II.

Toen Eline den volgenden morgen wakker werd, was zij betrekkelijk

kalm. Zij was moe en had een weinig hoofdpijn, maar heur ellende bleef

haar alleen bij als de herinnering aan een somberen droom, omdat zij er

zich niet in verdiepte... zij huiverde dit te doen. Neen, zij zou nu

weêr zichzelve worden; zij zou zich nooit meer laten medesleepen door

zulke afschuwelijke nachtmerries, die haar alleen in een afgrond van

smart wilden storten, omdat zij niet sliep... Het was niets dan dat:

ze was onwel, ze sliep slecht, en in die slapelooze, stille nachten

rezen dan al die spooksels op... zij zou met dokter Reijer spreken

over hare insomnies; o, zij voelde zich verlucht en verruimd, nu zij,

na nog een weinig te zijn ingedommeld, het vale daglicht door de

gordijnen zag schemeren. Zij stond vroeg op, stoeide beneden met Ben,

bracht als naar gewoonte Vincent zijne chocolade en zijn kadetje,--eene

oplettendheid, die zij nooit aan Mina overliet--en zij zag met Betsy

de catalogussen en de stalen na... Zooveel fijne tafellakens, zooveel

fijne servetten van zooveel, en dan gewone, voor iederen dag, van

zooveel... en nog van die beeldige sloopen met geborduurde letters

van zooveel; die waren niet duur in de Louvre: Betsy moest bedenken,

ze behoorde nu goed op de dubbeltjes te gaan letten... En dan, in

dien anderen catalogus, van die aardige theedoekjes...

Intusschen dwarrelden haar gedachten verstrooid heen en weêr, en diep

in haar ziel bleef eene somberheid liggen, als een zwarte modder op

den grond van een meer, schijnbaar onbewogen en blauw. Toch spande

zij al hare zielskracht in en Betsy merkte onder de beraadslagingen

niets. Daarna ging Eline naar boven, naar Vincent; zij wilde hem een

grooten brief brengen, die voor hem gekomen was.

Hij lag als steeds in zijn Turkschen chambercloak op den divan. Toch

kwam hij langzamerhand bij: Dokter Reijer had hem zelfs verklaard,

dat hij nu een kleine wandeling zou kunnen maken, maar zijne rust

was hem te lief geworden en hij had beweerd, dat hij nog te zeer

tegen een wandeling opzag. Nu Eline binnenkwam, knikte hij haar

vriendelijk toe; hij was verwend door hare duizenden kleine zorgen

en was er haar dankbaar voor en deze dankbaarheid ontstak in zijn

dof oog een vriendelijken gloed, dien Eline voor liefde aanzag.

Zij reikte hem den brief en vroeg hoe hij het maakte.

--Goed... zoo langzamerhand beter en beter! sprak hij mat, maar hij

richtte zich eensklaps vlug op en scheurde de enveloppe open... Eline

wilde zich aan de piano zetten.

--Zoo, eindelijk dan! hoorde zij Vincent bijna verheugd uitroepen.

Zij keek hem vragend aan en daar een portret in kabinetformaat uit

de enveloppe gevallen was, raapte zij het op.

--Het is uit New-York, van Lawrence St. Clare! sprak Vincent, den brief

vlug doorlezend. Hij heeft iets voor mij gevonden..! aan het zelfde

handelshuis, waarbij bij belang heeft zal een plaats openvallen...

Eline schrikte; zij bezag het portret: het was een weinig beschadigd

door de poststempels.

--En--en wat denk je? vroeg zij.

--Hoe meen je?

--Wat denk je te doen?

--Zoodra ik beter ben te gaan, maar... maar, ik ben het nog lang

niet? eindigde hij kwijnend.

--Te gaan, naar Amerika?

--Ja... zeker...

--Ben je dan blij, dat je gaan kan...?

--Natuurlijk; wat zal ik hier blijven hangen, nietwaar...? nu ik weer

een betrekking kan krijgen...

