Ook de voordeur sloeg rammelend dicht en zij stond op straat. Een
stortregen plaste stroomend neêr en de gierende wind rukte haar
mantel op en sloeg haar als met vochtige geesels in het gelaat. Het
was haar onmogelijk tegen die woeste kracht in te gaan en zij wendde
zich om en liet zich doelloos voortstuwen door den storm, die haar in
den rug vloog als een reusachtige vampyr, met breede, verscheurende
klauwen. Doelloos liet zij zich voortsleepen in dien jammerenden
nacht. Niemand zag zij op straat en in hare eenzaamheid van sombere
duisternis, van plassende stortregen, van rukkende vlagen, overviel
haar, nu zij zichzelve bewust werd, een kille ontzetting. Het was
haar, of zij uit het gewone leven was weggerukt en in een sfeer vol
helsche angst en rampzaligheid neêrzonk. Zij stierf bijna van angst
voor dat donker, dat haar als een floers van angst omwaaide, voor dien
zondvloed, die zich op haar bloot hoofd uitgoot, zonder dat zij zich
beschutten kon, voor de windstooten, die haar bijkans heur mantel
afrukten, die haar deden verstijven van koude in die zwarte tulle,
welke om haar heen fladderde. Haar kleine, verlakte schoentjes waadden
in wanhoop door plassen en modder, die onder heur tred opplofte;
heure verwarde haren hingen haar kletsnat over het gelaat, en eene
ijzige vochtigheid voelde zij onder heur mantel, langs haar hals en
over haar ontbloote borst glijden. Zij wist niet meer waar zij was;
zij schrikte voor de twijgen, die om haar heen vielen, voor het zink
der daken, dat zij boven zich als een onheilspellend gerammel hoorde
verschuiven. En zij zag niemand, niemand...
Haar toestand bracht haar geheel tot zichzelve. Zij werd zich bewust
gevlucht te zijn uit het huis van haar zwager. Zij wilde even blijven
staan om zich te bedenken, maar de wind blies haar voorwaarts, als
ware zij een dier herfstbladeren geweest, welke zij over zich voelde
dwarrelen. En zij liet zich voortblazen, en dacht na, loopende,
met een, haars ondanks versnelden, tred. Berouw gevoelde zij, trots
haar rampzaligen toestand, niet. En zij verbaasde zich op eens over
haar moed. Nooit had ze gedacht dat ze had durven wegvlieden in een
nacht als deze, zonder te weten waarheen. Die verbazing wekte eenigen
hoogmoed in haar op, die haar schraagde. En zij dwong zich te denken;
zij kon zoo niet blijven dwalen, zij moest een doel hebben.
Zij bespeurde eensklaps, dat zij zich in de Laan Copes van Cattenburgh
bevond. Door den wind gedreven, ijlde zij over het doorweekte,
modderige pad, terwijl de orkaan over het Alexandersveld loeide.
Telkens deinsde zij voor de takken terug, die de boomen over haar
neerschudden, en zij begreep nu voor het eerst, dat zij gevaar liep
verpletterd te worden door een dier krakende stammen. Eene vrees voor
haar leven belette haar te denken, maar hoe angstiger die vrees haar
het harte omklemde, hoe krachtiger zij er zich toe dwong. In Godsnaam,
waarheen moest zij zich wenden? Kille ontzetting doorsidderde haar
thans geheel en al en zij wankelde in de modder, terwijl hare, in
radeloosheid vergroote, oogen starend door de duisternis zochten te
blikken. Naar wie te gaan? Naar de oude mevrouw Van Raat? O, al had
die haar lief, zij zou nu tegen Eline partij trekken voor haar zoon
en hare schoondochter! Naar de Verstraetens, naar familie van haar
zwager? Het stormde om haar heen en zij.... zij voelde zich verloren in
hare zwarte eenzaamheid, steeds meer en meer zinkende in een afgrond
van smart en modder! Otto's gestalte rees haar voor den geest en zij
had haar verder leven er voor willen geven, zoo hij nu tot haar had
kunnen komen, zoo hij haar nu in zijn armen had kunnen wegdragen,
gekluisterd aan zijn hart, naar een oord van warmte, licht, liefde en
veiligheid. Zijn naam welde als een klagende kreet van angst haar op
de lippen, maar zijn naam verdoofde in de angstkreten der natuur. Zij
