Toen Eline den volgenden morgen wakker werd, was zij betrekkelijk
kalm. Zij was moe en had een weinig hoofdpijn, maar heur ellende bleef
haar alleen bij als de herinnering aan een somberen droom, omdat zij er
zich niet in verdiepte... zij huiverde dit te doen. Neen, zij zou nu
weêr zichzelve worden; zij zou zich nooit meer laten medesleepen door
zulke afschuwelijke nachtmerries, die haar alleen in een afgrond van
smart wilden storten, omdat zij niet sliep... Het was niets dan dat:
ze was onwel, ze sliep slecht, en in die slapelooze, stille nachten
rezen dan al die spooksels op... zij zou met dokter Reijer spreken
over hare insomnies; o, zij voelde zich verlucht en verruimd, nu zij,
na nog een weinig te zijn ingedommeld, het vale daglicht door de
gordijnen zag schemeren. Zij stond vroeg op, stoeide beneden met Ben,
bracht als naar gewoonte Vincent zijne chocolade en zijn kadetje,--eene
oplettendheid, die zij nooit aan Mina overliet--en zij zag met Betsy
de catalogussen en de stalen na... Zooveel fijne tafellakens, zooveel
fijne servetten van zooveel, en dan gewone, voor iederen dag, van
zooveel... en nog van die beeldige sloopen met geborduurde letters
van zooveel; die waren niet duur in de Louvre: Betsy moest bedenken,
ze behoorde nu goed op de dubbeltjes te gaan letten... En dan, in
dien anderen catalogus, van die aardige theedoekjes...
Intusschen dwarrelden haar gedachten verstrooid heen en weêr, en diep
in haar ziel bleef eene somberheid liggen, als een zwarte modder op
den grond van een meer, schijnbaar onbewogen en blauw. Toch spande
zij al hare zielskracht in en Betsy merkte onder de beraadslagingen
niets. Daarna ging Eline naar boven, naar Vincent; zij wilde hem een
grooten brief brengen, die voor hem gekomen was.
Hij lag als steeds in zijn Turkschen chambercloak op den divan. Toch
kwam hij langzamerhand bij: Dokter Reijer had hem zelfs verklaard,
dat hij nu een kleine wandeling zou kunnen maken, maar zijne rust
was hem te lief geworden en hij had beweerd, dat hij nog te zeer
tegen een wandeling opzag. Nu Eline binnenkwam, knikte hij haar
vriendelijk toe; hij was verwend door hare duizenden kleine zorgen
en was er haar dankbaar voor en deze dankbaarheid ontstak in zijn
dof oog een vriendelijken gloed, dien Eline voor liefde aanzag.
Zij reikte hem den brief en vroeg hoe hij het maakte.
--Goed... zoo langzamerhand beter en beter! sprak hij mat, maar hij
richtte zich eensklaps vlug op en scheurde de enveloppe open... Eline
wilde zich aan de piano zetten.
--Zoo, eindelijk dan! hoorde zij Vincent bijna verheugd uitroepen.
Zij keek hem vragend aan en daar een portret in kabinetformaat uit
de enveloppe gevallen was, raapte zij het op.
--Het is uit New-York, van Lawrence St. Clare! sprak Vincent, den brief
vlug doorlezend. Hij heeft iets voor mij gevonden..! aan het zelfde
handelshuis, waarbij bij belang heeft zal een plaats openvallen...
Eline schrikte; zij bezag het portret: het was een weinig beschadigd
door de poststempels.
--En--en wat denk je? vroeg zij.
--Hoe meen je?
--Wat denk je te doen?
--Zoodra ik beter ben te gaan, maar... maar, ik ben het nog lang
niet? eindigde hij kwijnend.
--Te gaan, naar Amerika?
--Ja... zeker...
--Ben je dan blij, dat je gaan kan...?
--Natuurlijk; wat zal ik hier blijven hangen, nietwaar...? nu ik weer
een betrekking kan krijgen...
