Vincent bleef zeer zwak en dokter Reijer had hem uitdrukkelijk
verklaard, dat hij in de eerste weken niet mocht uitgaan, daar de
minste aanleiding hem weder flauw zou kunnen doen vallen. Vincent
schikte zich zeer lijdzaam in dit voorschrift en Reijer prees hem
en beweerde, dat als meneer Vere niet in den laatsten tijd zoo
verstandig geworden was, hij reeds lang niet meer tot de levenden
zou behoord hebben. Hij prees Vincent, dat deze zich steeds
menageerde, weinig dronk, niet rookte en ten laatste rust vond,
want Vincent had hem gesproken over zijn, anders onverzadelijken,
lust naar verandering, die hem als een passie overmeesterde; terwijl
hij nu in een goede verzorging zich, als in een aangename warmte,
behagelijk koesterde. Alleen over zijn gebrek aan eetlust schudde
Reijer bedenkelijk het hoofd.
Zijn dagen bracht Vincent in Eline's boudoir door, daar Betsy
hem geen aparte zitkamer kon geven. Hij lag er op den Perzischen
divan en had zich uit zekere behaagzucht in een wijden Turkschen
chambercloak gehuld, een herinnering uit zijn dagen van weelde te
Smyrna. Vaalbleek, met zijn uitgebluschte oogen, als van dof blauw
porcelein, met zijn kortgeknipt, lichtbruin haar, lag hij daar onder
Eline's aralia, in zijn bloedelooze vingeren een boek, dat hij niet
las. Het was hem, of er geen denkbeelden in zijn brein waren en of hij
hersenloos was weggezonken in een matte rust, in een vermoeidheid,
als van een zware lichamelijke inspanning. Hij had alleen kleine,
kinderachtige gedachtetjes, die als broze bellen in zijn geest
opwelden en aanstonds uitspatteden; hij had kleine genietingen en
koesterde zich in Reijers lof, die hem streelde, terwijl hij zeer
leed, wanneer hij, zonder honger, op Eline moest wachten, die hem
twee minuten over den tijd zijn ontbijt bracht. En verder niets; hij
lag slechts en tuurde Eline's kamer rond, en hij telde al de platen,
de palmen, al de kleine voorwerpen van luxe, die er verspreid waren.
Des ochtends zette Eline zich bij hem en las hem voor, of zong met
halve stem bij haar piano, nu een fraze, dan een roulade, en Vincent
luisterde droomend toe, verloren in een vreemd vizioen vol zonderlinge
geuren en vale tinten, die zich met krullende arabesken dooreen
woelden als een caleidoscoop van coloriet en parfum. Hij sprak niet
en ook Eline sprak weinig, doordrongen van een romantische vreugde,
een vreugde, die zij ook aan tante Vere's bed gevoeld had: die van
zich te kunnen wijden aan een zieke. Vincent werd er haar al meer en
meer interessant om en in zijn Turksch gewaad met zijn Turksche muilen
werd hij haar zeer dierbaar, om de zorgen, waarmeê zij hem overstelpte.
Des middags bleef zij thuis tot na vieren, tot Otto haar voor hun
wandeling halen kwam, en wanneer hij haar zacht verweet, dat zij niet
genoeg aan haar eigen gezondheid dacht, en zich te veel door Vincents
ziekte liet opwinden, zag zij hem dwepend en bijna weenend aan en
vroeg zij, of hij dan niet diep medelijden met Vincent gevoelde, die
zoo verlaten op de wereld was, zoo ongelukkig en zoo zwak. De drukke
beraadslagingen over haar uitzet met Betsy waren door deze zorgen
een weinig verminderd, en eens zelfs zeide zij met starende oogen
tot haar zuster, dat zij het toch vreeslijk zou vinden in November te
trouwen, wanneer Vincent bijna stervende was. Betsy echter haalde haar
schouders op en toonde haar catalogussen voor linnengoed en stalen
van damast en kant, maar Eline kon hier nu onmogelijk haar gewone
belangstelling voor toonen en zij ging naar Vincent, wiens blik,
naar zij meende, haar verwijtend aanzag. Zij had zich ten laatste
hun gesprek, gewisseld vóor hij flauw gevallen was, herinnerd,
en er was een plotselinge stortvloed van emoties door heure ziel
gegolfd. Zij verbeeldde zich, dat hij alleen in onmacht was gezonken,
omdat zij gevraagd had, of het onvoorwaardelijk was voorbeschikt,
dat zij met Otto zou trouwen; zij verbeeldde zich, dat hij zoo ziek
was, omdat hij wellicht een geheimen hartstocht voor haar koesterde,
dien hij tot nu toe angstvallig verborgen had. Hij was immers nog
nooit zoo lang in Den Haag gebleven als dezen keer; hij bevond er
zich nu bijna een jaar, terwijl hij er anders nooit dan enkele weken
vertoefd had. Arme Vincent.... haar zorgen troostten hem nu.... alleen,
zoude hij er niet te veel voedsel voor dien hartstocht uit putten,
dien hartstocht, die toch hopeloos moest blijven, daar zij van niemand
anders dan van heur Otto houden kon?
