Dien avond bleef zij lang op haar divan liggen, starende in het
donker. Ook Vincent wilde zij niet ontvangen en eindelijk stak
zijzelve het gas aan, deed de gordijnen dicht en zette zich aan haar
schrijftafeltje. Het moest.
Kalm begon zij te schrijven, telkens ophoudende en ieder woord
overlezende:
"Mijn beste Otto:
"Ik bid je, vergeef mij, maar het kan niet anders. Stel
jezelven de vraag of ik je gelukkig kan maken en of ik je
niet het leven tot een last zou doen zijn. Ik heb gedacht,
dat ik je gelukkig zou kunnen maken, en die gedachte, zal
ik me steeds herinneren, want zij is mijn grootste geluk
geweest. Maar nu..."
De tranen waren haar in de oogen geweld onder het neêrschrijven dier
woorden en op eens barstte zij in snikken uit en zij verscheurde het
papier. Zij was niet in staat hem zulk een leed te doen. O God, zij
kon niet! Maar wat dan? Die pijnigende verhouding laten voortduren,
tot de eene of andere catastrofe toch een scheiding veroorzaakte? Neen,
neen, dan was het nog beter in vriendschap elkander te verlaten met
een laatst weemoedig vaarwel! Maar zij had hem reeds zooveel verdriet
gedaan, zonder het te willen; zij verlangde hem voortaan zoo min
mogelijk verdriet te doen, en nu... O, dat zij toch zoo geslingerd
werd in zulk een strijd, alleen en verlaten, zonder iemand tot steun,
en zonder eigenlijk te weten wat zij wilde en wat haar plicht was! Zij
was er te zwak voor, voor zulk een strijd!
Maar zij nam toch een nieuw vel papier en schreef opnieuw:
"Mijn beste Otto!"
Eenige regels volgden daarop vlot, bijna gelijk aan het eerste begin,
dat zij verscheurd had. Maar hoe het hem verder te zeggen, hoe... Toch
vloog op eens haar pen over het papier, woest, met bijna onleesbare
letters, en in een hartstochtelijke, overspannen stijl...
"Ik verzeker het je, dat mijn hart breekt, nu ik je zoo
schrijf... nu ik je vragen moet... of het niet beter... was,
dat wij elkander niet meer vleien met de hoop... dat wij in
elkander ons geluk zouden vinden. Het is zoo wreed die vraag te
doen, omdat er zoo een heerlijke tijd is geweest, waarin we..."
Zij bleef doorschrijven, verloren in de wreede herinnering dier dagen,
terwijl een groote, sidderende snik haar borst telkens ophief als met
een marteling, en een, steeds toenemende hoofdpijn, zwaar als lood,
met tal van hamers in haar slapen klopte en heure hersenen in een
ijzeren band scheen samen te schroeven.
"Een heerlijke tijd is geweest, waarin we... zooveel van
elkander hielden... Ik verzeker je, dat ik onder dezen brief
lijd... als ik niet wist, dat een mensch lijden kon, maar ik
geloof, dat het mijn plicht is, en dat, zoo ik nu niet schreef,
ik je ongelukkig zou maken.
"Wij moeten elkaâr vergeten, wij moeten nooit meer aan
elkaar denken... Zoo zal het beter zijn, voor ons beiden,
vooral voor jou. O, wanneer ik nog hoop koesterde, dat ik
mij verbeteren kon en dat ik je nog waardig kon worden,
dan zou ik dit papier verscheuren, maar al mijn hoop is weg.
"Ik geloof wel, dat ik jou, mijn beste Otto, ook onder dezen
brief doe lijden, maar vergeef me die laatste smart, die
ik je aanbreng en vergeet me. Je bent zoo goed en zoo lief;
je vindt zeker later, als je me vergeten hebt, een meisje..."