Hij dacht nauwelijks aan wat hij haar antwoordde. Hij viel terug
in de Perzische kussens en een dans van bonte vizioenen dwarrelde
rond voor zijn geest. Hij herinnerde zich zijn vroeger leven van
eindelooze afwisseling, van telkens wisselende verschieten en deinzende
horizonten... afwisseling van het leven, afwisseling zou hem weder
verjeugdigen. Hij herinnerde zich zijn vriend, een kerngezonde ziel
in een krachtig lichaam, de eenige man, die hem deed vermoeden,
dat er iets anders in het leven was dan levensmoêheid.
Eline echter voelde diep medelijden voor Vincent...
Ja, hij was dan wel verheugd, dat hij kon heengaan, heengaan wellicht
vóor zij gehuwd was, dat hij geen getuige behoefde te zijn van den
treffenden slag, dien zij hem zou toebrengen... Zij had hem nog nooit
in zulke levendigheid zien opspringen als nu... Hij had haar dan wel
lief... en hij leed wel!
Zij stond nog steeds met het portret voor hem.
--Is... is dit St. Clare? vroeg zij, bijna weenend om zijne, door
haar gedroomde, smart.
--Ja, antwoordde hij en nam het haar uit de hand. Het is heel goed
gelukt! Zoo is hij.... zoo open en flink, met zoo iets levendigs
en opgewekts....
--Is hij bruin of blond!
--Donkerblond... zijn baard ook... een prettig gezicht hé?
--Een mooie kop... Maar Vincent...
--Wat?
--Vincent, heusch!... Denk er nog over...? Je bent nog zoo zwak. Je
zou kunnen instorten. Raadpleeg eerst Reijer.
--Maar Elly, ik ben immers altijd geweest als nu, ik ben nooit gezond
geweest en... en wil jij me dan onderhouden, als ik hier blijf? vroeg
hij met een glimlach.
Voor haar was die glimlach weemoedig en zij verweet zich, dat zij
hem tegenhield. Neen, hij moest gaan; alleen, misschien zou er een
verandering in alles komen, een zoo groote verandering, dat hij niet
behoefde te gaan of anders zou gaan... Het dwarrelde haar; zij wist
niet meer wat zij wilde en zij dorst de gedachte die in haar oprees
niet uitdenken. Het zou te vreeslijk zijn. Te vreeslijk voor Otto,
te vreeslijk voor haarzelve ook.
Dien geheelen middag bleef Vincent zeer opgewekt en Reijer kwam en
ried hem zich niet te veel te overspannen. Op Amerika zou hij nog wel
later terugkomen, daar was vooreerst nog geen sprake van. Maar een
kleine wandeling of een toertje. Het weêr was zacht en warm. Waarlijk,
dat zou meneer Vere goed doen.
Betsy liet dan ook om halfdrie den landauer komen en zij steeg met
Eline en Vincent in. Nu, in de buitenlucht, zag Eline eerst goed,
hoezeer hij was afgevallen, hoe groezelig-vaal zijn tint was boven den
witten, zijden foulard, dien hij om zijn hals geplooid had, hoe dof en
mat hij er uitzag in de elegance van zijn leverkleurigen demi-saison
en zijn glanzenden hoogen hoed. Hij lag onbeweeglijk en recht tegen
de kussens aan, zijn geschoeide handen rustend op den zilveren knop
van zijn stok. Een duizelende lichtheid vervulde zijn hoofd en zoo hij
niet gezeten had, ware hij gewankeld, nu zijn longen als een golf van
zuurstof inzogen. Hij sloot even de oogen, die hem pijn deden, terwijl
het suisde in zijn ooren, en de wielen van het rijtuig draaiden in
zijn hersens. Maar langzamerhand gewende hij zich aan de frischheid
der lucht, aan de ruimte voor zijn blik, aan de wendingen van den weg
en hij ademde diep en verlucht. Hij gevoelde zijn levensvatbaarheid
geprikkeld worden; hij voelde zijn zenuwen een weinig sterken.
