IV.

Betty sidderde van woede en zij wilde Eline naloopen. Otto hield haar

echter tegen.

--Ik bid je... laat haar! smeekte hij.

Ook Henk was opgestaan en toen Gerard binnentrad, gevoelden zij zich

alle drie verlegen voor den knecht over het plotseling afgebroken

diner, over de glazen, die in scherven lagen.

--Laat maar.... laat maar, Gerard, sprak Betsy bijna deemoedig. Laat

maar, neem maar af.

Het was hun onmogelijk eene houding aan te nemen: het kon niet anders

of Gerard begreep, dat er iets was voorgevallen, al bleef zijn gelaat

ook strak en deftig.

Eline intusschen was de trap opgevlogen en stortte haar boudoir in,

maar eensklaps schrikte zij: zij had vergeten, dat Vincent er was en

zij deinsde terug in de geopende deur, Intusschen was het toch te laat,

maar... Vincent sliep nog, terwijl zijn middagmaal onaangeroerd op een

tafeltje naast den divan stond. Vincent sliep en Eline gevoelde een

wreede, romantische voldoening, dat zij voor hem zoo gestreden had

tegen Betsy, tegen Otto.... Toch wilde zij hem niet wakker maken,

en, de deur sluitend, sloop zij in hare slaapkamer en wierp zich

op haar bed. Hare snikken waren eensklaps opgehouden en zij was

wanhopig, dat zij niet weenen kon. Hare eenzaamheid, de kalmte om

haar heen goten een koud bad uit over hare geprikkelde zenuwen, en

hoewel zij zich hare woorden niet goed herinnerde, meende zij toch

vreeselijke dingen gezegd te hebben vooral tegen Otto... Waarom had

zij dat gedaan? Waarom was zij zoo tegen hem uitgevaren? Ter wille

van Vincent? Ter wille van zichzelve, omdat zijne bedaardheid haar

ergerde? Zij wist niet meer waarom; alles warde in haar brein door

elkaâr en zij schudde haar hoofd op het kussen heftig heen en weêr,

als om dat gewar te doen bedaren.... Ja, zij dacht, ze had zeker zoo

gesproken om Vincent, die niemand op de wereld had dan haar en zijn

vriend, die ver was.... Zij had medelijden met Vincent, maar.... had

zij dan niet meer medelijden met Otto? Had zij zich dàt voorgenomen,

zich zoo aan hare passies over te geven, als zij zooeven gedaan

had? Was dát dan de wilskracht, waarmede zij zich had willen dwingen,

willen dwingen van Otto te blijven houden, omdat zij hem en zichzelve

ongelukkig zou maken, wanneer zij niet meer van hem hield? Vroeger, op

de Horze--wat scheen dat lang geleden!--vroeger had zij nooit, nooit

ook maar de minste oneenigheid met Otto gehad, en nu, nu had zij hem

hare ziedende verwijtingen in het gelaat gegooid, en had zij... o God,

waarom? Waarom moest zij dat gedaan hebben; zou Vincent zeggen, dat

dit ook onvermijdelijk was voorbeschikt door een keten van andere,

zich aaneenschakelende, onvermijdelijkheden...? Maar wat was dan

het leven? Wat was dan een mensch? Een willooze speelbal, die door

het noodlot her- en derwaarts geslingerd werd? Zij had gewild; zij

wist het zeker, zij had zich willen dwingen, maar zij was zwakker

dan haar noodlot en nu... wist zij het... nu was het uit! Het was

gedaan... voor altijd; zij was overwonnen.

Langzaam begon zij te weenen en zij was blijde, dat zij het doen kon,

en zij dwong zich al heviger en heviger te snikken... toch mocht

Vincent het niet hooren... Het werd donker; daar hoorde zij Vincent

loopen in de aangrenzende kamer daar zag zij een straal van licht

door de reet der deur glijden, maar zij bleef liggen, en zij wrong

hare handen en liet de snikken steeds haar boezem schokken.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 106 / 188 题