I.

Nadat het mededoogen van Betsy zich in een zusterlijke verpleging

geuit had, werd zij al meer en meer verteerd door een heimelijk

ziedende kribbigheid. Het was dan ook alleronaangenaamst, dat Eline

haar engagement verbroken had. En in Godsnaam, waarom, waarom? Zij,

Betsy, begreep het niet; met den besten wil van de wereld begreep zij

het niet. Wien kon Eline zich liever dan Otto wenschen, ook al was hij

nu eenmaal niet schatrijk? Zoo waren dus ook haar eigen plannen voor

de toekomst vernietigd! Eline trouwde niet, Eline bleef natuurlijk

bij hen, en Vincent... Vincent bleef waarachtig ook hangen, eeuwig

hangen! Zij kreeg genoeg van hen allebeiden, en toch wist zij niet,

hoe zij een toestand zou veranderen, die de gezelligheid van heur

huis verdreef en haar geheele leven van oppervlakkig genot vergalde.

Men sprak, tot Betsy's ergernis, veel over Otto en Eline, nu hun

engagement af was. Toch zou Betsy het onvermijdelijke dezer praatjes

hebben ingezien en zich hebben getroost met de gedachte, dat zij

spoedig zouden zijn uitgestorven, indien Eline, nu zij immers haar

wil had, nu alles uit was, langzamerhand de zelfde geworden was van

vroeger. Betsy bespiedde hare zuster, als in afwachting, wanneer zij

eindelijk haar dwazen rouw over Otto van zich zou schudden, wanneer

zij weêr glimlachend en vroolijk en innemend zou worden. Werd Eline

weer zooals zij den eersten tijd van haar verblijf in hun huis geweest

was, een prettig, mooi zusje, waaraan men iets had, en die lief hielp,

als er een dinertje was of als er des avonds menschen kwamen, o Betsy

zou niets liever gewenscht hebben, dan ze altijd bij zich te houden,

altijd. Maar nu zij Eline nooit zag dan òf dof en teruggetrokken, met

iets wezenloos' over haar bleek gelaat, òf driftig en schreeuwend;

nu Eline niet uitging en eens, toen zij niemand anders ten eten

gevraagd had, dan mevrouw Eekhof met Ange en Léonie, Marguérite Van

Laren met haar aanstaande en den jongen Hijdrecht, zelfs hoofdpijn

had voorgewend en op hare kamer was gebleven, werd Betsy wrevelig en

alles aan Eline begon haar te ergeren. Waarom behoefde ze zich zoo

leelijk te maken en zoo slaperig te kijken, en waarom kapte ze zich

tegenwoordig zoo nonchalant? Ook de urenlange gesprekken van Eline

met Vincent ergerden haar; al was hij een half doode neef, toch vond

Betsy het niet passend, dat Eline zich, als het ware, met hem opsloot

in het violette kabinetje, in haar boudoir, of in de serre. Betsy

moest er iets over zeggen, het kon zoo maar niet voortgaan.

In deze ergernis, in deze kribbigheid was zij zeer prikkelbaar en

kortaf en wanneer zij Eline of Vincent niet met tallooze kleine

hatelijkheden, als met speldeprikken, kwetste, vaarde zij uit tegen

de meiden en Gerard, tegen Ben en Henk. Zij had voor geen van allen

een goed woord over, en zij liep, quasi druk bezig, door het huis

te dwalen, telkens de bedienden op de vingers tikkend voor kleine

onoplettendheden, voor een stofdoek die slingerde, of een looper die

niet recht lag. Zij bromde op haar kind, terwijl het, steeds zoet en

stil, een beetje soezig zat te spelen, of zij overstelpte haar man

met verwijtingen, haar man, die de gewoonte had aangenomen, dadelijk

de deur uit te gaan, zoodra zij begon! En het meest ontevreden was

zij over zichzelve, daar zij haar goed humeur langzamerhand geheel

en al verloor.... toch lag de schuld niet bij haar, maar bij haar

neef en bij hare zuster.