Hij dacht nauwelijks aan wat hij haar antwoordde. Hij viel terug

in de Perzische kussens en een dans van bonte vizioenen dwarrelde

rond voor zijn geest. Hij herinnerde zich zijn vroeger leven van

eindelooze afwisseling, van telkens wisselende verschieten en deinzende

horizonten... afwisseling van het leven, afwisseling zou hem weder

verjeugdigen. Hij herinnerde zich zijn vriend, een kerngezonde ziel

in een krachtig lichaam, de eenige man, die hem deed vermoeden,

dat er iets anders in het leven was dan levensmoêheid.

Eline echter voelde diep medelijden voor Vincent...

Ja, hij was dan wel verheugd, dat hij kon heengaan, heengaan wellicht

vóor zij gehuwd was, dat hij geen getuige behoefde te zijn van den

treffenden slag, dien zij hem zou toebrengen... Zij had hem nog nooit

in zulke levendigheid zien opspringen als nu... Hij had haar dan wel

lief... en hij leed wel!

Zij stond nog steeds met het portret voor hem.

--Is... is dit St. Clare? vroeg zij, bijna weenend om zijne, door

haar gedroomde, smart.

--Ja, antwoordde hij en nam het haar uit de hand. Het is heel goed

gelukt! Zoo is hij.... zoo open en flink, met zoo iets levendigs

en opgewekts....

--Is hij bruin of blond!

--Donkerblond... zijn baard ook... een prettig gezicht hé?

--Een mooie kop... Maar Vincent...

--Wat?

--Vincent, heusch!... Denk er nog over...? Je bent nog zoo zwak. Je

zou kunnen instorten. Raadpleeg eerst Reijer.

--Maar Elly, ik ben immers altijd geweest als nu, ik ben nooit gezond

geweest en... en wil jij me dan onderhouden, als ik hier blijf? vroeg

hij met een glimlach.

Voor haar was die glimlach weemoedig en zij verweet zich, dat zij

hem tegenhield. Neen, hij moest gaan; alleen, misschien zou er een

verandering in alles komen, een zoo groote verandering, dat hij niet

behoefde te gaan of anders zou gaan... Het dwarrelde haar; zij wist

niet meer wat zij wilde en zij dorst de gedachte die in haar oprees

niet uitdenken. Het zou te vreeslijk zijn. Te vreeslijk voor Otto,

te vreeslijk voor haarzelve ook.

Dien geheelen middag bleef Vincent zeer opgewekt en Reijer kwam en

ried hem zich niet te veel te overspannen. Op Amerika zou hij nog wel

later terugkomen, daar was vooreerst nog geen sprake van. Maar een

kleine wandeling of een toertje. Het weêr was zacht en warm. Waarlijk,

dat zou meneer Vere goed doen.

Betsy liet dan ook om halfdrie den landauer komen en zij steeg met

Eline en Vincent in. Nu, in de buitenlucht, zag Eline eerst goed,

hoezeer hij was afgevallen, hoe groezelig-vaal zijn tint was boven den

witten, zijden foulard, dien hij om zijn hals geplooid had, hoe dof en

mat hij er uitzag in de elegance van zijn leverkleurigen demi-saison

en zijn glanzenden hoogen hoed. Hij lag onbeweeglijk en recht tegen

de kussens aan, zijn geschoeide handen rustend op den zilveren knop

van zijn stok. Een duizelende lichtheid vervulde zijn hoofd en zoo hij

niet gezeten had, ware hij gewankeld, nu zijn longen als een golf van

zuurstof inzogen. Hij sloot even de oogen, die hem pijn deden, terwijl

het suisde in zijn ooren, en de wielen van het rijtuig draaiden in

zijn hersens. Maar langzamerhand gewende hij zich aan de frischheid

der lucht, aan de ruimte voor zijn blik, aan de wendingen van den weg

en hij ademde diep en verlucht. Hij gevoelde zijn levensvatbaarheid

geprikkeld worden; hij voelde zijn zenuwen een weinig sterken.