Zij liet haar pen vallen en wierp zich, verbrijzeld van ziel, met
haar hoofd op de tafel, in haar doorweekten zakdoek, terwijl de
afmartelende, sidderende snik nu haar geheele lichaam doortrilde,
en de hamers klopten in hare slapen, tusschen hare oogen en in heur
nek. Zij schudde dat bonzend hoofd van links naar rechts, van rechts
naar links, maar de pijn vermeerderde met duizend kleine speldeprikken,
en zij richtte zich weêr op, en schreef verder, terwijl zij met haar
gebalde vuist op heur hoofd klopte. Zij kon geen afscheid nemen van
haar brief, die haar Otto zou doen verliezen, en zij schreef door,
telkens in herhalingen vervallende en telkens hem verzekerend,
dat zij zoo gelukkig met hem geweest was, dat zij leed nu zij hem
verloor, en dat het haar plicht was te schrijven. Dat denkbeeld van
plicht maakte zich, als iets romantisch, geheel van haar meester,
en zij schreef het telkens neêr: plicht, plicht... Maar ook dacht
zij dat, zoolang ze schreef, ze hem nog niet verloren had en er nog
iets tusschen hen was dat hen bond... Zoodra zij haar naam gezet zou
hebben, was het gedaan, voor altijd... En zij draalde dien naam te
zetten en herhaalde telkens hare arme zinnen:
"Dan vindt je iemand, die je waard is en belangeloos van je
houden zal, daar ben ik zeker van. Dan ben je gelukkig en
dan heb je mij vergeten... Maar o, vergeet me dan niet geheel
en al; vergeet dan alleen je liefde voor me, en denk dan nog
eens om me...
Hare geheele ziel golfde op in die laatste smeekklacht...
"Denk dan nog eens om me, zonder wrok en haat, en heb dan
nog wat medelijden met je arme Nily, die..."
--Ik kan niet, ik kan niet! gilde zij opeens, en vatte het papier,
nat van tranen, en bijna onleesbaar, op, om het te verscheuren, maar
zij zuchtte slechts diep... en zij eindigde snel en kort... Daarna
wischte zij haar gelaat af en schreef den brief over, een weinig
kalmer, nu zij niet meer te denken had, wat zij zou zeggen...
Toen een postzegel op eene enveloppe en het adres:
Den Hoog Welgeboren Heer
den Heere O. Baron Van Erlevoort ter Horze,
Lange Voorhout. Den Haag.
Daarop las zij den brief over. Hare smart verlevendigde zich dadelijk
bij de lezing dier wreede woorden, en nu zij slechts den brief had in
te sluiten, aarzelde zij nog ... Wilde zij dan haar Otto verliezen,
of... of wilde zij het eigenlijk niet? Neen, neen, zij wilde het niet,
maar zij moest het; het was haar plicht, haar plicht... En zij drukte
een langen kus op het papier, en sloot de enveloppe.
O, God, waarom moest zij leven, als er zulke smarten bestonden?
Zij stond op en staande tuurde zij naar den brief, als verwachtte zij,
dat die plotseling zichzelven zou vernietigen, zou verdwijnen. Maar
de brief bleef onbewogen en vierkant liggen, met het koele adres:
Den Hoog Welgeboren Heer... dat alleen nog zichtbaar was.
Eline zag even in den spiegel. Het was haar, of ze zichzelve niet
herkende, zulk een bleek, overtraand, bijna vermagerd gelaat staarde
haar toe, als een geest, met verwarde haren. Daarna belde zij tweemaal
en wachtte even, steeds turende naar den brief.
Er werd geklopt: Gerard trad binnen.
--Gerard, hoe laat is het?
Zij schrikte van haar klanklooze, schorre stem.
--Bij twaalven, juffrouw.
--Is meneer nog op?
--Meneer is in zijn kantoor; mevrouw is al naar bed en meneer
Vincent ook.
--Kan je even een brief voor me in de bus doen?
--Goed juffrouw.
--Nu dadelijk?
--Zeker juffrouw.
--Hier dan, maar dadelijk, wil je? Wanneer wordt de eerste bus gelicht,
morgenochtend?
