III.

Het had dien dag zwaar geregend en een gierende herfstwind geeselde de

kreunende takken, die een gedwarrel van bladeren en geknakte twijgen

over den grond verspreidden. Met den avond, om half-elf, nu Betsy,

Eline en Henk in den landauer huiswaarts reden, was die gierende

wind tot een stormende woede gestegen, die razend langs de gevels

der gebouwen huilde, die de glazen der lantaarns luid deed rinkelen

en dakpan bij dakpan afsmeet... Betsy had zich voorgenomen Eline in

het rijtuig goed de waarheid te zeggen, maar de tragische woede van

den wind, die door het portier drong en Betsy deed huiveren, legde

haar bijna het stilzwijgen op.

--Wat een weêr! mopperde zij angstig. Zou het niet gevaarlijk zijn,

zouden de paarden niet schrikken, Henk?

Henk schudde van neen, eveneens luisterend naar de weeklagende

jammerkreten van den storm en naar het geruisch van den regen, die op

de kap van het rijtuig ratelend neêrkletste. Ook Eline bleef zwijgen.

Op het Nassauplein werden zij door Gerard opengedaan, nog vóor Herman

gebeld had, en Betsy en Eline repten zich naar binnen, terwijl Henk

Dirk eene zorgvolle vermaning over de paarden toeriep. Eline ging

aanstonds naar heure kamer.

--Wat een weêrtje, mevrouw! sprak Mina bibberend, toen zij Betsy's

rotonde afnam. Het is of de wereld vergaat. Er zullen zeker wel boomen

in het bosch omwaaien, denkt u niet? Ik ben er bang van geworden met

Grete... hè, ik ben blij, dat u maar thuis is!

Betsy antwoordde niet en begaf zich naar boven; zij zou nu met Eline

spreken. Maar de wind die buiten gierde, scheen ook, een weinig,

hare gramschap te verstuiven en zij wist niet goed meer, wat zij

zeggen wilde, nu zij vreesde, dat er ergens een raam openstond,

of dat de schoorsteenen van het dak zouden waaien.

--Gerard! Mina! riep zij van het bovenportaal.

Zij antwoordden beiden.

--Weet je zeker, dat alles goed dicht is?

--O ja, mevrouw!

--Ga toch eens kijken, op zolder bijvoorbeeld.

Mina betuigde, dat zij zeker was van den zolder; zij had er zelve de

ramen gesloten, dien middag.

--Ga toch eens kijken, je kan nooit weten...

De meid en de knecht liepen het huis door, alle kanten onderzoekend.

Door hunne drukte vergat Betsy haren angst en begon een weinig tot

zichzelve te komen. Ze ging dus naar Eline: Eline moest niet denken,

dat Betsy zich alles zou laten welgevallen.

Betsy trad Eline's boudoir binnen. Het gas was er aangestoken; de wind

jammerde tegen de trillende ruiten aan en de gordijnen sidderden voor

de vensters. Eline deed juist haar grooten mantel af.

--Wat wil je? vroeg ze trotsch. Ik wou gaarne alleen zijn.

--Mag ik je doen opmerken, dat je in mijn huis bent, en dat als ik

hier binnen wil komen, ik het doe. Ik kom je spreken.

--Maak het dan kort, want ik zeg je nog eens, ik wil alleen zijn.

--"Ik wil! Ik wil!" Wat denk jij te willen, wat heb jij te willen. Jij

bent hier bij mij, en jij hebt niets te willen! Wat verbeeldt je

je, hè? krijschte Betsy, zich thans opwindende tot een brieschende

drift. Denk je soms, dat je een prinses bent, die hier kan doen en

laten wat ze verkiest? En denk je soms, dat ik me door jou de les

laat lezen aan een diner bij vreemden, denk je dat? Denk je, dat ik

niet weet wat ik zeggen mag en niet, en dat ik niet vrij ben Hovel

te amuzeeren, zooals ik wil? Je raad heb ik niet noodig.

--En ik verzeker je, dat voortaan, telkens als je je zoo laag over

Vincent uitlaat, als je iederen dag doet, als je je zelf nu niet

geschaamd hebt bij Hovel te doen, ik je je mond zal doen houden. Dat

verzeker ik je.

--Zoo, verzeker jij me dat? Ik heb je verzekering anders niet

noodig! Ik ben niet van plan me te storen aan jouw idiote gevoeligheid

voor Vincent! Nu Vincent het huis uit is, heb je, verdraaid! nog last

door dat être! heeft hij je soms die nette manieren geleerd om iemand

onder vreemden zoo te interrompeeren, als jij mij hebt durven doen? Ik

begrijp niet, hoe het je in je hersens komt, om het te durven... hoe

je het durft! Ze zullen gedacht hebben, dat je stapelgek was. Als je

dat bent, dan is dat je eenige excuus! Mij, mij noem je vulgair, hè, en

wat ben jijzelf? Jij, die alle vormen vergeet en mij bij vreemden....

--Ja, dat weet ik nu al; je hebt durven interrompeeren, wil je

zeggen! Zeg toch niet altijd het zelfde! Maar je zal zien, dat ik nog

meer durf dan dat, als je Vincent weêr aanvalt. Je vindt hem valsch,

maar ik vind jou valsch, jou, die hem zelf vraagt hier te komen,

die hem daarna het huis uitjaagt, door om een nietigheid tegen hem

te schelden als een vischwijf! Jou, jou vind ik valsch!

