VI.

Er waren een paar weken voorbij gegaan en schijnbaar was alles als

vroeger geweest. Vincent was dikwijls gaan toeren met Betsy en Eline en

voelde zich betrekkelijk gezond. Betsy zelve had echter Eline's woorden

niet vergeten en zij voedde een stillen wrok tegen hare zuster. Zoo

ging het... als je te lief was, zou je op het laatst niets meer te

zeggen hebben in je eigen huis, een ziekelijke, akelige neef, terwille

van wien de grootste onaangenaamheden oprezen en een zuster, die je

in huis hadt opgenomen en die langzamerhand ongenietbaar werd! Zij

werden met hun beiden de eigenlijke meesters, zij verstoorden de rust

en de gezelligheid in haar, vroeger zoo prettig, interieur, maar--zij

beloofde het zich!--het zou niet lang duren! Als Eline getrouwd was,

ging zij, Betsy, met Henk en Ben op reis en Vincent de deur uit,

om er nooit meer in te komen! Ze zou wel eens willen zien, dat hij

er nog eens inkwam: al lag hij stervende voor haar deur, ze zou hem

laten liggen, ja, daarin zou ze Eline gelijk geven!

Eline zelve gevoelde zulk diep berouw om haren uitval tegen Otto,

dat zij al haar bekoring verzamelde om alles te doen vergeten. En

omdat Otto gaarne wilde vergeten en gaarne nog wilde hopen, slaagde

zij een weinig. Maar er was iets gescheurd, dat gescheurd bleef. Want

Otto zag het in: ieder kon wel eens driftig zijn en in die drift

woorden zeggen, die men daarna ongezegd wenschte, en Eline's woorden

schenen hem, nu hun eerste krenking geheeld was, zelfs niet meer zoo

vreeselijk toe, alleen... hij drong verder in hun diepere bekentenis,

en toen vond hij, dat als Eline hem lief had gehad, zooals hij dacht

dat zij deed,--een weinig uit egoïsme: niet zoozeer om hem als wel

om haarzelve en omdat zij geluk en rust in hem vond,--zij nooit

zulke woorden had gesproken. Zij had dan wel driftig kunnen zijn, om

Vincent of om wien ook, maar zij had haar drift anders geuit. Hij zag

het in: zij had hem niet lief om zichzelve, want zijn kalmte stilde

haar niet meer, ergerde haar integendeel; zij had hem ook niet lief

om hemzelven, dat nooit; zij dwong zich nog lief tegen hem te zijn,

uit medelijden! Al zijn fierheid richtte zich gegriefd op, toen hij

dit doorzag en een oogenblik dacht hij er aan haar heur medelijden in

het gezicht te werpen, zooals zij hem zijn kalmte in het gezicht had

geworpen, maar hij kon niet, hij had er haar te lief voor, en hij kon

zichzelven dien slag niet toebrengen. Hij bukte zich dus onder haar

medelijden als onder een laatste weldaad, die hem nog iets deed hopen,

die hem nog een restje van zijn vroeger geluk gunde, en... toch wist

hij, dat het gedaan was.

Dat het gedaan was, hij zag het in de zachte koudheid, waarmede

zij hem ontving, nadat zij met haar bekoring er in geslaagd was

hem een weinig de krenking te doen vergeten; hij zag het in de kille

onverschilligheid, waarmede zij zijn lippen haar voorhoofd liet kussen;

hij zag het in de haast, waarmede zij zich terugtrok als hij haar

omhelsde; hij zag het in haar melancholiek zwijgen, in alles. En hij

zag voor het eerst, hoe vol haar blik op Vincent rustte, en hoe zij,

al was hij nu genezen, nog tal van oplettendheden voor hem had. Hij

wilde daar niet verder in doordringen; dàt kon niet zijn....

Zijzelve gevoelde zich diep ongelukkig, want zij wist, dat zij zich

niet dwingen kon Otto te blijven liefhebben, en zij stierf bijna van

smart onder het verwijt van zijn weemoedigen blik. Zij wist, dat zij

overwonnen was. En op een middag bleef zij boven en liet zij door Mina

weten, dat zij ziek was en niet beneden kwam. Hij vroeg of hij op

heure kamer mocht komen zien, maar zij liet antwoorden, dat zij moê

was en behoefte had aan rust... En er teekende zich al duidelijker

en duidelijker een voornemen in haar geest af: zij moest het doen,

zij was het zijn geluk en het hare verplicht. Ook den volgenden dag

ontving zij hem niet; hoewel Henk er zeer bij haar op aandrong,

schudde zij slechts langzaam heur hoofd: zij kon het niet doen,

zij was ziek. Reijer? Dien had ze niet noodig.

En zij bleef boven, terwijl hij beneden at met Betsy, Vincent en Henk

en vroeg wegging.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 108 / 188 题