VII.

Dien avond bleef zij lang op haar divan liggen, starende in het

donker. Ook Vincent wilde zij niet ontvangen en eindelijk stak

zijzelve het gas aan, deed de gordijnen dicht en zette zich aan haar

schrijftafeltje. Het moest.

Kalm begon zij te schrijven, telkens ophoudende en ieder woord

overlezende:

"Mijn beste Otto:

"Ik bid je, vergeef mij, maar het kan niet anders. Stel

jezelven de vraag of ik je gelukkig kan maken en of ik je

niet het leven tot een last zou doen zijn. Ik heb gedacht,

dat ik je gelukkig zou kunnen maken, en die gedachte, zal

ik me steeds herinneren, want zij is mijn grootste geluk

geweest. Maar nu..."

De tranen waren haar in de oogen geweld onder het neêrschrijven dier

woorden en op eens barstte zij in snikken uit en zij verscheurde het

papier. Zij was niet in staat hem zulk een leed te doen. O God, zij

kon niet! Maar wat dan? Die pijnigende verhouding laten voortduren,

tot de eene of andere catastrofe toch een scheiding veroorzaakte? Neen,

neen, dan was het nog beter in vriendschap elkander te verlaten met

een laatst weemoedig vaarwel! Maar zij had hem reeds zooveel verdriet

gedaan, zonder het te willen; zij verlangde hem voortaan zoo min

mogelijk verdriet te doen, en nu... O, dat zij toch zoo geslingerd

werd in zulk een strijd, alleen en verlaten, zonder iemand tot steun,

en zonder eigenlijk te weten wat zij wilde en wat haar plicht was! Zij

was er te zwak voor, voor zulk een strijd!

Maar zij nam toch een nieuw vel papier en schreef opnieuw:

"Mijn beste Otto!"

Eenige regels volgden daarop vlot, bijna gelijk aan het eerste begin,

dat zij verscheurd had. Maar hoe het hem verder te zeggen, hoe... Toch

vloog op eens haar pen over het papier, woest, met bijna onleesbare

letters, en in een hartstochtelijke, overspannen stijl...

"Ik verzeker het je, dat mijn hart breekt, nu ik je zoo

schrijf... nu ik je vragen moet... of het niet beter... was,

dat wij elkander niet meer vleien met de hoop... dat wij in

elkander ons geluk zouden vinden. Het is zoo wreed die vraag te

doen, omdat er zoo een heerlijke tijd is geweest, waarin we..."

Zij bleef doorschrijven, verloren in de wreede herinnering dier dagen,

terwijl een groote, sidderende snik haar borst telkens ophief als met

een marteling, en een, steeds toenemende hoofdpijn, zwaar als lood,

met tal van hamers in haar slapen klopte en heure hersenen in een

ijzeren band scheen samen te schroeven.

"Een heerlijke tijd is geweest, waarin we... zooveel van

elkander hielden... Ik verzeker je, dat ik onder dezen brief

lijd... als ik niet wist, dat een mensch lijden kon, maar ik

geloof, dat het mijn plicht is, en dat, zoo ik nu niet schreef,

ik je ongelukkig zou maken.

"Wij moeten elkaâr vergeten, wij moeten nooit meer aan

elkaar denken... Zoo zal het beter zijn, voor ons beiden,

vooral voor jou. O, wanneer ik nog hoop koesterde, dat ik

mij verbeteren kon en dat ik je nog waardig kon worden,

dan zou ik dit papier verscheuren, maar al mijn hoop is weg.

"Ik geloof wel, dat ik jou, mijn beste Otto, ook onder dezen

brief doe lijden, maar vergeef me die laatste smart, die

ik je aanbreng en vergeet me. Je bent zoo goed en zoo lief;

je vindt zeker later, als je me vergeten hebt, een meisje..."