Eline deed zich geweld aan en praatte vroolijk met hem of met

Betsy. Toen zij na een uur terugkwamen, hielp zij Vincent uitstijgen

en bracht hem, geleund op heur arm, naar haar zitkamer. Zij hielp

hem zijn overjas uittrekken en moede van emoties en verandering van

atmosfeer, viel hij neêr op den divan en verzocht haar hem alleen te

laten.... hij wilde slapen.

Betsy had thuis gegeven en er kwamen eenige visites, mevrouw Eekhof

met Ange en Léonie, mevrouw Hovel en de jonge Hijdrecht, die met een

gegons van conversatie den schemerenden salon vulden. Henk was naar de

sociëteit, maar Eline voegde zich bij hen en weldra kwam Otto. En Eline

gevoelde, toen hij binnentrad, in plaats van de gewone zalige warmte,

waarmede zijne verschijning vroeger steeds haar hart doortrilde, een

ijskoude onverschilligheid... O God, hoe was dat gekomen, hoe was die

warmte langzamerhand zoo verkoeld, zoo verkoeld tot ijskoude? Zij wist

het niet, maar het was zoo en zij kon er niets aan veranderen... Zij

knikte hem even vriendelijk toe en reikte hem hare hand... zij moest

zoo huichelen en terwijl zij Otto's hand vasthield praatte zij met

Hijdrecht door over de nieuwe chanteuse-légère van de opera... Aanzien

kon zij Otto niet, maar wel hem zoo vasthouden, al pratend... Zij

hoorde nauwelijks wat Hijdrecht antwoordde: zij vloeide bijna over van

onpeilbaar medelijden... daar stond hij, Otto, naast haar, daar hield

zij zijne hand in de hare, daar voelde zij zijn zachten vriendelijken

blik op haar rusten, zijn adem bijna heur haar beroeren, terwijl

hij leunde op den rug van haar causeuse. Daar stond hij naast haar,

vol liefde en zij... zij voelde niets meer dan ijskoude! Neen, neen,

het mocht niet, het zou niet, zij zou zich dwingen, zij had te veel

medelijden met hem, zij was er hem te zielsdierbaar voor...

--Nily... wat heb je, kind? vroeg hij zacht, terwijl de dames en

Hijdrecht opstonden, en Otto steeds den krampachtigen druk van heur

vingers op zijne hand voelde.

--Ik?... Ik...? Niets, wat hoofdpijn, geloof ik...! sprak zij

stotterend en zij blikte hem aan, voor het eerst dien middag... Zijn

oog zag diep in het hare en zij was op het punt zich woest aan zijn

borst te werpen, hem te omklemmen en hem nooit weêr los te laten,

om hem niet te verliezen...

Maar zij glimlachte en reikte hare hand aan mevrouw Eekhof, aan

Ange....

--Is het niet meer terug te dwingen? Zou het niet meer

terugkomen? dacht zij radeloos.

Ze bleven alleen, eenige minuten voor het diner...

--Nily... vrouwtje, zeg me, ben je niet wel? vroeg hij angstig. Je

hand is koud...

--Ik ben wat koortsig... we hebben getoerd in een open rijtuig met

Vincent... Ik begrijp niet, dat Reijer het wilde hebben... Ik... vond

het koud... ijskoud...

--Als je maar niet ziek wordt...

--Neen, het zal wel overgaan.

Zij zag hem glimlachend aan, en eensklaps, in een aandrang vol wanhoop,

omhelsde zij hem met beide armen.

--Wat ben je lief zoo bezorgd over me te zijn...! fluisterde zij en

hare stem brak. Je bent zoo goed en... ik hou zooveel van je, ik hou

zoo dol veel van je...

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 104 / 188 题