Toen Otto voor het koffiedrinken thuiskwam, hadden mevrouw, Mathilde
en Frédérique zich bereid hem met kalmte te ontvangen, om hem zijne
smart zooveel mogelijk te helpen dragen. Mevrouw begreep niet, dat
hij betrekkelijk kalm bleef, terwijl Mathilde hem zitten deed en,
met zijne handen in de hare, den slag hem scheen voor te bereiden. De
oude vrouw had hem zich zoo geheel anders voorgesteld, hartstochtelijk
en opbruisend in wilde smart, dat zij nog in stilte God dankte, die
haar kind kracht schonk om zijn leed te torsen.... Zij zag alleen
zijn flink vriendelijk gelaat strak worden als een masker, zij zag
alleen zijn lippen trillen....
--Die brief.... Waar is die brief? bracht hij eindelijk uit.
--Otto....
--Die brief.... ik bid je....
Mathilde stond op en gaf hem den brief, en vóor hij zich er mede kon
wegspoeden, omhelsde zij hem krachtig in hare beide armen.
--Wees een man, niet waar, Otto, wees een man! fluisterde zij hem
onder haar innigen kus toe en zij liet hem los en hij ging.
Mevrouw Van Erlevoort had Otto nauwelijks toegesproken; zij had
gesidderd in hare opgeschroefde kalmte, en zij lag nu opnieuw zacht
tegen Etienne aan te snikken, terwijl hij haar een enkele maal
kuste of haar zacht over den schouder streek met een streelende
liefkozing. Mathilde tuurde uit het raam, zwijgend en de oogen vol
tranen. Frédérique zat roerloos en trotsch... haar had men niet
noodig, zij had nooit verdriet gehad, zij begreep dat niet; zoo
dachten zij zeker...
Tina kwam van boven, ongeduldig dat oma zoolang wachtte met te gaan
koffiedrinken, en Mathilde wilde haar wegzenden, maar mevrouw sprak
snikkend:
--Laat haar blijven, Tilly.... En roep de anderen.... Ze willen
eten.... Ik.... ik kan niet, ik kan niet eten....
Steeds snikkende maakte zij zich los uit Etienne's armen; zij werd
bedrijvig, vol zenuwachtigheid, en opende een eitje voor Tina en
sneed haar boterham.
--Waarom huil je zoo, oma? Ben je niet wel? vroeg het kind.
Mevrouw schudde haar hoofd en glimlachte weemoedig door haar
tranen heen... Hare gewone gelijkmoedigheid was verdwenen; zij werd
nerveus in verdriet, en hare trillende handen, die een bezigheid
zochten, bereidden nu ook een ontbijt voor de drie anderen, die
nu kwamen. Frédérique stikte bijna in haar ingehouden tranen, toen
zij de kinderen, een weinig bedrukt door de somberheid, welke zij
om zich rieden, zag eten.... Zoo ging dan het leven onafgebroken en
eentonig voort, als met een reusachtig egoïstisch materialisme: er
werd geleden en er daalde geen algemeen rouwfloers neêr op de wereld;
er werd geleden en toch bleef alles het zelfde en lachte men, sliep
men, at men rondom dat leed.
Otto had zich niet den tijd gegund naar zijn eigen kamer te gaan. Hij
had zich in den grooten salon op een bank geworpen en den brief
geopend.... En hij las thans van smart en van berouw. Eline behoefde
het hem niet te verzekeren, dat zij onder dit schrijven geleden
had, als zij niet wist, dat iemand lijden kon: hij las dat in elk
dier woorden, die van tranen schenen te vloeien, elk dier woorden,
die elk een nieuwe smart in zijn ziel goten. Hij las, hoewel zij
het niet schreef, eveneens, dat elke poging om zijn geluk in haar
liefde,--mocht hij die ook opnieuw kunnen doen ontvlammen--weêr te
vinden, tevergeefsch zou zijn; hij las er, dat zij eeuwig gescheiden
waren, omdat zij geene kracht had gehad hare liefde te bewaren.... Een
groote onmetelijke wanhoop vervulde hem; hij dacht, dat zóo ze
kracht hadde gehad, zóo zij met hem samen was gebleven, hoe hij haar
gelukkig had kunnen maken, omdat zij, in de rust van zijn gemoed, in
de weldoende kalmte zijner liefde zou gesluimerd hebben en ontwaakt
zou zijn, vol van stille weelde.... Eens was hij verzekerd geweest,
dat zóo hun toekomst zich zou ontrollen, nu bleek die zekerheid een
ijdele herschenschim geweest te zijn...
Nogmaals staarde hij den brief over en het scheen of hij het nu eerst
goed las: hij had haar verloren, voor altijd! Een leêgte, als ware
hij in een woestijn verdwaald, omving hem in zijn eenzaamheid, in
den ruimen salon, vol onbezielden glans, vol groote, kille spiegels
en verkleurd fluweel, en hij zag met zijne vochtige oogen om zich
en rilde.... Toen liet hij zich achterover vallen op de bank en hij
bedekte het gelaat met de handen en een pijnlijke snik drong stootend
uit zijne borst. Het werd hem of alles in hem brak en knakte, als
riethalmen, of alles in hem verbrijzeld werd tot scherven, of die
enkele ademtocht van een orkaan alles in hem deed verstuiven... het
werd hem, of er niets meer in hem was dan die groote, onmetelijke
wanhoop, en op dit oogenblik had hij willen sterven....
