V.

Otto was in den salon gaan zitten en hij tuurde op den grond met

starende, vochtige oogen, toen Henk binnenkwam.

Hij bespeurde een enkelen traan in Otto's blik, en in Henks gewone

soezige goedheid begon iets te koken.

--Erlevoort! sprak hij en legde de hand op Otto's schouder. Otto

richtte het hoofd op.

--Erlevoort! Kom kerel, wees een man! Zusje is wel eens een lastig

zeilschip, maar ze is niet kwaad! Je moet je niet aantrekken, wat ze

tegen je gezegd heeft, hoor. Ze was alleen maar boos op Betsy, omdat

ze nog al van Vincent houdt, en toen is het van den weêromstuit op

jou neêrgekomen. Maar je moet het je niet aantrekken. Daar straf je

haar het meest meê.

Otto antwoordde niet en bleef zitten, zooals hij zat; er was een te

groote vertwijfeling in zijn ziel gezonken, dan dat Henks goedigheid

hem zou kunnen opbeuren. Hij dacht er aan, hoe hij Eline eens gezegd

had, dat zij maar éen fout had, dat zij zichzelve niet kende, dat

zij schatten in zich liet sluimeren, dat hij haar wekken zou uit die

sluimering, maar nu zag hij in, dat hij het niet vermocht, dat hij

slechts ergernis in haar wekte, en.... dat zij dol werd en stikte.

--Ze kan soms vervloekt driftig worden! ging Henk voort, terwijl hij

door den salon loopend, en innerlijk woedend, eenige troostredenen

poogde te verzamelen. Maar als ze iemand heeft, waar ze van houdt,

en waar ze tegen opziet, dan laat ze zich leiden, en dan.... Wil ik

haar gaan opzoeken en eens met haar praten?

--Ik... zou haar... maar laten! bracht Otto met moeite uit. Ik denk

wel, dat ze zelve....

Hij trachtte zich in haar te denken, en te raden hoe zij zich nu

gevoelde, en waar zij was. Maar hij kon geen logischen gedachtenloop

volgen, want hij leed nog te zeer onder haar slag. Hij had haar nog

nooit zulke woorden hooren spreken, met die krijschende, schreeuwende

stem; hij had nog nooit zoo haar gelaat, tot leelijkheid toe,

verwrongen gezien door haar drift... En hoe hij ook trachtte te denken

en te raden, hij kon het niet, in die eene groote, martelende smart,

die hem overal doorvlijmde.

Zijn ineengezonken, troostelooze houding deed Henk pijn. En het was

Henk eensklaps, alsof zich iets in hem staalde. Hij zou het niet

dulden, dat Eline Otto, dien hij zoo hoog stelde, zoo straffeloos

verguisde; hij zou het niet dulden. Er was iets veêrkrachtigs in zijn

zwaren stap, nu hij den salon verliet. Op de trap ontmoette hij Betsy,

die naar beneden ging.

--Waar is Eline? vroeg hij.

Betsy zag hem even aan, verrast door zijn beslisten toon.

--Ik weet het niet, antwoordde zij droog.

Henk steeg verder de trap op en trad Eline's boudoir in. Hij vond

er niemand, daar Vincent, moede van zijn eersten toer, zich reeds

in zijn slaapkamer had teruggetrokken, onbewust van den storm, die

beneden gewoed had. En Henk klopte aan de tusschendeur.

--Eline! riep hij.

Er klonk geen antwoord en hij draaide kalm den knop om. Op den grond,

bijna in het donker, lag Eline, haar tenger lichaam geschokt door een

onhoorbaren snik en het gelaat verborgen in de, in elkaar gewrongen,

handen. Hij bleef even wachten, maar zij richtte zich niet op.

--Eline, sta op! sprak hij kort, bijna bevelend.

Woest hief zij zich omhoog en woest krijschte zij:

--Wat is er? Wat moet je hier in mijn kamer? Ga weg.

--Sta op.

--Ik wil niet, ga weg, ga weg! Ik zeg je, ga weg!

Hij boog zich en vatte haar bij de polsen, vol van een drift, die al

zijn bloed naar zijn gelaat joeg. Hij deed haar pijn en zij slaakte

een kreet.

--Vervloekt! Sta je op? siste hij tusschen zijn tanden, bijna niet

meer meester van zijn woede, terwijl hij haar woest omhoog trok.

Zij schrikte van zijn bloedrood gezicht, van zijn sissende stem en

zijn vloek. Wankelend liet zij zich omhoog trekken.

