I.

Otto was reeds uit, toen Willem, de knecht, den brief des ochtends in

de eetkamer binnenbracht. Alleen mevrouw Van Erlevoort en Frédérique

bevonden er zich. Mathilde was met de kinderen een wandeling gaan

doen en Etienne lag nog te bed.

--Wat is dat? vroeg mevrouw.

Frédérique nam den brief aan.

--Het is voor Otto, mama... leg hem maar op de schaal,

Willem... of... geef eens hier.

Zij nam den brief terug.

--Ik geloof, dat het de hand van Eline is... zoo een dikke brief... hoe

curieus!

--Van Eline? vroeg mevrouw.

--Ik geloof zoo.

Zij gaf den brief terug aan Willem, die hem op een Japansche schotel op

het buffet legde en wegging. Moeder en dochter zagen elkaâr even aan,

maar zij zwegen. Eene onbestemde vrees, welke zij beiden in elkander

rieden, doemde in haar op, terwijl die brief, in hare nabijheid,

de geheime aankondiging van een naderend onheil scheen. Toch zwegen

zij en bleven zij bezig, mevrouw aan haar uitgavenboek, Frédérique

aan een groot handwerk van zware, kleurige wol.

Er ging eenige tijd voorbij en het sloeg tien uur. Rika, de meid,

ruimde de ontbijttafel een weinig op en liet een couvert staan voor

Etienne, toen er gebeld werd. Mevrouw lette niet op die éene bel

tusschen de telkens herhaalde bellen der leveranciers, maar Frédérique

scheen het, dat de klepel doffer klonk dan gewoonlijk en zij schrikte.

Willem kwam binnen.

--Mevrouw, daar is mijnheer Van Raat, die vraagt, of hij u even

spreken mag.

--Meneer Paul! vroeg Frédérique snel.

--Vraag excuus, freule, meneer Van Raat van het Nassauplein.

--Laat meneer binnenkomen! sprak mevrouw.

Zij ook was geschrikt, de steeds kalme grijze vrouw. Zij, evenals

haar dochters, had bespeurd, hoe Otto in den laatsten tijd somber en

teruggetrokken was, hoe Eline hun huis was ontweken.

--O mama! kon Frédérique zich niet weêrhouden angstig uit te roepen.

Henk kwam. En uit zijn dralenden groet, uit zijn verslagen gelaat,

dat zich niet beheerschen kon, rieden zij reeds veel. Mevrouw wees

Henk een stoel, en zag angstig naar hem op.

--Van Raat! Wat is er, waarover.... waarvoor? stotterde zij gejaagd.

--Ik dacht goed te doen, mevrouw, eens even aan te komen. Eline heeft

Otto geschreven.

--Ja.

--Weet u het? Heeft hij den brief al gelezen?

--Den brief? Neen.... Willem bracht hem zooeven....

Mijn God, Van Raat, het is toch niet, dat Eline Otto....?

Henk keerde zijn gelaat af, zoekende naar zijn woorden. De inleiding,

die hij onderweg verzonnen had, vergat hij geheel en al bij de angstige

blikken van mevrouw en Frédérique. En toen de laatste hem smeekend

drong dat hij toch zou spreken, maakte hij een wanhopig gebaar en

riep uit:

--Ach ja, het is zoo, ze wil hem zijn woord teruggeven, ze heeft hem

een langen brief geschreven. Het spijt me zoo, u weet niet, hoe het

me spijt.

Mevrouw was sprakeloos, met trillende handen op haar stoel gezonken

en Frédérique werd doodsbleek.

--En zelve is zij er zoo naar onder... zoo kapot... ze heeft vannacht

niet geslapen, telkens hoorden wij haar huilen.

Met zijn moeilijk uitgebrachte, afgebroken zinnen, verhaalde hij van

dien nacht van smart en angst. Hij was nu gekomen, niet om den brief

heimelijk terug te halen, vóór Otto dien gelezen zou hebben,--het

kon toch niet weêr worden, zooals het eens geweest was, had Eline

gezegd,--maar hij kwam uit een onberedeneerden drang om te troosten

en mede te lijden waar geleden zou worden. Dat hijzelve echter dat

leed moest aankondigen, viel hem zwaar, en zijn gedachten weigerden

bijna zich in woorden te uiten.