Eindelijk barstte haar ergernis los. Het was op een middag, voordat

zij aan tafel gingen. Er was niets anders gebeurd dan dat Vincent,

die zich reeds, vóor er gebeld was, in de eetkamer bevond, uit een

karaf wijn zijn glas had ingeschonken. Betsy kwam juist binnen,

toen hij dronk en in de overmaat harer kribbigheid al hare vroegere

vrees voor Vincent vergetend, voer zij woedend op hem los en verweet

hem in de hevigste termen zijne onhebbelijkheid. Hij scheen niet te

weten hoe hij zich in een fatsoenlijk huis te gedragen had, en zij

had hem al lang eens willen vragen, of hij ook manieren bezat. Zij

stonden beiden, vlammend van gramschap, tegenover elkander: hij kalm

en zich inhoudend; zij schreeuwend en niet meer in staat heur haat

in te toornen, die hare verwijtingen als met eene onbesuisde vlam

doorgloeide. Zoo vonden hen Henk en Eline, die binnentraden, en terwijl

Eline zweeg en geen partij scheen te kiezen, poogde Henk zijne vrouw

te bedaren. Zij holde echter door, opgewonden van drift en kwaadheid,

en haren man beschuldigend, dat hij te lam was om haar ook maar een

enkele maal in haar recht te handhaven. Het kon haar niet schelen om

dat enkele glas wijn: Vincent kon net zooveel drinken als hij wilde,

maar hij dacht zeker dat hun huis een herberg was, waar niet betaald

werd, waar hij precies zoolang kon blijven tot hij er genoeg van had,

en waar hij maar van alles dat hij vond, kon eten en drinken... Ze

wilde het nu eenmaal niet dulden dat hij aan haar tafel kwam, voor

zij zaten: zij vond dat onhebbelijk, onhebbelijk en ploertig....

Zij overwon, want Vincent ging kalm de kamer uit, zonder haar te

antwoorden dan met een enkelen blik, vol spot, haat en minachting,

een blik waaronder zij had kunnen kruipen van angst, nu haar overmoed

verspild was. Maar toen Vincent was verdwenen, vroeg zij Henk en Eline

kort, of zij niet dachten te dineeren dien middag, zoodat Henk zich

met een wanhopigen zucht aan tafel zette, en Eline, steeds zwijgend,

het gelaat vol tragische, doodsche kalmte, haar stoel nam en haar

servet langzaam openplooide. Noch Betsy, noch Henk spraken daarna veel,

en Eline zweeg, zweeg steeds.

Dien avond pakte Vincent zijn koffer om den volgenden dag te

vertrekken, naar Londen, zooals hij zeide. Henk poogde slechts

zwakjes hem van zijn voornemen af te brengen; zelve begreep Henk,

dat, als Vincent weg was, er ook een steen des aanstoots minder zou

wezen. En al gevoelde hij een weinig medelijden voor Vincent, het was

hem zoet, te denken, dat hij zijn huiselijke rust nog herwinnen kon,

als Betsy niet meer geërgerd werd door een neef, dien zij haatte,

dien zij vreesde, en dien zij uit vrees gekoesterd had, tot zij van

hem walgde. Voor hij vertrok, des ochtends, had Vincent een laatst

gesprek met Eline, in haar boudoir.

--Je gaat dus, onherroepelijk? vroeg zij.

--Maar natuurlijk, beste meid. Je ziet toch ook in, dat Betsy mij

niet langer kan uitstaan.

--Wat ga je in Londen doen?

--Ik moet in Londen eenige vrienden opzoeken... eenige geldzaken

regelen, voordat ik naar Amerika ga.

--Ga je dan naar Amerika?

--Dat weet je toch: je hebt me immers zelf den brief van St. Clare

gebracht.