voelde nauwelijks nog moed verder te gaan, zij had zich nu kunnen
storten in die modder, waardoor zij waadde en blijven liggen en de
stormen over haar heen laten zwiepen, totdat zij gestorven was! Maar
dat zou te laf zijn na den moed, dien zij betoond had en zij wilde,
zij wilde nu denken, waar zij zou kunnen wegschuilen. Mevrouw Van
Raat niet.... de Verstraetens niet.... o God, waarheen, waarheen? En
eensklaps, als een bliksemstraal door dien nacht van somberheid en
rouw, flitste eene gedachte in haar op, eene gedachte aan een klein
bovenhuis, eene gedachte aan Jeanne, haar oude vriendin. Het moest zoo:
zij wist niemand anders en zij kon niet eeuwig blijven doordwalen
in dien stortvloed, in den wind. Zich als eene wanhopige tegen den
wind inzettend, sloeg zij dus het Alexandersveld links om, teneinde
zich naar de Hugo De Grootstraat te begeven. Zij worstelde tegen de
vlagen op, haar openwaaienden mantel om heur borst dichtklemmende,
verkleumd en nat tot op de huid. Daar zag zij, aan de andere zijde
van het veld, den, hier en daar verlichten, achterkant der huizen
van het Nassauplein, maar ze wist niet goed te onderscheiden welk
het hunne was--nu niet meer het hare. Een woest verlangen vol berouw
doorgloeide thans haar arm, radeloos hart bij de gedachte, aan wat
zij ginds verlaten had, bij de gedachte, dat zij nog zoo lang door den
stortvloed te waden had, vóór zij de Ferelijns bereikt zou hebben. En
zij was vermoeid, tot in onmacht zinkens toe, vermoeid door haren
twist met Betsy, door den regen, die haar onophoudelijk vlak in het
gelaat snerpend striemde met scherpe, ijzige stralen; door den wind,
waarmede zij streed als met een onmetelijk, zwart monster, dat haar
als speelbal her- en derwaarts slierde. Zij was vermoeid van elken
tred met haar verlakte schoentjes, die vol modder liepen, en telkens
aan haar voet dreigden te ontslippen. En zij had kunnen sterven van
rampzaligheid, van armoede, van gebrek....
Maar zij moest voort, voort en zij kampte door met het monster en
won telkens een pas verder. Zoo bereikte zij de Javastraat en sloeg
zij rechts om, naar de Laan van Meerdervoort toe. De storm schudde
haar, of hij haar breken wilde als een riet, en een groote tak viel
haar over den schouder neêr en schramde heur gelaat, zoodat zij een
smartelijken gil gaf. En eensklaps, wanhopig in geheel haar lichaam
en hare ziel, wanhopig van angst en smart, poogde zij, snel, als op
een draf te vluchten.... naar de Ferelijns toe! Maar de woedende wind
hield haar, als met opengesperde armen, tegen: zij mocht slechts pas
na pas moeizaam haar weg winnen.
--O God! Wat heb ik gedaan! kreet zij in vertwijfeling uit. De
straten, welke zij iederen dag betrad, waarlangs zij iederen dag reed,
waren haar in die loeiende duisternis als de onbekende wegen van een
demonische stad, waarin zij ronddoolde gelijk eene, door God vergeten,
schim. Zij moest al haar moed en wilskracht verzamelen om voorbij het
huis van de oude mevrouw Van Raat te gaan, om niet te bellen aan die
deur, welke haar geopend zou worden, welke haar toegang zou geven tot
warmte en licht. Maar neen, het was zoo laat, mevrouw zou reeds slapen;
zij zou Eline hare vlucht van het Nassauplein verwijten. En zij ging
door, tragisch voortgedreven door den wind en door een hardnekkig
idée-fixe, dat haar de Ferelijns toejoeg. Zij ging door, hoewel zij
haar doorweekte schoentjes, zwaarder en zwaarder, bij iederen tred als
lood voelde wegen. Zij ging de Van de Spieghelstraat in.... nog hoeveel
minuten zou zij moeten lijden?.... Toen.... de Hugo de Grootstraat....
En vlijmender snerpte de striemende regen in haar gelaat, woedender
rukte de wind aan heur mantel, nu zij.... Goddank! voor hun deur
stond.... Nergens zag zij licht, maar zij aarzelde niet.... Slechts
hier was redding.... En zij belde, hevig, hartstochtelijk, dringend,
als met een rinkelenden roep om hulp, zij belde, zij belde door....