Zij liet haar pen vallen en wierp zich, verbrijzeld van ziel, met

haar hoofd op de tafel, in haar doorweekten zakdoek, terwijl de

afmartelende, sidderende snik nu haar geheele lichaam doortrilde,

en de hamers klopten in hare slapen, tusschen hare oogen en in heur

nek. Zij schudde dat bonzend hoofd van links naar rechts, van rechts

naar links, maar de pijn vermeerderde met duizend kleine speldeprikken,

en zij richtte zich weêr op, en schreef verder, terwijl zij met haar

gebalde vuist op heur hoofd klopte. Zij kon geen afscheid nemen van

haar brief, die haar Otto zou doen verliezen, en zij schreef door,

telkens in herhalingen vervallende en telkens hem verzekerend,

dat zij zoo gelukkig met hem geweest was, dat zij leed nu zij hem

verloor, en dat het haar plicht was te schrijven. Dat denkbeeld van

plicht maakte zich, als iets romantisch, geheel van haar meester,

en zij schreef het telkens neêr: plicht, plicht... Maar ook dacht

zij dat, zoolang ze schreef, ze hem nog niet verloren had en er nog

iets tusschen hen was dat hen bond... Zoodra zij haar naam gezet zou

hebben, was het gedaan, voor altijd... En zij draalde dien naam te

zetten en herhaalde telkens hare arme zinnen:

"Dan vindt je iemand, die je waard is en belangeloos van je

houden zal, daar ben ik zeker van. Dan ben je gelukkig en

dan heb je mij vergeten... Maar o, vergeet me dan niet geheel

en al; vergeet dan alleen je liefde voor me, en denk dan nog

eens om me...

Hare geheele ziel golfde op in die laatste smeekklacht...

"Denk dan nog eens om me, zonder wrok en haat, en heb dan

nog wat medelijden met je arme Nily, die..."

--Ik kan niet, ik kan niet! gilde zij opeens, en vatte het papier,

nat van tranen, en bijna onleesbaar, op, om het te verscheuren, maar

zij zuchtte slechts diep... en zij eindigde snel en kort... Daarna

wischte zij haar gelaat af en schreef den brief over, een weinig

kalmer, nu zij niet meer te denken had, wat zij zou zeggen...

Toen een postzegel op eene enveloppe en het adres:

Den Hoog Welgeboren Heer

den Heere O. Baron Van Erlevoort ter Horze,

Lange Voorhout. Den Haag.

Daarop las zij den brief over. Hare smart verlevendigde zich dadelijk

bij de lezing dier wreede woorden, en nu zij slechts den brief had in

te sluiten, aarzelde zij nog ... Wilde zij dan haar Otto verliezen,

of... of wilde zij het eigenlijk niet? Neen, neen, zij wilde het niet,

maar zij moest het; het was haar plicht, haar plicht... En zij drukte

een langen kus op het papier, en sloot de enveloppe.

O, God, waarom moest zij leven, als er zulke smarten bestonden?

Zij stond op en staande tuurde zij naar den brief, als verwachtte zij,

dat die plotseling zichzelven zou vernietigen, zou verdwijnen. Maar

de brief bleef onbewogen en vierkant liggen, met het koele adres:

Den Hoog Welgeboren Heer... dat alleen nog zichtbaar was.

Eline zag even in den spiegel. Het was haar, of ze zichzelve niet

herkende, zulk een bleek, overtraand, bijna vermagerd gelaat staarde

haar toe, als een geest, met verwarde haren. Daarna belde zij tweemaal

en wachtte even, steeds turende naar den brief.

Er werd geklopt: Gerard trad binnen.

--Gerard, hoe laat is het?

Zij schrikte van haar klanklooze, schorre stem.

--Bij twaalven, juffrouw.

--Is meneer nog op?

--Meneer is in zijn kantoor; mevrouw is al naar bed en meneer

Vincent ook.

--Kan je even een brief voor me in de bus doen?

--Goed juffrouw.

--Nu dadelijk?

--Zeker juffrouw.

--Hier dan, maar dadelijk, wil je? Wanneer wordt de eerste bus gelicht,

morgenochtend?

