Betsy had zich op het laatste oogenblik nog met Vincent verzoend; nu
hij ging was het niet noodig boos te blijven en zij had hem dus met
eenige lieve woordjes zoeken wijs te maken, dat wanneer hij thans niet
was weggegaan, hij toch spoedig hun huis had moeten verlaten, omdat
zij reisplannen maakte, met het najaar. Zij werd na zijn vertrek ook
weêr meer zichzelve en voer niet meer om de minste aanleiding tegen de
bedienden of tegen Eline, Henk en Ben uit. Zij sprak zelfs somtijds
Eline vriendelijk toe; het was toch niet goed zich zoo geheel en al
van de wereld af te sluiten, men werd er eenzelvig en treurig door en
het gaf aanleiding tot praatjes: de menschen zouden bepaald denken,
dat ze Erlevoort regretteerde! Ze moest zich integendeel een enkelen
keer vertoonen; ze behoefde niet iedere uitnoodiging aan te nemen, als
ze nog geen lust in uitgaan had, maar voor alles te bedanken, waarlijk,
dat zou geen goeden indruk maken. Bij voorbeeld, nu... een diner bij
mevrouw Hovel over acht dagen. Mevrouw Hovel gaf altijd nogal intieme
diners; de invitatie was ook intiem; ze zou er Emilie en Georges De
Woude vinden en Paul... zou ze dus maar voor Eline accepteeren?
Eline zelve gevoelde behoefte aan een andere omgeving, dan die harer
eenzaamheid, waarin hare gedachten, als over een cirkel, steeds een
zelfden loop beschreven en steeds op het zelfde terugkwamen; zij gaf
Betsy dus gelijk en zij accepteerde de invitatie van Mevrouw Hovel;
het zou de eerste maal zijn, dat zij zich in gezelschap vertoonen ging
na het verbreken van haar engagement. Dat diner over eenige dagen
werd toen een rustpunt voor hare gedachten, die overigens doelloos
rondwaarden, slechts somtijds zich op Betsy vestigend, welke, na het
vertrek van Vincent, met wellust op hem losstormde, haar hart lucht
gevend in, zich telkens herhalende, hatelijke zinnen. Het was toch
een zegen, dat ze dien half gestorven neef kwijt waren; het was waar,
ze had zich om een kleine onhebbelijkheid wel wat driftig gemaakt, maar
een onhebbelijkheid was het toch geweest en nu haar drift zoo een goed
gevolg had gehad, had zij er niet het minste berouw van! Lieve hemel,
wat een jongen! Hoe had ze ooit kunnen denken, dat hij gezellig en
causant zou zijn! Hij had haar verveeld met zijn half doode gezicht,
tot zij hem verafschuwd had als een reptiel. Maar enfin, nu was hij
gelukkig opgebonjourd, en wilde ze geen kwaad van hem spreken....
Aan tafel, iederen dag, vloeiden die zinnen van Betsy's lippen als
een vlug gekakel, waarbij ze nauwelijks meer dacht, omdat zij het
goed van buiten kende. En terwijl zij ratelde, ratelde over Vincent,
tot zij voor dien dag uitgerateld was en zich geheel en al lucht had
gegeven, zwegen Henk en Eline versuft door dien hagel van woorden,
hoewel de laatste zeer geprikkeld werd tot tegenspraak. Zij was er
echter te moê voor en ze zweeg en zuchtte van verlichting als Betsy
ten laatste een ander thema ter tong nam, en zij leed stil om Vincent,
die haar lief had en zoo kiesch was geweest.
De dag van het diner was aangebroken. Voor het eerst sedert weken had
Eline zich weêr met zorg gekleed, hoewel Betsy, toen Eline binnen trad,
in afwachting van het rijtuig, haar costuum aanstellerig genoemd
had. Het scheen, of ze in den rouw was; het was ridicuul! Eline
echter antwoordde niet en haalde hare schouders op. Ze zag in den
spiegel en zij vond zich zoo goed; zij maakte een indruk van elegante
melancholie met haar bleek, treurig gelaat en haar zwart tulle toilet,
een wolk van zwarte tulle, een weinig open aan den hals.
Toen Eline bij de Hovels binnenkwam--de Van Raats kwamen het
laatst,--meende zij, dat iedereen haar opnam met een soort van
nieuwsgierigheid en zij gevoelde voor het eerst van heur leven eenige
verlegenheid in het gezelschap dier menschen, welke zij toch allen
intiem kende. Er waren niemand anders dan Emilie en Georges De Woude,
Françoise Oudendijk, Hijdrecht en Paul. Maar het was de eerste maal,
dat zij haar zagen, nadat het bekend was geworden, dat haar engagement
verbroken was, en zij moest zich wel dat pijnlijk kruisvuur van
blikken getroosten. Aan tafel zat zij tusschen Georges en Hijdrecht;
zij gevoelde weinig lust tot spreken en vond het gemakkelijk, dat
Hijdrecht zeer lange verhalen deed, waarnaar zij schijnbaar, met een
vaag lachje, hoorde, zonder ze met een woord te onderbreken. Georges
was stiller dan hij gewoonlijk placht te zijn. Maar aan de andere
zijde der tafel ontvonkte een luidruchtige scherts tusschen Emilie en
Françoise, die Paul, tusschen haar beiden gezeten, om strijd bedienden.