--Wat wil je? vroeg zij nogmaals, maar nu kalmer, schijnbaar hoogmoedig

in haar schrik.

--Dat zal je hooren. Ik wil, dat je oogenblikkelijk, oogenblikkelijk,

versta je? naar Erlevoort gaat, en hem vergiffenis vraagt. Je weet

misschien niet meer, wat je geraaskald hebt in je dolle drift, maar

je hebt hem beleedigd, beleedigd. Ga, dadelijk!

Zij zag hem ontsteld, met open mond aan. Zij huiverde van zijn beslist

bevel en kromp bijna ineen van angst, terwijl hij, in het halfdonker,

zoo hoog en breed met zijn forsche gestalte, haar de deur wees.

--Je vindt hem beneden in den salon. Ga je haast?

Zij sidderde van vrees, maar zij wilde hem niet laten zegevieren.

--Ik wil niet!

--Als je niet wilt, sleur ik je de trappen af tot je voor zijn voeten

ligt, ik verzeker je, dat ik het doe, ik verzeker het je! siste hij

lettergreep voor lettergreep haar in het gelaat.

Zij deinsde gekrenkt achteruit.

--Henk! riep zij, ontsteld, dat hij zoo iets tegen haar durfde zeggen.

--Ga je?

--Ja.... ja, ik ga, ik ga, maar.... Henk! O spreek niet zoo tegen

me, spreek niet zoo tegen me!... Waarom? God! Ik ben immers al zoo

diep ongelukkig!

--Dat is je eigen schuld, dat maak je jezelve, maar dat is daarom

nog geen reden, dat je het een ander hoeft te maken, vooral niet

Erlevoort...

--Ja, ja, je hebt gelijk! snikte zij nu, gebroken. Ik zal gaan,

maar ga met me meê, ga met me meê, Henk....

Hij ondersteunde haar, terwijl hij haar de kamer uitbracht en de trap

afleidde. Zij schrikte echter, toen zij den salon binnentrad. Er was

niemand anders dan Otto, die, met het hoofd in de hand, op de canapé

zat. Maar in de tweede kamer der suite zag zij Betsy en Gerard,

die het theeblad juist had binnengebracht. Zelfs toen de knecht

vertrokken was, draalde zij nog, maar Henk zag haar aan, en zij

durfde niet meer dralen; zij wilde ook niet meer dralen, toen zij

Otto zoo stil wanhopig zag. Zij stortte op hare knieën voor hem neêr

en wilde iets zeggen, maar vermocht geen woorden te uiten, zoo hevig

snikte zij, nu niet meer gedwongen, met een onhoorbaar droog gehik,

maar geheel natuurlijk, wegsmeltende in een vloed van tranen. Zij

legde haar bonzend, gloeiend hoofd op zijn knieën en zij zocht zijne

hand te vatten en snikte, snikte....

Ook hij sprak niet en zag haar diep in de oogen.

En ten laatste bracht zij het met moeite uit, terwijl Henk als een

rechter naast haar bleef staan....

--Vergeef me, Otto, vergeef me, vergeef me....

Hij knikte haar langzaam en zacht toe, nog niet getroost door haar

berouw daar hij wist, dat het niet worden zou, als hij het zich had

voorgesteld, maar hij bukte zich, trok haar naar zich toe en kuste

haar voorhoofd.

--Vergeef me, toe Otto, vergeef me, o vergeef me.... Hij strengelde

zacht zijn arm om haar heen en drukte haar even aan zijn borst,

terwijl zij snikken bleef, en hij sloot de oogen om een paar tranen

tegen te houden, die hij niet kon bedwingen, en die tusschen zijn

geloken oogleden afdrupten. Want hij wist het; het was gedaan....

Na een half uurtje ging hij dien avond weg, een weinig somber, hoewel

Henk hem op den schouder klopte en hem joviaal vroeg nog te blijven,

nu alles weêr in orde was. Van Eline nam hij weemoedig glimlachend

afscheid. Eline vroeg daarna ook Betsy vergiffenis, in tegenwoordigheid

van Henk. Betsy knikte haar toe met een knikje, dat het goed was en

zweeg. Maar in haar oogen flikkerde bijna een blik van haat, terwijl

zij Eline nastaarde, die verpletterd wegging. Toch, toen Henk haar

daarna vertelde, hoe hij Eline gedwongen had tot Erlevoort te gaan,

zagen die zelfde oogen Henk bijna bewonderend aan.... nooit had zij

gedacht dat haar man sterker dan Eline zou blijken, als Eline zich

tot een strijd had opgewonden.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 107 / 188 题