III.

Vincent at dien middag nog niet aan tafel. Betsy vertelde aan Otto

van den brief uit Amerika; Vincent zou nu een betrekking krijgen,

in New-York....

--En wanneer denkt hij te gaan?

--Zoodra hij beter is. Ik zal God danken, als hij weggaat.

Eline vermocht haar zelfbeheersching niet meer te bewaren.

--Reijer zegt, dat hij er in de eerste weken nog niet aan denken

moet! zeide zij vinnig, met een woedenden blik op Betsy. Maar

natuurlijk...

--Wat natuurlijk?

--Als je het niet voor je fatsoen liet, zou je hem, ziek als hij is,

op straat zetten...

--Als ik kon, dan ja, zou ik het zeker doen. En het is eens voor al:

hij komt nooit meer bij me aan huis... Ik heb nooit iemand gezien,

die zoo indiscreet blijft hangen.

--Maar Betsy.... als hij toch bijna stervende is! riep Eline, trillend

van woede.

--Ach gekheid!

--Wat gekheid? Als je hem zag, zooals ik hem zie! krijschte zij.

--Ach toe, Eline, laten we niet kibbelen over Vincent. De heele

jongen kan me niets schelen. Je maakt er een melodrama van. Stel je

toch niet zoo aan.

--Ja, "stel je toch niet zoo aan!" Daarmeê wordt je altijd

doodgeslagen, als je het minste gevoel toont... Jij, jij hebt geen

hart, jij...

--Eline! sprak Otto zacht.

Gerard, de knecht, bracht de vleeschschaal binnen. Er heerschte een

pijnlijke stilte.

--Je vergeet de jus, Gerard, zeide Betsy kort. Gerard ging.

--Jij... jij zou een mensch kunnen vertrappen, als hij je maar een

voetbreed in den weg lag, als hij je maar zooveel hinderde in je

plat egoïsme! Je denkt om niets dan om jezelve, en je begrijpt niet,

dat niet iedereen zoo laag is als jij en....

--Eline! sprak Otto nogmaals, terwijl Gerard voor de tweede maal

binnentrad met een sauskom.

--Ach wat! "Eline! Eline!" Qu'est ce que me fait cet homme! Betsy

ne veut pas le voir... mais je t'assure, que Vincent se meurt... Il

s'est endormi dan ma chambre, pâle comme un linge et essoufflé par

la fatigue, que lui a causé cette stupide promenade, recommandée

par Reijer... Et c'est pour cela, que je ne veux pas souffrir, qu'on

l'accuse d'indiscrétion et de tout cela... S'il ne fût pas si malade

il ne resterait pas longtemps chez nous... j'en suis sûre...!

Zij sprak driftig, met vlammende oogen, en de Fransche woorden vielen

van haar lippen, scherp en vlijmend als naalden, hoogmoedig en trotsch.

Ook Betsy kookte van woede, terwijl Gerard verdween, maar zij

antwoordde niet en hield zich in. Henk kon een zucht niet onderdrukken.

--Nily-lief, sprak Otto. Ik draag Vincent geen kwaad hart toe, hoewel

ik geen sympathie voor hem voel, maar ik zal toch ook blij zijn,

als hij weg is.

--Zoo... jij ook al...! snauwde zij hem toe.

--Mag ik uitspreken? vervolgde hij, hare ijskoude hand omknellend. Ik

zal het ten minste zijn, als zijn tegenwoordigheid en zijn ziekte in

staat zijn je zoo op te winden en uit jezelve te brengen, als op het

oogenblik. Je weet niet meer wat je zegt, Nily, minstens niet op wat

een toon je spreekt.

Zijne kalme woorden maakten haar razend.

--En jij... jij... jij met je eeuwige kalmte, je eeuwige laconieke

kalmte! barstte zij bijna gillend uit, terwijl zij van tafel opstond

en haar servet neêrsmeet. Ik word er dol onder... onder die kalmte! O,

God, ik word er dol onder! Betsy verplettert me onder haar egoïsme,

en jij onder je kalmte, onder je kalmte, onder je kalmte, onder je

kalmte! Ik, ik... ik kan het niet meer uithouden... ik stik er onder!

--Eline! riep Otto.

Hij rees op en hij omklemde hare polsen, en zag haar vlak in de

oogen. Zij verwachtte iets vreeselijks; zij verwachtte, dat hij haar

op den grond zou neêrgooien, dat hij haar zou slaan... Maar hij

schudde slechts langzaam, terwijl hij haar vasthield, zijn hoofd,

en zijne stem klonk diep bedroefd, toen hij eenvoudig zeide:

--Eline!... Foei!

--O God! O God! Ik word... Ik word krankzinnig! schreeuwde zij in een

vlaag van snikken, en ze rukte zich los uit zijn greep, en stortte

zich de kamer uit, terwijl zij in haar vaart eenige glazen van de

tafel sleepte die rinkelend in scherven vielen ...

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 105 / 188 题