II.

Toen Otto voor het koffiedrinken thuiskwam, hadden mevrouw, Mathilde

en Frédérique zich bereid hem met kalmte te ontvangen, om hem zijne

smart zooveel mogelijk te helpen dragen. Mevrouw begreep niet, dat

hij betrekkelijk kalm bleef, terwijl Mathilde hem zitten deed en,

met zijne handen in de hare, den slag hem scheen voor te bereiden. De

oude vrouw had hem zich zoo geheel anders voorgesteld, hartstochtelijk

en opbruisend in wilde smart, dat zij nog in stilte God dankte, die

haar kind kracht schonk om zijn leed te torsen.... Zij zag alleen

zijn flink vriendelijk gelaat strak worden als een masker, zij zag

alleen zijn lippen trillen....

--Die brief.... Waar is die brief? bracht hij eindelijk uit.

--Otto....

--Die brief.... ik bid je....

Mathilde stond op en gaf hem den brief, en vóor hij zich er mede kon

wegspoeden, omhelsde zij hem krachtig in hare beide armen.

--Wees een man, niet waar, Otto, wees een man! fluisterde zij hem

onder haar innigen kus toe en zij liet hem los en hij ging.

Mevrouw Van Erlevoort had Otto nauwelijks toegesproken; zij had

gesidderd in hare opgeschroefde kalmte, en zij lag nu opnieuw zacht

tegen Etienne aan te snikken, terwijl hij haar een enkele maal

kuste of haar zacht over den schouder streek met een streelende

liefkozing. Mathilde tuurde uit het raam, zwijgend en de oogen vol

tranen. Frédérique zat roerloos en trotsch... haar had men niet

noodig, zij had nooit verdriet gehad, zij begreep dat niet; zoo

dachten zij zeker...

Tina kwam van boven, ongeduldig dat oma zoolang wachtte met te gaan

koffiedrinken, en Mathilde wilde haar wegzenden, maar mevrouw sprak

snikkend:

--Laat haar blijven, Tilly.... En roep de anderen.... Ze willen

eten.... Ik.... ik kan niet, ik kan niet eten....

Steeds snikkende maakte zij zich los uit Etienne's armen; zij werd

bedrijvig, vol zenuwachtigheid, en opende een eitje voor Tina en

sneed haar boterham.

--Waarom huil je zoo, oma? Ben je niet wel? vroeg het kind.

Mevrouw schudde haar hoofd en glimlachte weemoedig door haar

tranen heen... Hare gewone gelijkmoedigheid was verdwenen; zij werd

nerveus in verdriet, en hare trillende handen, die een bezigheid

zochten, bereidden nu ook een ontbijt voor de drie anderen, die

nu kwamen. Frédérique stikte bijna in haar ingehouden tranen, toen

zij de kinderen, een weinig bedrukt door de somberheid, welke zij

om zich rieden, zag eten.... Zoo ging dan het leven onafgebroken en

eentonig voort, als met een reusachtig egoïstisch materialisme: er

werd geleden en er daalde geen algemeen rouwfloers neêr op de wereld;

er werd geleden en toch bleef alles het zelfde en lachte men, sliep

men, at men rondom dat leed.

Otto had zich niet den tijd gegund naar zijn eigen kamer te gaan. Hij

had zich in den grooten salon op een bank geworpen en den brief

geopend.... En hij las thans van smart en van berouw. Eline behoefde

het hem niet te verzekeren, dat zij onder dit schrijven geleden

had, als zij niet wist, dat iemand lijden kon: hij las dat in elk

dier woorden, die van tranen schenen te vloeien, elk dier woorden,

die elk een nieuwe smart in zijn ziel goten. Hij las, hoewel zij

het niet schreef, eveneens, dat elke poging om zijn geluk in haar

liefde,--mocht hij die ook opnieuw kunnen doen ontvlammen--weêr te

vinden, tevergeefsch zou zijn; hij las er, dat zij eeuwig gescheiden

waren, omdat zij geene kracht had gehad hare liefde te bewaren.... Een

groote onmetelijke wanhoop vervulde hem; hij dacht, dat zóo ze

kracht hadde gehad, zóo zij met hem samen was gebleven, hoe hij haar

gelukkig had kunnen maken, omdat zij, in de rust van zijn gemoed, in

de weldoende kalmte zijner liefde zou gesluimerd hebben en ontwaakt

zou zijn, vol van stille weelde.... Eens was hij verzekerd geweest,

dat zóo hun toekomst zich zou ontrollen, nu bleek die zekerheid een

ijdele herschenschim geweest te zijn...

Nogmaals staarde hij den brief over en het scheen of hij het nu eerst

goed las: hij had haar verloren, voor altijd! Een leêgte, als ware

hij in een woestijn verdwaald, omving hem in zijn eenzaamheid, in

den ruimen salon, vol onbezielden glans, vol groote, kille spiegels

en verkleurd fluweel, en hij zag met zijne vochtige oogen om zich

en rilde.... Toen liet hij zich achterover vallen op de bank en hij

bedekte het gelaat met de handen en een pijnlijke snik drong stootend

uit zijne borst. Het werd hem of alles in hem brak en knakte, als

riethalmen, of alles in hem verbrijzeld werd tot scherven, of die

enkele ademtocht van een orkaan alles in hem deed verstuiven... het

werd hem, of er niets meer in hem was dan die groote, onmetelijke

wanhoop, en op dit oogenblik had hij willen sterven....