--Hou je gedistingueerde benamingen voor je, alsjeblieft!

--Hou jij dat lamme gescheld op Vincent dan ook voor je,

alsjeblieft! gilde Eline, ziedende van hartstocht. Ik verkies het

niet meer, hoor je, ik verkies het niet meer aan te hooren ik heb

het al lang genoeg in je verdragen om den vrede te bewaren, en nu

verdraag ik het niet langer! versta je!

--Zoo, verdraag je dat niet langer! Heb je om dien lieven Vincent

misschien Otto ook niet langer verdragen...?

--Zwijg over hem! schreeuwde Eline radeloos.

--Ben je misschien gecharmeerd van dat reptiel, en heb je misschien

daarom Otto behandeld, alsof hij een kwâjongen was, waar je

een amouretje meê had? Je verkiest niet langer mijn gescheld op

Vincent te verdagen, maar ik verkies dan ook niet langer door je

gecomprometteerd te worden! Het zou waarachtig mooi zijn! Eerst ben

je zoo zot je engagement af te maken, louter uit een gril, zonder de

minste aanleiding, zeg ik je! zoodat iedereen je over den tong haalt;

dan stel je je hier in mijn huis met Vincent aan, alsof je verliefd op

hem was, en op het laatst durf je me nog impertinenties toe te dienen

onder vreemden! Dat verdraag ik dan niet langer, begrijp je? Als je

die onbeschoftheden geleerd hebt in je idiote, filozofische gesprekken

met Vincent...

Eline was zich niet meer meester. Hare zenuwen waren als koorden

gespannen en trilden onder Betsy's beleedigingen als onder ruwe

handen. En Betsy's toespelingen op Otto, op hare sympathie voor

Vincent, die zij geheel en al meende verborgen te hebben, maakte

haar razend van machtelooze woede. Zij greep Betsy's polsen in den

nerveuzen greep harer vingeren en, sissende tusschen hare tanden,

kreet zij met een schelle stem:

--En nu stil! Hou je mond, zeg ik je. Praat niet meer over Otto,

praat niet meer over Vincent, want ik bega... ik bega een ongeluk

aan je! Je agaceert me, je agaceert me, ik word dol, zooals je me

agaceert... Pas op!

Betsy rukte zich gekrenkt los.

--Eline, wordt je krankzinnig? riep zij, maar Eline liet haar niet

uitspreken. Zij bleef vlak voor Betsy staan en hare sidderende handen

balden zich.

--Ik zeg je, je agaceert me, je agaceert me met dat geroep over je

huis. "Mijn huis! Mijn huis!" Ik weet wel, dat ik in je huis ben,

maar ik heb niet gevraagd bij je te komen en ik wil niet herinnerd

worden, dat ik in je huis ben, alsof je me een weldaad doet. Ik ben

niet afhankelijk van je en al ben ik in je huis, ik wil niet door je

beperkt worden, ook niet in de minste van mijn handelingen. Ik ben

vrij te doen en te laten wat ik wil.

--Dat ben je niet, je bent bij mij en je hebt je te gedragen, zooals

ik het wensch! En als je niet weet hoe je je te gedragen hebt, zal

ik je dat zeggen, zoolang je in mijn huis bent.

Henk verscheen in de opengebleven deur. De luide zinnen van haarbeider

twist weêrklonken door het geheele huis, scherp en schril te midden

van de weeklagende stormvlagen, die gierend om het huis joegen en

aan de vensters schudden. Henk verscheen en hij wilde met een strenge

stem haarbeiden bevelen zich te matigen, maar het was hem onmogelijk

zich te doen verstaan.

--En ik laat me niet door je zeggen, hoe ik me te gedragen

heb! krijschte Eline. Ik zeg je, ik ben vrij! Ik heb je huis, waarover

je zoo schreeuwt, niet noodig en ik zweer je, dat ik er geen seconde

langer in blijf! Dat zweer ik je bij al wat heilig is! Geniet van je

huis of stik er in voor mijn part!

Zij was zich nauwelijks meer bewust wat zij zeide, daar zij zich

tot een paroxysme van woede had opgeschroefd, en zij was nauwelijks

meer bewust, wat ze deed, nu zij den neêrgevallen mantel opraapte en

dien om haar schouders wierp. Zoo stortte zij naar de deur, maar Henk

hield haar tegen.

--Eline! begon hij streng.

--Laat me, laat me los! brulde zij hem in het gelaat, als met den

smartelijken kreet eener gewonde tijgerin en zij duwde zijn groot

lichaam met zulk een kracht van overspanning weg, dat hij even

wankelde. Hij wilde haar nogmaals tegenhouden, maar zij stortte reeds

de deur uit, de trap af.

--Eline! In Godsnaam. Eline! Je weet niet wat je doet! donderde hij

haar wanhopig van het portaal toe, en hij vloog haar achterna ...

Zij hoorde niet meer, zij had slechts éene gedachte: weg te vluchten

van onder dit dak, waar men haar heure aanwezigheid verweet. Zij

zag niet meer: noch Gerard, noch de meiden, die haar met ontzetting

nastaarden; zij ijlde de vestibule door, slingerde de glazen deur

open, en rukte den grendel van de voordeur weg. Maar nu, nu hoorde

zij achter zich een knetterend gerinkel; de glazen deur viel door de

plotselinge tochtvlaag in een geratel van scherven neêr....

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 114 / 188 题