Het scheen haar zoo lang toe, dat men haar wachten liet, eene
onmetelijkheid van seconden! Toch, ten laatste, hoorde zij stappen
de trap afdalen, den grendel knarsen in het slot, de deur werd op
een kier geopend, en een gelaat verscheen in dien kier....
--In Godsnaam! riep zij smeekend en zij duwde de deur geheel open en
stortte naar binnen. Ik ben het, Eline....
De deur sloeg dicht en zij stond in het duister voor Frans Ferelijn,
die, ontzet van verbazing, haar naam uitriep. Boven aan de trap
verscheen Jeanne met een lamp, en daar Eline vooral behoefte aan licht,
aan warmte, aan gloed gevoelde, hief haar wil nogmaals heure zinkende
krachten op en ijlde zij de trap op....
--Jeanne!.... Jeanne!.... Ik bid je.... help me.... Ik ben
het.... Eline! O, help me! Help me!
--Mijn God! Eline! kreet Jeanne verpletterd.
--Help me, toe.... ik ben van.... hen weggeloopen.... toe, help me
of ik zal doodgaan.
Zij was druipnat voor Jeanne's voeten neergezonken, terwijl ook de
trap droop van het vocht, dat uit haar sleependen mantel vloeide.
--Mijn God! Eline! Eline! kreet Jeanne, die hare oogen niet gelooven
kon.
Eline was in snikken uitgebarsten en bleef aan heure voeten
liggen. Jeanne poogde haar op te richten. En waar zij Eline voelde,
voelde zij haar steenkoud en druipend van de regen.
--God! Eline! Wat heb je gedaan? Wat is er gebeurd? Je bent zoo
nat.... zoo nat.... overal nat en koud. Mijn God! Eline!
Zij voerde Eline, die wankelde, in het kantoortje van Frans, en zette
de lamp neêr. Eline zonk uitgeput in een stoel, alles bezoedelend
met de zwarte, vuile vloeistof, die haar ontsijpelde.
--Ja.... ja! riep Eline. Ik ben van hen weggeloopen! Ik kon niet langer
bij hen blijven.... En ik kom bij je.... ik kom bij je.... omdat
ik niet weet, waar ik anders naar toe moet.... o Jeanne, ik bid je,
help me! eindigde zij, brekende van snikken.
Jeanne beefde van zenuwachtigheid en medelijden.
--Vertel mij dat later, Eline! Laat mij je uitkleeden.... Je zal
doodziek worden in dat natte goed....
--O ja, toe kleed me uit.... Die mantel, oh! Die schoenen, oh! Ik walg
van mezelve.... Ik ben een en al modder.... O God! O God, waarom ben
ik maar niet dood!
Zij wierp zich snikkend achterover. Frans was binnengekomen.
--O, Frans, zie eens! sprak Jeanne sidderend en wees op Eline. Als
ze maar niet ziek wordt.... Zonder hoed, in dat dunne toilet
en.... gedecolleteerd!!
--Ik zal beneden de kachel zien aan te maken. Kleed haar uit....
Hij was nog verpletterd door Eline's verschijning en ook hij trilde
van medelijden, zonder zijne woorden te kunnen vinden, nu hij haar in
dien stoel zag hangen, met hare druipende haren op heur doodsbleek
gelaat en haar marmerkouden hals klevend in haar zwart avondkleed,
dat als een natte, uitgewrongen lap om haar heen plakte. Maar hij
ging. Hij moest handelen.
En buiten gierde de storm.