--Ik... ik wist niet, dat je gedecideerd was. Arme Vincent!

Hij zag haar zacht glimlachend aan. Nog niet geheel en al hersteld

van zijne vorige zwakte, streelde het hem beklaagd te worden.

--Heb je zoo een medelijden met me?

--Ja... o ja, ik heb medelijden met je. Je zal nu weêr gaan zwerven

en wie weet, of ik je ooit weêr zal zien... Misschien wel nooit,

misschien wel nooit!

Zij zuchtte.

--Ik ben altijd het gelukkigst, wanneer ik zwerf! antwoordde hij.

Zij gevoelde een hartstochtelijk verlangen hem te vragen of zij hem

vergezellen mocht, of zij aan zijne zijde ook haar geluk elders in

verre streken zou mogen zoeken. Maar zij wist niet, hoe hare vraag

in te kleeden en zij wachtte of hij misschien iets zou zeggen. Hij

had haar immers lief; vroeger had hij om haar willen vertrekken,

nu was er niets meer wat hen behoefde te scheiden.

--Hij durft niet... hij durft niet! dacht zij en zij wist niet,

of zij verheugd was, dat hij niet durfde, of dat het haar smartte...

--Het gelukkigst, wanneer je zwerft! herhaalde zij peinzend en mat. Het

is mogelijk... Je bent een man, je kan zwerven... En ik ben een jong

meisje, ik heb hier altijd kalm gewoond... en gelukkig, God neen,

dat ben ik niet!

Hij zag haar even aan, of hij haar iets vragen wilde, maar hij zweeg

een pooze. Toch vroeg hij daarop:

--En waarom... ben je niet gelukkig?

--Waarom ik het niet ben! Ik weet het niet... ik weet het

niet! murmelde zij.

Zij wachtte, tot hij verder zou gaan, tot hij wellicht eene vraag zou

doen waarop zij reeds eenige dagen wachtte. Maar het was wellicht

uit kieschheid, dat hij niet vroeg: het was nog zoo kort geleden,

sinds zij Otto geschreven had... Toch meende zij in den zachten klank

zijner stem liefde te hooren doorklinken en zij zag hem aan... Eenige

zonneschijn vloot langs de ronding van het gordijn naar binnen en

omgaf hem op de bank, waar hij zat, met een lichten glans, en zij

ontstelde, toen zij hem, in die verheerlijking, treffend heuren

vader zag gelijken... Deze schrik deed haar hart sneller kloppen,

en zij wond zich op en meende, dat zij Vincent liefhad, terwille van

de nagedachtenis haars vaders liefhad, omdat zij een slachtoffer van

de kleingeestigheid der wereld in hem zag, iets ideaals en romanesks.

En ook hij bleef haar aanzien, met medelijden, want hij wist, dat zij

haar geluk van zich had gestooten. Hij zelve meende dit vaak gedaan te

hebben, maar van hemzelven had het hem nooit zoo duidelijk en klaar

voor den geest gedoemd, als nu van haar. Een oogenblik meende hij

haar zoo iets te zeggen, maar hij zag er geen nut in en hij zweeg. Zij

zou het toch niet hebben willen erkennen.

--Vincent! stamelde zij ten laatste, zenuwachtig door hare

overspanning, door het wachten op iets, dat niet kwam. Vincent, zeg

me... misschien zien we elkaâr hierna nooit weer terug... heb je me

niets... niets te zeggen?

--Heel veel, Elly-lief. Ik heb je te danken, dat je me als een zusje

verpleegd en vertroeteld hebt, hier in je eigen kamer in een tijd,

toen je geleden hebt.

--Hoe weet je, dat ik geleden heb?

--Ik heb een klein beetje menschenkennis.

Zij schudde ontkennend het hoofd.

--Ik geloof het niet, ik heb niet geleden, ik heb medelijden

met.... met Otto, maar zelve heb ik niet geleden...