--Ik geloof om acht uur, juffrouw.
--O... hier... maar dadelijk, wil je?
--Subiet, juffrouw.
Gerard ging, met den brief, en Eline bleef staan, bijna wezenloos. Zij
hoorde Gerard de trap afgaan, zij hoorde hem de zware voordeur achter
zich dichttrekken. Verder bleef het groote huis stil.
En een kille schrik vloeide als een ijskoud water Eline over de huid.
Gerard was nu op straat, nu bij dàt huis, nu bij dàt huis, nu naderde
hij de bus bij de Nassaulaan. En het was of zij den brief dof er
in hoorde vallen, een slag als van een doodkist, die neêrviel. Zij
was op het punt in onmacht te zinken, want het scheen in hare, door
hoofdpijn toegeschroefde, hersenen, dat tastbare verschrikkingen
als spoken haar omsingelden. En op eens, als ontwaakte zij uit een
nachtmerrie, besefte zij wat zij gedaan had, eene onherroepelijke
daad! Zij voelde nu haar geheele lichaam als in koorts sidderen en
hare vingers, hare lippen trilden. Morgen, morgen in den ochtend,
zou Otto den brief krijgen, dien brief...
O, God, het mocht niet, het kon niet zijn! Het was haar geluk, dat
zij met de beide handen van zich geslingerd had, omdat de rust van
dat geluk haar verveeld had! Het was haar geluk, dat zij nooit meer
herwinnen kon!
Het scheen haar, of het plafond op haar neêrzakte, of zij niet ademen
kon. En zij stortte wankelend naar de deur, haar kamer uit, het breede
portaal over, de slaapkamer van Betsy in.
--Mijn God... mijn God... Betsy...! Betsy! schreeuwde zij benauwd uit,
alsof een vuist haar worgde.
Betsy lag in bed, in de, slechts door een nachtlampje verlichte,
kamer en zij ontwaakte met een doodelijken schrik. Een verwarde
gedachte aan iets ontzettends, aan brand, aan moord rees bij haar op.
--Wie! Wat! Wat is dat? Wat is er, Eline?
--Ik.... o, God.... ach....
--Wat is er dan? Wat is er dan toch, Eline?
--Ik heb Otto.... ik.... heb Otto....
--Wat?
--Een brief.... gezonden....
--Een brief?
--Ik heb.... ik heb hem afgeschreven... ik heb het afgemaakt.... o God,
o God!
Betsy was uit het bed gesprongen en zij stond rillend voor Eline,
die op den vloer was gezegen en zich snikkend het gelaat, omwarreld
door het losgewoelde, kronkelende haar, bedekte.
--Wat zeg je? vroeg zij verpletterd.
Eline sprak niet meer en snikte slechts. De deur van Henks kantoortje
en van Bens kamer stonden beiden open, en Henk, die had zitten lezen,
kwam haastig aan.
--Wat is er? vroeg hij ongerust.
--Sluit Bens deur, Henk. Hij zal wakker worden! sprak Betsy bevend.
Henk sloot de deur.
--Eline heeft Otto geschreven, ze heeft het afgemaakt! vervolgde Betsy,
nog ontzet van verrassing.
Ook Henk bleef verpletterd staan, zonder te spreken, zonder Eline op
te beuren. Maar zij richtte heur afgemarteld hoofd op en, hare handen
wringend, ijlde zij bijna van smart:
--Ja, God, ik heb het gedaan... ik heb het nu eenmaal gedaan... Een
lange brief... En o, het is vreeselijk... het is vreeselijk, het is
vreeselijk, dat ik het gedaan heb... maar ik weet niet meer, wat ik
doe, ik weet niet meer, wat ik wil, ik weet niet meer of ik van hem
hoû, of dat ik niet van hem hoû, of dat ik van een ander hoû... ik weet
niets meer... En alles klopt hier en klopt hier in mijn hoofd!... Toen
heb ik het geschreven, omdat ik dacht, dat het mijn plicht was... Ik
zou hem ongelukkig gemaakt hebben... Maar het is wel vreeselijk, dat
ik het gedaan heb... Misschien had ik het niet moeten doen, misschien
had ik toch wel van hem kunnen houden... O God, ik wou, dat het nu maar
uit was, dat ik dood was, want ik kan niet meer, ik kan niet meer...