Zachtjes snikte hij door, achter zijne handen, en sombere bitterheid
welde in hem op. Waarmede had hij dit verdiend, hij, die eens
zooveel rijkdom in zich had gevonden, hij, die niets gewenscht had,
dan eener andere dien rijkdom te schenken, dien rijkdom van rust en
vrede? Hij was versmaad geworden, die rijkdom, en zelve gevoelde hij
zich nu armer dan de armste en leêg, zoo leêg, slechts vol wanhoop
en levensmoêheid....
De deur werd zacht geopend. Het was Mathilde, die hem op zijn kamer
was gaan zoeken, die hem ten laatste hier vond.... Zij naderde hem,
als een weemoedig beeld van medelijden, zij zette zich naast hem en
poogde zijn handen van zijn gelaat weg te nemen. Hij schrikte hevig
en zag haar aan, met twee groote, wild starende oogen, vol vocht.
--Wat kom je bij mij doen? vroeg hij met een troostelooze stem. Er
was immers niets bij hem te doen, niets; hij was al gestorven.
--Wat kwam jij vroeger bij me doen, nu wel vijf jaar geleden,
wanneer je naast me kwam zitten en me tegen je aantrok? En wat kwam
je bij me doen, eens op een avond, ook vijf jaar geleden, toen ik mijn
man.... van me.... had laten gaan.... mijn man, dien ik na dien avond
nooit meer gezien heb... Zeg, wat kwam je toen bij me doen?... Heb
ik je toen soms ook gevraagd, wat je me nu vraagt? sprak zij met een
droef verwijt.
Zij zag zijne borst zich telkens verheffen onder den grooten snik,
dien hij onderdrukte en zij sloeg haar arm om zijn hals en dwong
hem zijn hoofd tegen haar aan te vlijen. En in zijne smart schrikte
hij van de herinnering aan de hare, waarover zij nooit sprak, en hij
gevoelde, dat zij hem wel gaarne wilde troosten, als zij zichzelve,
hem terwille, zoo in verdriet dompelde.
--Waarom spreek je daarover? vroeg hij, want hij wist, dat zij,
zwijgend, kalmer leed.
--Om je te laten voelen, dat ik je begrijpen kan. En om je te laten
zien, dat ik nog leef, en nog langer leven moet. En vooral om je te
toonen, dat je niet alleen al het verdriet hebt, dat er op de wereld
is.... Misschien, dat je dat een beetje troost....
--O! riep hij snikkend uit en klemde zich aan haar vast, en reikte
haar bevend den brief.
--Daar lees! kreet hij.
Zij las weemoedig en streelde zijne haren, als zij een kind gedaan
had. Zoo was het goed, zoo dwong hij zich niet meer tot zelf
beheersching, zoo schaamde hij zich geen tranen in zijn hardnekkige
mannelijkheid. En terwijl zij las, mijmerde zij over Eline.
--Zou ze weten, wat ze in je weggooit? dacht zij. Wat zou ze doen, als
ze je zoo zag.... Zou ze slecht zijn, dat ze je kan mishandelen? Is ze
je niet waard, mijn Otto, mijn broêr? Of is ze alleen maar ongelukkig,
zooals wij?
Mevrouw Van Erlevoort kwam binnen met Frédérique.
Mathilde beurde zijn hoofd op.
--Daar is mama! sprak zij eenvoudig, als wilde zij hem niet houden,
nu een moeder hem eischte. Maar het brak hem geheel en al die zachte
moeder te zien, die wegsmolt in zijn verdriet. Hijzelve moest haar
troosten.
--Mama, mama, niet zoo huilen! Zoo vreeselijk is het niet! riep hij
uit in vertwijfeling.
Frédérique was blijven staan en zij leunde tegen den deurpost der
porte-brisée, haar hoofd in haar armen. Op haar sloegen zij geen acht,
Mathilde, mama konden troosten, maar aan haar had hij niets; zij was
kinderachtig en zij zou hem niets weten te zeggen. Het heugde haar,
hoe zij hem eens, lang vóor zijn verloving, over Eline gesproken had,
maar nu had zij niets te spreken, totaal niets. Zij begreep immers niet
wat smart was, zij had zelve nooit geleden, en zij had geen gevoel,
ze was een steen.
--Een steen! Ze denken, dat ik een steen ben! herhaalde ze zacht, en
zij bleef tegen haar deurpost en snikte onhoorbaar in haar opgeheven
armen, troosteloos, dat zij Otto niet troosten kon.
Daar voelde zij een hand op haar schouder en zij keerde zich om,
bijna trotsch over haar miskenning. Maar toen ze zijn smartelijk,
ontdaan gelaat bespeurde, met die vochtige oogen, waarin zij voor het
eerst tranen zag, met die lippen, trillend onder zijn snor, met die
zware rimpels op zijn voorhoofd, toen wierp zij zich, overvloeiende
van medelijden, aan zijne borst en hem in hare armen knellend,
overdekte zij zijn gelaat met hartstochtelijke kussen.
Hoofdstuk XXIV.