Mevrouw Van Erlevoort was verpletterd. Zij hoorde niet meer naar

Henks moeilijke zinnen, zij dacht slechts aan de groote smart, welke

Otto wachtte. Zij poogde zich haar zoon voor te stellen onder dien

slag en het scheen haar, dat zij zijn gelaat vergeten was, dat het

geheel anders moest zijn, dan zij zich verbeeldde. Frédérique's oogen

stonden vol tranen, alles woelde in haar om, en een groote haat voor

Eline sloeg als eene vlam uit smeulende asch in haar hart omhoog.

O, op dat oogenblik had zij Eline kunnen vermoorden, kunnen

vermoorden! Met die donkere oogen, weenend in dat strakke, door haat

en stille woede overtogen gelaat, staarde zij op haar moeder, die,

nu gebroken, de handen voor het gelaat, zachtjes snikte. Henk zweeg

ten laatste en bleef droef voor zich turen.

Kinderstemmen weêrklonken in de vestibule, de deur werd geopend

en Tina, Johan, Lientje en Nico kwamen naar binnen, vroolijk en

springende, gevolgd door Mathilde. Henk stond op. Mathilde zag

aanstonds, dat er iets was voorgevallen; zij zag haar moeder weenen,

zij zag Frédérique's machteloozen toorn, zij zag de verlegenheid

van Henk.

--Breng.... de kinderen...! snikte mevrouw en zij stootte Nico van

zich af.

Mathilde wenkte ze aanstonds te zamen aan de geopende deur.

--Ga naar boven, naar juffrouw Frantzen, en stil zijn! fluisterde

zij. De kleinen gingen verbaasd, terwijl Nico huilde.

Mathilde sloot de deur, zij trad nader en zag Henk angstig

aan. Frédérique deelde met trotsche stem het haar mede, in een enkel

woord, terwijl haar oogen flikkerden.

--Mijn God! fluisterde Mathilde sidderend.

--Hoe het hem te zeggen, hoe het hem te zeggen! snikte mevrouw. Hoe

kan Eline dat doen! Hoe is het mogelijk, dat ze hem zoo ongelukkig

wil maken. En ik die dacht... O God, o God!

Zij trok Mathilde tot zich en verborg het schokkende hoofd aan

Mathilde's borst. Mathilde wist het: als er geleden werd kwam men

tot haar, en zij sloeg den arm om den hals harer moeder en kuste ze.

--Otto zal het kunnen dragen, mama.

--Hoe kan je dat zeggen, het is zoo onverwachts, het zal hem

verpletteren, mijn jongen, mijn armen jongen. O, hoe kan Eline,

hoe kan Eline dat doen. Hoe is het mogelijk, dat ze dat doet....

Zij hoorden op de trap vroolijk fluiten, met de brutale helderheid

van een straatjongen, terwijl stappen bij tusschenpoozen bonsden als

van iemand, die de treden bij twee of drie tegelijk afsprong. Etienne

kwam binnen.

--Goedenmorgem saam! Dag mama! Zoo dag, gezellige dikzak, hoe kom

jij hier, hoe maak je het....!

Hij groette op zijn gewone opgeruimde wijze, maar hij bespeurde

aanstonds die uitdrukking van ontstemdheid op hun aller

gelaatstrekken. En verbaasd zag hij zijne moeder aan terwijl ze

snikkend uitriep:

--Begrijp jij het, mijn kind, begrijp jij het, hoe Eline dat doen kan,

hoe Eline niet meer van Otto kan houden... o, God, begrijp jij het?

--Hè? vroeg hij wezenloos.

Maar weldra begreep hij, en toen hij de smart zijner grijze moeder,

die altijd zoo zonnig en blijmoedig was, begreep, knielde die groote

jongen voor haar neêr, en pakte haar troostend, onder een stortvloed

van lieve woorden, als van een kind in zijne armen.... En Mathilde

wist ook dit: al zocht heure moeder medegevoel bij haar, Mathilde,

zij vond eerst troost bij haar lieveling, bij Eetje....

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 110 / 188 题