--Ik geloof om acht uur, juffrouw.

--O... hier... maar dadelijk, wil je?

--Subiet, juffrouw.

Gerard ging, met den brief, en Eline bleef staan, bijna wezenloos. Zij

hoorde Gerard de trap afgaan, zij hoorde hem de zware voordeur achter

zich dichttrekken. Verder bleef het groote huis stil.

En een kille schrik vloeide als een ijskoud water Eline over de huid.

Gerard was nu op straat, nu bij dàt huis, nu bij dàt huis, nu naderde

hij de bus bij de Nassaulaan. En het was of zij den brief dof er

in hoorde vallen, een slag als van een doodkist, die neêrviel. Zij

was op het punt in onmacht te zinken, want het scheen in hare, door

hoofdpijn toegeschroefde, hersenen, dat tastbare verschrikkingen

als spoken haar omsingelden. En op eens, als ontwaakte zij uit een

nachtmerrie, besefte zij wat zij gedaan had, eene onherroepelijke

daad! Zij voelde nu haar geheele lichaam als in koorts sidderen en

hare vingers, hare lippen trilden. Morgen, morgen in den ochtend,

zou Otto den brief krijgen, dien brief...

O, God, het mocht niet, het kon niet zijn! Het was haar geluk, dat

zij met de beide handen van zich geslingerd had, omdat de rust van

dat geluk haar verveeld had! Het was haar geluk, dat zij nooit meer

herwinnen kon!

Het scheen haar, of het plafond op haar neêrzakte, of zij niet ademen

kon. En zij stortte wankelend naar de deur, haar kamer uit, het breede

portaal over, de slaapkamer van Betsy in.

--Mijn God... mijn God... Betsy...! Betsy! schreeuwde zij benauwd uit,

alsof een vuist haar worgde.

Betsy lag in bed, in de, slechts door een nachtlampje verlichte,

kamer en zij ontwaakte met een doodelijken schrik. Een verwarde

gedachte aan iets ontzettends, aan brand, aan moord rees bij haar op.

--Wie! Wat! Wat is dat? Wat is er, Eline?

--Ik.... o, God.... ach....

--Wat is er dan? Wat is er dan toch, Eline?

--Ik heb Otto.... ik.... heb Otto....

--Wat?

--Een brief.... gezonden....

--Een brief?

--Ik heb.... ik heb hem afgeschreven... ik heb het afgemaakt.... o God,

o God!

Betsy was uit het bed gesprongen en zij stond rillend voor Eline,

die op den vloer was gezegen en zich snikkend het gelaat, omwarreld

door het losgewoelde, kronkelende haar, bedekte.

--Wat zeg je? vroeg zij verpletterd.

Eline sprak niet meer en snikte slechts. De deur van Henks kantoortje

en van Bens kamer stonden beiden open, en Henk, die had zitten lezen,

kwam haastig aan.

--Wat is er? vroeg hij ongerust.

--Sluit Bens deur, Henk. Hij zal wakker worden! sprak Betsy bevend.

Henk sloot de deur.

--Eline heeft Otto geschreven, ze heeft het afgemaakt! vervolgde Betsy,

nog ontzet van verrassing.

Ook Henk bleef verpletterd staan, zonder te spreken, zonder Eline op

te beuren. Maar zij richtte heur afgemarteld hoofd op en, hare handen

wringend, ijlde zij bijna van smart:

--Ja, God, ik heb het gedaan... ik heb het nu eenmaal gedaan... Een

lange brief... En o, het is vreeselijk... het is vreeselijk, het is

vreeselijk, dat ik het gedaan heb... maar ik weet niet meer, wat ik

doe, ik weet niet meer, wat ik wil, ik weet niet meer of ik van hem

hoû, of dat ik niet van hem hoû, of dat ik van een ander hoû... ik weet

niets meer... En alles klopt hier en klopt hier in mijn hoofd!... Toen

heb ik het geschreven, omdat ik dacht, dat het mijn plicht was... Ik

zou hem ongelukkig gemaakt hebben... Maar het is wel vreeselijk, dat

ik het gedaan heb... Misschien had ik het niet moeten doen, misschien

had ik toch wel van hem kunnen houden... O God, ik wou, dat het nu maar

uit was, dat ik dood was, want ik kan niet meer, ik kan niet meer...