Dof en klankloos vielen de zinnen haar van de lippen, terwijl zij,
op den grond zittende, neêrzonk, hare handen wrong en heur hoofd
langzaam heen en weêr wreef over het tapijt.
Betsy zag Henk aan; wat zou zij doen? De geheime wrok, dien zij voor
hare zuster gevoelde, smolt voor het oogenblik weg in een groot
medelijden bij het aanschouwen van Eline's smart. En nu zij haar
man steeds wezenloos op Eline zag staren, werd zij geërgerd, dat hij
niets beters wist te doen. Zij stak het gas aan, en wierp zich een
peignoir om... en zij ontzette van Eline's veranderd gelaat, nu zij
stil en radeloos voor zich uit tuurde met hare roodgeschreide oogen,
de handen gevouwen op de knie....
--O, Elly!... Elly!... Hoe heb je het kunnen doen! sprak Henk dof en
hij dacht aan Otto.
Eline antwoordde niet en bewoog alleen het hoofd.
--O, mijn hersens barsten! murmelde zij flauw.
--Heb je pijn? vroeg Betsy.
--O.... kreunde Eline.
Betsy doopte een zakdoek in water en bette Eline's gelaat, hare slapen
en haar voorhoofd, waarvan zij het verwarde haar wegstreek.
Henk was eveneens gaan zitten. En hij wist niet wat hij zou doen,
wat hij zou zeggen; hij zag alleen Otto voor zich...
--Hoe heeft ze het kunnen doen? Hoe heeft ze het kunnen doen? dacht
hij slechts.
--Is het zoo beter? vroeg Betsy zacht.
Eline lachte schamper en minachtend.
--Beter... neen... maar het is toch wel koel... dat water...
--Wil je iets drinken?
--Dank je...
Zij snikte niet meer, maar steeds bleven de tranen vloeien. En
langzaam, wezenloos kijkend, sprak zij bijna onhoorbaar:
--O, niet te weten wat je doen zal... niet te weten wat je wil... en
dan zonder het te willen zoo iets doen ... Mijn arme man! en dan die
pijn.... o God... het is of ik gek word...
Betsy richtte op eens levendig het hoofd omhoog.
--Wil Henk morgen vroeg naar het Voorhout gaan en den brief
terugvragen, voordat hij hem gekregen heeft... bijvoorbeeld aan Willem
of de meid... zonder dat Otto er iets van merkt... zeg, Eline?
Eline zag haar dof aan.
--Ik weet het niet... ik weet het niet! murmelde zij, haar hoofd
schuddend.
--Toe, bedenk je nu!... drong Batsy aan.
--Ach neen, laat maar... het moet zoo! Het kan niet anders: het kan
nooit meer worden zooals het was...
Het was of Betsy en Henk dit begrepen; zij drongen niet verder en
Henk zuchtte.
--Laat me je dan uitkleeden en ga dan wat liggen op bed... wil ik
van nacht bij je blijven?
--Gaarne ... ach neen, het hoeft niet...
--Kom dan meê naar je kamer...
Zij voerde Eline als een kind mede en zij kleedde haar als een kind
uit, terwijl Eline's armen slap bleven hangen.
--O, mijn hoofd! kreunde Eline en zij viel in de kussens van haar
ledikant neêr. Betsy ontkleedde haar verder en zij dekte haar toe en
bette haar gelaat opnieuw met een natten doek.
--Toe, probeer nu wat te slapen... Er is voor het oogenblik niets aan
te doen... misschien komt later alles nog in orde. Henk kan altijd
nog gaan, morgenochtend...
Eline schudde het hoofd.
--Wil ik bij je blijven zitten?
