Een holle snik

doorknarste Eline's keel.

--Engel, die je bent! fluisterde zij brekend. Ik zal het nooit

vergeten, wat je voor me doet, nooit. Het is of je me gered hebt van

een afgrond. O, die modder! Je houdt dus van me, Jany?

--Ja, ja, Eline, ik hoû van je, maar rust nu, rust nu uit.

--O, rusten....

Dat eene woord doorsneed Jeanne's ziel. Eline sprak het uit met

eene stem vol wanhoop, alsof er voor haar geen rust kon zijn, nooit

meer. Maar toch liet zij zich, met een zwaren zucht, door Jeanne

in de kussens vlijen en dronk zij het heete glas uit, dat Jeanne

haar toehield.

--Dank je, dank je.... stamelde zij.

Jeanne dekte haar dicht in de dekens en zette zich naast haar

neêr. De ruiten schenen in de vensters te klappertanden en heen en

weêr geslingerde takken zwiepten er in wanhoop tegen aan. De pendule

op den schoorsteen sloeg, kort en hard, drie uur.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 117 / 188 题