Dof en klankloos vielen de zinnen haar van de lippen, terwijl zij,

op den grond zittende, neêrzonk, hare handen wrong en heur hoofd

langzaam heen en weêr wreef over het tapijt.

Betsy zag Henk aan; wat zou zij doen? De geheime wrok, dien zij voor

hare zuster gevoelde, smolt voor het oogenblik weg in een groot

medelijden bij het aanschouwen van Eline's smart. En nu zij haar

man steeds wezenloos op Eline zag staren, werd zij geërgerd, dat hij

niets beters wist te doen. Zij stak het gas aan, en wierp zich een

peignoir om... en zij ontzette van Eline's veranderd gelaat, nu zij

stil en radeloos voor zich uit tuurde met hare roodgeschreide oogen,

de handen gevouwen op de knie....

--O, Elly!... Elly!... Hoe heb je het kunnen doen! sprak Henk dof en

hij dacht aan Otto.

Eline antwoordde niet en bewoog alleen het hoofd.

--O, mijn hersens barsten! murmelde zij flauw.

--Heb je pijn? vroeg Betsy.

--O.... kreunde Eline.

Betsy doopte een zakdoek in water en bette Eline's gelaat, hare slapen

en haar voorhoofd, waarvan zij het verwarde haar wegstreek.

Henk was eveneens gaan zitten. En hij wist niet wat hij zou doen,

wat hij zou zeggen; hij zag alleen Otto voor zich...

--Hoe heeft ze het kunnen doen? Hoe heeft ze het kunnen doen? dacht

hij slechts.

--Is het zoo beter? vroeg Betsy zacht.

Eline lachte schamper en minachtend.

--Beter... neen... maar het is toch wel koel... dat water...

--Wil je iets drinken?

--Dank je...

Zij snikte niet meer, maar steeds bleven de tranen vloeien. En

langzaam, wezenloos kijkend, sprak zij bijna onhoorbaar:

--O, niet te weten wat je doen zal... niet te weten wat je wil... en

dan zonder het te willen zoo iets doen ... Mijn arme man! en dan die

pijn.... o God... het is of ik gek word...

Betsy richtte op eens levendig het hoofd omhoog.

--Wil Henk morgen vroeg naar het Voorhout gaan en den brief

terugvragen, voordat hij hem gekregen heeft... bijvoorbeeld aan Willem

of de meid... zonder dat Otto er iets van merkt... zeg, Eline?

Eline zag haar dof aan.

--Ik weet het niet... ik weet het niet! murmelde zij, haar hoofd

schuddend.

--Toe, bedenk je nu!... drong Batsy aan.

--Ach neen, laat maar... het moet zoo! Het kan niet anders: het kan

nooit meer worden zooals het was...

Het was of Betsy en Henk dit begrepen; zij drongen niet verder en

Henk zuchtte.

--Laat me je dan uitkleeden en ga dan wat liggen op bed... wil ik

van nacht bij je blijven?

--Gaarne ... ach neen, het hoeft niet...

--Kom dan meê naar je kamer...

Zij voerde Eline als een kind mede en zij kleedde haar als een kind

uit, terwijl Eline's armen slap bleven hangen.

--O, mijn hoofd! kreunde Eline en zij viel in de kussens van haar

ledikant neêr. Betsy ontkleedde haar verder en zij dekte haar toe en

bette haar gelaat opnieuw met een natten doek.

--Toe, probeer nu wat te slapen... Er is voor het oogenblik niets aan

te doen... misschien komt later alles nog in orde. Henk kan altijd

nog gaan, morgenochtend...

Eline schudde het hoofd.

--Wil ik bij je blijven zitten?