Zij martelde zich met die leugen, maar het was ter wille van Vincent,

die haar liefhad en niet van haar smart mocht weten. Doordringend zag

hij haar aan, zichzelven afvragend, waarom zij loog, maar hij moest

zich het antwoord schuldig blijven, hij begreep haar leugen niet; hij

begreep alleen, dat er in een vrouweziel altijd iets raadselachtigs

bleef hangen, een nevel.

En ook zij begreep hem niet. Zij begreep niet, waarom hij haar niet

vroeg hem lief te hebben, nu niets hen meer scheidde, en nu hij op

het punt stond te vertrekken. Nog een uur en hij zou gegaan zijn. O,

misschien dacht hij, dat het te laat was. Zij zuchtte en dringend

sprak zij nu:

--Vincent, iets moet je me beloven: als ik ooit iets voor je doen kan,

als ik je ooit van hier helpen kan, schrijf me dan uit New-York en

ik verzeker je, dat ik je niet zal teleurstellen. Beloof me dat.

--Ik beloof het je en ik dank je.

--En dan nog iets: ik weet, dat je dikwijls in geldverlegenheid

bent. Als ik je ook daarin kan bijstaan, schrijf mij dan ook. Op

het oogenblik bijvoorbeeld, heb ik tweehonderdvijftig gulden liggen;

kan je die gebruiken, dan zijn ze tot je dienst. Mag ik ze je geven?

Zij rees reeds op om hare schrijftafel te ontsluiten, maar hij vatte

hare hand met iets als aandoening.

--Elly... Elly... neen Elly... dat niet... Ik dank je, ik vind het

allerliefst van je, maar ik zou ze je moeilijk in den eersten tijd

kunnen teruggeven...

--Toe, weiger het me niet, het zal me plezier doen...

--Nog eens ik weet niet, hoe ik je voor je aanbod danken moet, maar

waarlijk.... ik.... ik kan het niet aannemen.... ik kan het niet....

Zij bleef staan en zij verbleekte.... Ja, ja, hij had haar lief; hoe

had zij nog kunnen twijfelen, dat hij haar liefhad.... Had hij anders

dit geld geweigerd? O, ja, hij wilde haar geen geld schuldig zijn,

omdat hij haar liefhad.... Maar waarom sprak hij dan niet...?

Eindelijk stond hij op; het rijtuig zou over eenige minuten komen.

--Maak het nog goed met Betsy! sprak zij smeekend en smeltende van

weedom. Het is zoo akelig zoo te scheiden.

--Zeker, ik denk wel in der minne van haar te gaan. Maar nu ga ik

ook werkelijk. Adieu dan, mijn beste Elly, adieu dan: dank je nog

duizend maal voor alles wat je voor me gedaan hebt...

--Adieu dan, Vincent, adieu.

Hij maakte een gebaar, of hij haar kussen wilde en zij sloeg hare

armen om zijn hals en gaf hem een zoen op iedere wang.

--En denk nu en dan eens aan me, wil je? Ik hou van je en ik hou van

niet veel menschen; ik kan mijn affecties wel tellen. Nu, dag Elly,

adieu, misschien wel tot weêrziens...

Zij kuste hem nogmaals, de oogen vol tranen en terwijl hij wegging,

zonk zij op den divan neêr en knikte hem voor het laatst toe. Hij

verdween, de deur achter zich sluitend.

Een pooze tuurde zij op die deur. En toen zij na eenigen tijd zijn

rijtuig hoorde wegrollen, verwonderde zij zich, dat hij haar zoo

koel had gekust, in dat laatste oogenblik van vertrouwelijkheid. Zij

wilde er in doordringen, zij wilde over hem peinzen, omdat zij hem

niet begreep, zij wilde ook in zichzelve nagaan of zij hem waarlijk

liefhad, maar zij was moê en zwaar in haar hoofd, dat zij met een

zucht in de kussens liet vallen en met de handen bedekte.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 112 / 188 题