Eline deed zich geweld aan en praatte vroolijk met hem of met
Betsy. Toen zij na een uur terugkwamen, hielp zij Vincent uitstijgen
en bracht hem, geleund op heur arm, naar haar zitkamer. Zij hielp
hem zijn overjas uittrekken en moede van emoties en verandering van
atmosfeer, viel hij neêr op den divan en verzocht haar hem alleen te
laten.... hij wilde slapen.
Betsy had thuis gegeven en er kwamen eenige visites, mevrouw Eekhof
met Ange en Léonie, mevrouw Hovel en de jonge Hijdrecht, die met een
gegons van conversatie den schemerenden salon vulden. Henk was naar de
sociëteit, maar Eline voegde zich bij hen en weldra kwam Otto. En Eline
gevoelde, toen hij binnentrad, in plaats van de gewone zalige warmte,
waarmede zijne verschijning vroeger steeds haar hart doortrilde, een
ijskoude onverschilligheid... O God, hoe was dat gekomen, hoe was die
warmte langzamerhand zoo verkoeld, zoo verkoeld tot ijskoude? Zij wist
het niet, maar het was zoo en zij kon er niets aan veranderen... Zij
knikte hem even vriendelijk toe en reikte hem hare hand... zij moest
zoo huichelen en terwijl zij Otto's hand vasthield praatte zij met
Hijdrecht door over de nieuwe chanteuse-légère van de opera... Aanzien
kon zij Otto niet, maar wel hem zoo vasthouden, al pratend... Zij
hoorde nauwelijks wat Hijdrecht antwoordde: zij vloeide bijna over van
onpeilbaar medelijden... daar stond hij, Otto, naast haar, daar hield
zij zijne hand in de hare, daar voelde zij zijn zachten vriendelijken
blik op haar rusten, zijn adem bijna heur haar beroeren, terwijl
hij leunde op den rug van haar causeuse. Daar stond hij naast haar,
vol liefde en zij... zij voelde niets meer dan ijskoude! Neen, neen,
het mocht niet, het zou niet, zij zou zich dwingen, zij had te veel
medelijden met hem, zij was er hem te zielsdierbaar voor...
--Nily... wat heb je, kind? vroeg hij zacht, terwijl de dames en
Hijdrecht opstonden, en Otto steeds den krampachtigen druk van heur
vingers op zijne hand voelde.
--Ik?... Ik...? Niets, wat hoofdpijn, geloof ik...! sprak zij
stotterend en zij blikte hem aan, voor het eerst dien middag... Zijn
oog zag diep in het hare en zij was op het punt zich woest aan zijn
borst te werpen, hem te omklemmen en hem nooit weêr los te laten,
om hem niet te verliezen...
Maar zij glimlachte en reikte hare hand aan mevrouw Eekhof, aan
Ange....
--Is het niet meer terug te dwingen? Zou het niet meer
terugkomen? dacht zij radeloos.
Ze bleven alleen, eenige minuten voor het diner...
--Nily... vrouwtje, zeg me, ben je niet wel? vroeg hij angstig. Je
hand is koud...
--Ik ben wat koortsig... we hebben getoerd in een open rijtuig met
Vincent... Ik begrijp niet, dat Reijer het wilde hebben... Ik... vond
het koud... ijskoud...
--Als je maar niet ziek wordt...
--Neen, het zal wel overgaan.
Zij zag hem glimlachend aan, en eensklaps, in een aandrang vol wanhoop,
omhelsde zij hem met beide armen.
--Wat ben je lief zoo bezorgd over me te zijn...! fluisterde zij en
hare stem brak. Je bent zoo goed en... ik hou zooveel van je, ik hou
zoo dol veel van je...