Zachtjes snikte hij door, achter zijne handen, en sombere bitterheid

welde in hem op. Waarmede had hij dit verdiend, hij, die eens

zooveel rijkdom in zich had gevonden, hij, die niets gewenscht had,

dan eener andere dien rijkdom te schenken, dien rijkdom van rust en

vrede? Hij was versmaad geworden, die rijkdom, en zelve gevoelde hij

zich nu armer dan de armste en leêg, zoo leêg, slechts vol wanhoop

en levensmoêheid....

De deur werd zacht geopend. Het was Mathilde, die hem op zijn kamer

was gaan zoeken, die hem ten laatste hier vond.... Zij naderde hem,

als een weemoedig beeld van medelijden, zij zette zich naast hem en

poogde zijn handen van zijn gelaat weg te nemen. Hij schrikte hevig

en zag haar aan, met twee groote, wild starende oogen, vol vocht.

--Wat kom je bij mij doen? vroeg hij met een troostelooze stem. Er

was immers niets bij hem te doen, niets; hij was al gestorven.

--Wat kwam jij vroeger bij me doen, nu wel vijf jaar geleden,

wanneer je naast me kwam zitten en me tegen je aantrok? En wat kwam

je bij me doen, eens op een avond, ook vijf jaar geleden, toen ik mijn

man.... van me.... had laten gaan.... mijn man, dien ik na dien avond

nooit meer gezien heb... Zeg, wat kwam je toen bij me doen?... Heb

ik je toen soms ook gevraagd, wat je me nu vraagt? sprak zij met een

droef verwijt.

Zij zag zijne borst zich telkens verheffen onder den grooten snik,

dien hij onderdrukte en zij sloeg haar arm om zijn hals en dwong

hem zijn hoofd tegen haar aan te vlijen. En in zijne smart schrikte

hij van de herinnering aan de hare, waarover zij nooit sprak, en hij

gevoelde, dat zij hem wel gaarne wilde troosten, als zij zichzelve,

hem terwille, zoo in verdriet dompelde.

--Waarom spreek je daarover? vroeg hij, want hij wist, dat zij,

zwijgend, kalmer leed.

--Om je te laten voelen, dat ik je begrijpen kan. En om je te laten

zien, dat ik nog leef, en nog langer leven moet. En vooral om je te

toonen, dat je niet alleen al het verdriet hebt, dat er op de wereld

is.... Misschien, dat je dat een beetje troost....

--O! riep hij snikkend uit en klemde zich aan haar vast, en reikte

haar bevend den brief.

--Daar lees! kreet hij.

Zij las weemoedig en streelde zijne haren, als zij een kind gedaan

had. Zoo was het goed, zoo dwong hij zich niet meer tot zelf

beheersching, zoo schaamde hij zich geen tranen in zijn hardnekkige

mannelijkheid. En terwijl zij las, mijmerde zij over Eline.

--Zou ze weten, wat ze in je weggooit? dacht zij. Wat zou ze doen, als

ze je zoo zag.... Zou ze slecht zijn, dat ze je kan mishandelen? Is ze

je niet waard, mijn Otto, mijn broêr? Of is ze alleen maar ongelukkig,

zooals wij?

Mevrouw Van Erlevoort kwam binnen met Frédérique.

Mathilde beurde zijn hoofd op.

--Daar is mama! sprak zij eenvoudig, als wilde zij hem niet houden,

nu een moeder hem eischte. Maar het brak hem geheel en al die zachte

moeder te zien, die wegsmolt in zijn verdriet. Hijzelve moest haar

troosten.

--Mama, mama, niet zoo huilen! Zoo vreeselijk is het niet! riep hij

uit in vertwijfeling.

Frédérique was blijven staan en zij leunde tegen den deurpost der

porte-brisée, haar hoofd in haar armen. Op haar sloegen zij geen acht,

Mathilde, mama konden troosten, maar aan haar had hij niets; zij was

kinderachtig en zij zou hem niets weten te zeggen. Het heugde haar,

hoe zij hem eens, lang vóor zijn verloving, over Eline gesproken had,

maar nu had zij niets te spreken, totaal niets. Zij begreep immers niet

wat smart was, zij had zelve nooit geleden, en zij had geen gevoel,

ze was een steen.

--Een steen! Ze denken, dat ik een steen ben! herhaalde ze zacht, en

zij bleef tegen haar deurpost en snikte onhoorbaar in haar opgeheven

armen, troosteloos, dat zij Otto niet troosten kon.

Daar voelde zij een hand op haar schouder en zij keerde zich om,

bijna trotsch over haar miskenning. Maar toen ze zijn smartelijk,

ontdaan gelaat bespeurde, met die vochtige oogen, waarin zij voor het

eerst tranen zag, met die lippen, trillend onder zijn snor, met die

zware rimpels op zijn voorhoofd, toen wierp zij zich, overvloeiende

van medelijden, aan zijne borst en hem in hare armen knellend,

overdekte zij zijn gelaat met hartstochtelijke kussen.

Hoofdstuk XXIV.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 111 / 188 题