Het suisde Eline een weinig in het hoofd, de scherts daar ginds,
de eindelooze verhalen van Hijdrecht, die zich door niets van zijn
stuk liet brengen en het verwarde gegons der anderen. De knechts,
die haar telkens wilden inschenken en den naam van een wijn noemden,
haar cavalier, die haar bediende, verveelden haar. Maar eensklaps
werd zij uit hare doffe neêrslachtigheid gewekt door een naam... Betsy
vertelde aan den heer Hovel, dat Vincent hen verlaten had en misschien
naar Amerika zou gaan.
--Om u de waarheid te zeggen, ben ik blij, dat hij weg is. Ik hou
niets van hem, ik vind hem bepaald onaangenaam: een onaangenaam
mensch... Ach natuurlijk, hij is een eigen neef, dus we kunnen hem
niet geheel niëeren, maar hij is au fond zoo een raar sujet; ik was
altijd bang, dat hij ons comprometteeren zou...
Eline hoorde niet meer naar Hijdrecht; zij was geheel en al oor voor
Betsy, wier ratelende stem zij duidelijk onderscheidde tusschen het
gegons en gelach der anderen. Het was dus niet genoeg, dat zij thuis
die, zich immer herhalende, hatelijkheden slikte; zelfs hier, onder
vreemden, moest Betsy heur haat tegen Vincent lucht geven! En Eline
luisterde in een stijgende woede...
--Hij heeft zoo iets om van te huiveren... zoo iets van... een pad,
van een reptiel, vindt u niet? Iets griezeligs, met die valsche,
gluiperige oogen...
Eline kon haar gramschap niet meer beteugelen. Hem, die haar aan heur
vader herinnerde, die haar nu het dierbaarst was van alle menschen
ter wereld, hem hoorde zij door hare zuster verguizen met de laagste
scheldwoorden. En Hovel lachte... hij lachte om die scheldwoorden! Hare
oogen flikkerden en, hare stem verheffend, riep zij over de bloemen
en het kristal der tafel hare zuster met eene stem vol trillenden
trots toe:
--Betsy! Ik verzoek je, kies je woorden een beetje uit! Je bent niet
thuis en ik raad je aan meneer Hovel met iets anders te amuzeeren
dan met die vulgaire hatelijkheden op Vincent...
In hare stem klonk zulk een toon van hard bevel, dat de gesprekken
allen even ophielden en ieder naar Betsy en Eline zag, verrast door
dien brusken aanval, welke de vroolijke gezelligheid als met een killen
tooverslag verbrak. En Eline, die eene scène onder vreemden vroeger
het vreeselijkste onheil zou genoemd hebben, dat haar overkomen kon,
bleef Betsy driest aanzien, haar uittartende, hen allen uittartende,
die daar verrast waren, omdat zij hunne conventioneele wetten van
fatsoen dorst te trotseeren. Betsy was op het punt een brieschend
antwoord te geven, maar zij wist zich gelukkig in te toornen, en,
met een hooge kleur van zenuwachtigheid, zich tot Hovel wendend,
sprak zij schijnbaar kalm:
--Ik vraag u excuus, meneer Hovel, voor de interruptie van mijn
zuster. Ze is een weinig prikkelbaar in den laatsten tijd; wees zoo
vriendelijk en sla er geen acht op.
En, met tact hare woede terugdringend, praatte zij aanstonds over
iets anders door en lachte zij weldra luid.
Mevrouw Hovel was een weinig verlegen geworden bij de gegeneerde stilte
harer gasten. Maar Emilie De Woude, met hare jovialiteit, toonde nog
meer tact dan Betsy te bezitten om de gastvrouw en hen allen uit dien
hachelijken toestand te redden. Zij richtte rechtstreeks het woord
tot Eline, die nog bleek, met schitterende oogen naar Betsy staarde
en zij sprak eerst vriendelijk, later komiek:
--Ach, ja, Eline, ik vind hem nu ook zoo vreeselijk onverdragelijk
niet, als de meeste menschen hem vinden. Maar je begrijpt, Betsy als
huisvrouw heeft misschien een ondervinding van zoo een mannelijken
logé opgedaan, die haar minder zachtzinnige ideeën heeft doen
krijgen. Dat is zeer natuurlijk; zoo een jongen in huis geeft altijd
last; daar heb je mij nu met Georges... Zou je wel willen gelooven,
dat ik soms wanhopig word door al de drukte en de onaangenaamheid,
die hij mij bezorgt?
--Ik! riep Georges verschrikt uit. Ik? en hij verdedigde zich met
warmte.
Allen lachten spoedig hartelijk om dien komischen strijd tusschen een
broeder en eene zuster, van wie men wist dat zij elkander aanbaden;
zelfs Eline glimlachte even en mevrouw Hovel was Emilie zeer,
zeer dankbaar!