Eline antwoordde niet en staarde met haar doffen blik. Betsy schoof
een der roode gordijnen toe en zette zich.
Zij spraken geen van beiden meer, en Betsy hoorde Eline slechts
zachtjes kreunen, achter het gordijn. Het witte nachtlampje gloeide
als een ster op de tafel en er glansden licht-weêrschitteringen in
het paneel van een kast, in den spiegel van de psyché, over de flacons
en coupes van het mousseline toilette-duchesse, terwijl overal groote
schaduwen roerloos lagen als donkere schimmen. Betsy huiverde in haar
peignoir; zij wilde denken, maar zij vermocht het niet te doen, want
telkens doemde het feit in haar op, dat Eline Otto geschreven had... De
tijd kroop langzaam voorbij, en Betsy hoorde het één uur, hoorde
het halftwee slaan in de keuken, onder Eline's slaapkamer... Toen
stierf het gekreun achter het roode gordijn weg ... Betsy stond op,
en zag er even achter; het scheen dat Eline sliep, zij lag roerloos
met gesloten oogen... Langzaam en voorzichtig verliet Betsy de kamer.
In haar eigen kamer zat Henk steeds, met het hoofd in de handen. Zij
gingen geen van beiden naar bed, en zij bleven fluisteren met elkaâr
en luisterden nu en dan aandachtig, of er zich iets in Eline's kamer
bewoog. Zij vreesden beiden voor iets, waarover zij niet spraken en
dat zich slechts in hunne gedachte afteekende als een vage angst...
--Cht! riep Betsy opeens, want Henk fluisterde nog en zij hoorde
iets. Beiden luisterden. In Eline's kamer klonk een hevig gesnik,
als van een ziel in wanhoop, hartstochtelijk en luid... Een kille
huivering overviel Betsy.
--Ik ben zoo bang...! stamelde zij met bevende stem.
Henk verliet zoo zacht mogelijk het vertrek en sloop het donkere
portaal over. De meiden, de knechts waren naar bed, het geheele huis
was donker. In Eline's zitkamer echter brandde het gas, waaraan zij
niet meer gedacht had. Henk zette zich er neêr en hij hoorde Eline
in de aangrenzende kamer... Zij snikte, snikte, zooals hij nooit
had hooren snikken, schor, krijschend, woest, als in een radelooze
smart; iedere snik moest haar pijnigen als een marteling en iedere
snik dreunde in zijn hoofd weêr; bij iederen snik wachtte hij op
de volgende.
Ten laatste verminderde het gesnik tot een zacht gesteun; toen hield
het op. Alles was stil. En de haren rezen Henk te berge... Een
doodelijke angst overviel hem in de tragische stilte, die nu het
groote huis doorgonsde... Hij stond op, hij was niet meer meester
van zichzelven, hij moest zekerheid hebben, hij moest zien... Toch
aarzelde hij een oogenblik Eline's slaapkamer binnen te gaan, maar
ook slechts een oogenblik; hij draaide de deur open en trad binnen.
Op het verwarde bed, in den rooden weêrschijn der gordijnen, lag
Eline in een verwrongen houding, omwoeld door heur haren en heur
verkreukeld nachtkleed. De dekens had zij van zich geworpen... En ook
nu scheen zij te slapen: zij lag ook niet roerloos, maar bewoog haar
hoofd, heur handen en een brekende ademhaling doorschokte, als met
electrischen schok, haar lichaam. Onder haar dichte oogen groefden
zich twee diepe, donkere kringen... Hij zag op haar neer en zijn mond
trilde van aandoening, bij het zien van dien smartelijken slaap. Zacht
spreidde hij de dekens over haar uit en hij voelde, dat zij kilkoud
was. Nog even bleef hij staren op dat in tranen verwelkte gelaat,
toen ging hij door het boudoir, waar hij het gas uitdraaide...
En die zelfde tragische stilte vervulde daarna geheel en al het
donkere huis, in dien nacht van smart en angst.
Hoofdstuk XXIII.