Eline antwoordde niet en staarde met haar doffen blik. Betsy schoof

een der roode gordijnen toe en zette zich.

Zij spraken geen van beiden meer, en Betsy hoorde Eline slechts

zachtjes kreunen, achter het gordijn. Het witte nachtlampje gloeide

als een ster op de tafel en er glansden licht-weêrschitteringen in

het paneel van een kast, in den spiegel van de psyché, over de flacons

en coupes van het mousseline toilette-duchesse, terwijl overal groote

schaduwen roerloos lagen als donkere schimmen. Betsy huiverde in haar

peignoir; zij wilde denken, maar zij vermocht het niet te doen, want

telkens doemde het feit in haar op, dat Eline Otto geschreven had... De

tijd kroop langzaam voorbij, en Betsy hoorde het één uur, hoorde

het halftwee slaan in de keuken, onder Eline's slaapkamer... Toen

stierf het gekreun achter het roode gordijn weg ... Betsy stond op,

en zag er even achter; het scheen dat Eline sliep, zij lag roerloos

met gesloten oogen... Langzaam en voorzichtig verliet Betsy de kamer.

In haar eigen kamer zat Henk steeds, met het hoofd in de handen. Zij

gingen geen van beiden naar bed, en zij bleven fluisteren met elkaâr

en luisterden nu en dan aandachtig, of er zich iets in Eline's kamer

bewoog. Zij vreesden beiden voor iets, waarover zij niet spraken en

dat zich slechts in hunne gedachte afteekende als een vage angst...

--Cht! riep Betsy opeens, want Henk fluisterde nog en zij hoorde

iets. Beiden luisterden. In Eline's kamer klonk een hevig gesnik,

als van een ziel in wanhoop, hartstochtelijk en luid... Een kille

huivering overviel Betsy.

--Ik ben zoo bang...! stamelde zij met bevende stem.

Henk verliet zoo zacht mogelijk het vertrek en sloop het donkere

portaal over. De meiden, de knechts waren naar bed, het geheele huis

was donker. In Eline's zitkamer echter brandde het gas, waaraan zij

niet meer gedacht had. Henk zette zich er neêr en hij hoorde Eline

in de aangrenzende kamer... Zij snikte, snikte, zooals hij nooit

had hooren snikken, schor, krijschend, woest, als in een radelooze

smart; iedere snik moest haar pijnigen als een marteling en iedere

snik dreunde in zijn hoofd weêr; bij iederen snik wachtte hij op

de volgende.

Ten laatste verminderde het gesnik tot een zacht gesteun; toen hield

het op. Alles was stil. En de haren rezen Henk te berge... Een

doodelijke angst overviel hem in de tragische stilte, die nu het

groote huis doorgonsde... Hij stond op, hij was niet meer meester

van zichzelven, hij moest zekerheid hebben, hij moest zien... Toch

aarzelde hij een oogenblik Eline's slaapkamer binnen te gaan, maar

ook slechts een oogenblik; hij draaide de deur open en trad binnen.

Op het verwarde bed, in den rooden weêrschijn der gordijnen, lag

Eline in een verwrongen houding, omwoeld door heur haren en heur

verkreukeld nachtkleed. De dekens had zij van zich geworpen... En ook

nu scheen zij te slapen: zij lag ook niet roerloos, maar bewoog haar

hoofd, heur handen en een brekende ademhaling doorschokte, als met

electrischen schok, haar lichaam. Onder haar dichte oogen groefden

zich twee diepe, donkere kringen... Hij zag op haar neer en zijn mond

trilde van aandoening, bij het zien van dien smartelijken slaap. Zacht

spreidde hij de dekens over haar uit en hij voelde, dat zij kilkoud

was. Nog even bleef hij staren op dat in tranen verwelkte gelaat,

toen ging hij door het boudoir, waar hij het gas uitdraaide...

En die zelfde tragische stilte vervulde daarna geheel en al het

donkere huis, in dien nacht van smart en angst.

Hoofdstuk XXIII.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 109 / 188 题