IV.

Ook de voordeur sloeg rammelend dicht en zij stond op straat. Een

stortregen plaste stroomend neêr en de gierende wind rukte haar

mantel op en sloeg haar als met vochtige geesels in het gelaat. Het

was haar onmogelijk tegen die woeste kracht in te gaan en zij wendde

zich om en liet zich doelloos voortstuwen door den storm, die haar in

den rug vloog als een reusachtige vampyr, met breede, verscheurende

klauwen. Doelloos liet zij zich voortsleepen in dien jammerenden

nacht. Niemand zag zij op straat en in hare eenzaamheid van sombere

duisternis, van plassende stortregen, van rukkende vlagen, overviel

haar, nu zij zichzelve bewust werd, een kille ontzetting. Het was

haar, of zij uit het gewone leven was weggerukt en in een sfeer vol

helsche angst en rampzaligheid neêrzonk. Zij stierf bijna van angst

voor dat donker, dat haar als een floers van angst omwaaide, voor dien

zondvloed, die zich op haar bloot hoofd uitgoot, zonder dat zij zich

beschutten kon, voor de windstooten, die haar bijkans heur mantel

afrukten, die haar deden verstijven van koude in die zwarte tulle,

welke om haar heen fladderde. Haar kleine, verlakte schoentjes waadden

in wanhoop door plassen en modder, die onder heur tred opplofte;

heure verwarde haren hingen haar kletsnat over het gelaat, en eene

ijzige vochtigheid voelde zij onder heur mantel, langs haar hals en

over haar ontbloote borst glijden. Zij wist niet meer waar zij was;

zij schrikte voor de twijgen, die om haar heen vielen, voor het zink

der daken, dat zij boven zich als een onheilspellend gerammel hoorde

verschuiven. En zij zag niemand, niemand...

Haar toestand bracht haar geheel tot zichzelve. Zij werd zich bewust

gevlucht te zijn uit het huis van haar zwager. Zij wilde even blijven

staan om zich te bedenken, maar de wind blies haar voorwaarts, als

ware zij een dier herfstbladeren geweest, welke zij over zich voelde

dwarrelen. En zij liet zich voortblazen, en dacht na, loopende,

met een, haars ondanks versnelden, tred. Berouw gevoelde zij, trots

haar rampzaligen toestand, niet. En zij verbaasde zich op eens over

haar moed. Nooit had ze gedacht dat ze had durven wegvlieden in een

nacht als deze, zonder te weten waarheen. Die verbazing wekte eenigen

hoogmoed in haar op, die haar schraagde. En zij dwong zich te denken;

zij kon zoo niet blijven dwalen, zij moest een doel hebben.

Zij bespeurde eensklaps, dat zij zich in de Laan Copes van Cattenburgh

bevond. Door den wind gedreven, ijlde zij over het doorweekte,

modderige pad, terwijl de orkaan over het Alexandersveld loeide.

Telkens deinsde zij voor de takken terug, die de boomen over haar

neerschudden, en zij begreep nu voor het eerst, dat zij gevaar liep

verpletterd te worden door een dier krakende stammen. Eene vrees voor

haar leven belette haar te denken, maar hoe angstiger die vrees haar

het harte omklemde, hoe krachtiger zij er zich toe dwong. In Godsnaam,

waarheen moest zij zich wenden? Kille ontzetting doorsidderde haar

thans geheel en al en zij wankelde in de modder, terwijl hare, in

radeloosheid vergroote, oogen starend door de duisternis zochten te

blikken. Naar wie te gaan? Naar de oude mevrouw Van Raat? O, al had

die haar lief, zij zou nu tegen Eline partij trekken voor haar zoon

en hare schoondochter! Naar de Verstraetens, naar familie van haar

zwager? Het stormde om haar heen en zij.... zij voelde zich verloren in

hare zwarte eenzaamheid, steeds meer en meer zinkende in een afgrond

van smart en modder! Otto's gestalte rees haar voor den geest en zij

had haar verder leven er voor willen geven, zoo hij nu tot haar had

kunnen komen, zoo hij haar nu in zijn armen had kunnen wegdragen,

gekluisterd aan zijn hart, naar een oord van warmte, licht, liefde en

veiligheid. Zijn naam welde als een klagende kreet van angst haar op

de lippen, maar zijn naam verdoofde in de angstkreten der natuur. Zij

voelde nauwelijks nog moed verder te gaan, zij had zich nu kunnen

storten in die modder, waardoor zij waadde en blijven liggen en de

stormen over haar heen laten zwiepen, totdat zij gestorven was! Maar

dat zou te laf zijn na den moed, dien zij betoond had en zij wilde,

zij wilde nu denken, waar zij zou kunnen wegschuilen. Mevrouw Van

Raat niet.... de Verstraetens niet.... o God, waarheen, waarheen? En

eensklaps, als een bliksemstraal door dien nacht van somberheid en

rouw, flitste eene gedachte in haar op, eene gedachte aan een klein

bovenhuis, eene gedachte aan Jeanne, haar oude vriendin. Het moest zoo:

zij wist niemand anders en zij kon niet eeuwig blijven doordwalen

in dien stortvloed, in den wind. Zich als eene wanhopige tegen den

wind inzettend, sloeg zij dus het Alexandersveld links om, teneinde

zich naar de Hugo De Grootstraat te begeven. Zij worstelde tegen de

vlagen op, haar openwaaienden mantel om heur borst dichtklemmende,

verkleumd en nat tot op de huid. Daar zag zij, aan de andere zijde

van het veld, den, hier en daar verlichten, achterkant der huizen

van het Nassauplein, maar ze wist niet goed te onderscheiden welk

het hunne was--nu niet meer het hare. Een woest verlangen vol berouw

doorgloeide thans haar arm, radeloos hart bij de gedachte, aan wat

zij ginds verlaten had, bij de gedachte, dat zij nog zoo lang door den

stortvloed te waden had, vóór zij de Ferelijns bereikt zou hebben. En

zij was vermoeid, tot in onmacht zinkens toe, vermoeid door haren

twist met Betsy, door den regen, die haar onophoudelijk vlak in het

gelaat snerpend striemde met scherpe, ijzige stralen; door den wind,

waarmede zij streed als met een onmetelijk, zwart monster, dat haar

als speelbal her- en derwaarts slierde. Zij was vermoeid van elken

tred met haar verlakte schoentjes, die vol modder liepen, en telkens

aan haar voet dreigden te ontslippen. En zij had kunnen sterven van

rampzaligheid, van armoede, van gebrek....

Maar zij moest voort, voort en zij kampte door met het monster en

won telkens een pas verder. Zoo bereikte zij de Javastraat en sloeg

zij rechts om, naar de Laan van Meerdervoort toe. De storm schudde

haar, of hij haar breken wilde als een riet, en een groote tak viel

haar over den schouder neêr en schramde heur gelaat, zoodat zij een

smartelijken gil gaf. En eensklaps, wanhopig in geheel haar lichaam

en hare ziel, wanhopig van angst en smart, poogde zij, snel, als op

een draf te vluchten.... naar de Ferelijns toe! Maar de woedende wind

hield haar, als met opengesperde armen, tegen: zij mocht slechts pas

na pas moeizaam haar weg winnen.

--O God! Wat heb ik gedaan! kreet zij in vertwijfeling uit. De

straten, welke zij iederen dag betrad, waarlangs zij iederen dag reed,

waren haar in die loeiende duisternis als de onbekende wegen van een

demonische stad, waarin zij ronddoolde gelijk eene, door God vergeten,

schim. Zij moest al haar moed en wilskracht verzamelen om voorbij het

huis van de oude mevrouw Van Raat te gaan, om niet te bellen aan die

deur, welke haar geopend zou worden, welke haar toegang zou geven tot

warmte en licht. Maar neen, het was zoo laat, mevrouw zou reeds slapen;

zij zou Eline hare vlucht van het Nassauplein verwijten. En zij ging

door, tragisch voortgedreven door den wind en door een hardnekkig

idée-fixe, dat haar de Ferelijns toejoeg. Zij ging door, hoewel zij

haar doorweekte schoentjes, zwaarder en zwaarder, bij iederen tred als

lood voelde wegen. Zij ging de Van de Spieghelstraat in.... nog hoeveel

minuten zou zij moeten lijden?.... Toen.... de Hugo de Grootstraat....

En vlijmender snerpte de striemende regen in haar gelaat, woedender

rukte de wind aan heur mantel, nu zij.... Goddank! voor hun deur

stond.... Nergens zag zij licht, maar zij aarzelde niet.... Slechts

hier was redding.... En zij belde, hevig, hartstochtelijk, dringend,

als met een rinkelenden roep om hulp, zij belde, zij belde door....

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 115 / 188 题