Zij had gaarne aan iemand die gedachten bekend, maar het was zoo
moeilijk, aan wien...? Aan Otto, dat vond zij niet kiesch; aan Betsy,
die zoude haar zeker vragen, dat wist ze vooruit, waarom ze zich toch
altijd hersenschimmen in het hoofd moest zetten. Aan mevrouw Van Raat?
Ja, die zou haar raad geven, zij zou naar mevrouw Van Raat gaan,
op een ochtend, alleen, zonder Otto.... Maar toen zij bij de oude
vrouw kwam, vond zij hare vermoedens over Vincent zoo moeilijk in
woorden te brengen, dat zij niet tot de biecht besluiten kon en wegging
zonder zich geuit te hebben... En zij troostte zich met de weemoedige
gedachte, dat Vincent wellicht sterven zoude, vóor zij getrouwd waren,
en dat hare zorgen hem dan zijne laatste dagen nog hadden verzoet....
De dagen gingen voorbij, terwijl het vermoeden, dat Vincent dien
stillen hartstocht koesterde, haar meer en meer zekerheid werd en
zij als wegzonk in een vreemd medelijden voor haar armen zieke. Haar
kalm geluk, dat onverstoorbaar had geschenen, glipte haar al meer en
meer als een vogel, dien zij tevergeefs zocht vast te houden, uit de
vingeren en een nerveuze onrust begon in haar ziel op te borrelen,
terwijl zij den moed miste zich bij Otto uit te storten. Want de
gedachte aan Vincent schoof een nevel tusschen haar en Otto, een nevel
die dichter en dichter werd, als iets wat hen kon scheiden. Zij rilde,
wanneer zij dit gevoelde, en na een halven dag met Vincent en in hare
onrust te hebben geleefd, smachtte zij naar heur Otto, in wiens kalmte
zij hoopte te bedaren.... Na vieren kwam hij, zij gingen wandelen,
hij bleef eten, zij waren 's avonds veel thuis, zij waren veel
alleen en wanneer hij om halftwaalf weg was en zij zich terugtrok
in hare slaapkamer, moest zij zich geweld aandoen om niet in tranen
uit te barsten, daar zij uit zijn bijzijn niet meer zoo weldadig een
rust putte, als voorheen. Integendeel: zijn bedaardheid ergerde haar
nu en dan, als iets onverschilligs en laconieks, dat haar in heure,
langzamerhand van onrust opbruisende, stemming hatelijk scheen, vooral
wanneer zij hem met Vincent vergeleek, in wien zij een wereld van stil
woelend leed vermoedde. Otto's eenvoudige woorden, waarachter zij nog
zoo kort te voren schatten van liefde had zien schuilen, ergerden haar
nu ook.... Barstte hij dan nooit eens uit in een vlaag van passie, in
een hartstochtelijke betuiging over.... over wat ook maar! Bleef hij
dan altijd zoo, kalm, kalm, eeuwig kalm, eeuwig gelijkmoedig; gevoelde
hij dan nooit iets, dat in zijn hart worstelde met iets anders, iets,
dat in hem ziedend bruiste en zich in een stortvloed van woorden moest
uiten? Zou hij zich door niets laten ontroeren, zich door niets laten
schudden uit die rust, die bijna lethargie scheen....! Ja, hij was
wel lief en goed, maar hij had geen diep gevoel: misschien was zijne
kalmte wel niets dan egoïsme, dat zich niet liet bewegen door de smart
van anderen! En die smart van anderen.... stelde zij zich nooit anders
voor dan verpersoonlijkt in het martelaarsschap van Vincent....
Diep ongelukkig gevoelde Eline zich na zulke gedachten. O, God, het
waren de spoken, de spoken die al grijnzender en grijnzender opdoemden,
nadat het eene spook was opgedoemd, zoo plotseling, in dat gesprek met
Vincent... Zij wilde, zij wilde zich niet door hen laten medesleepen,
zij wilde ze weg, wegjagen, maar telkens en telkens rezen zij weder
op en wierpen zij haar hunne kille twijfelingen in de ziel, en zij
streed met ze... een vreeselijken strijd! Zij dwong zich de zoete
gedachten, welke haar met idyllische weelde vervuld hadden, tijdens
haar verblijf op de Horze, nog eens te denken; zij dwong zich haar
zacht geluk, haar blauwe extaze weder te vinden... maar dat geluk,
die extaze, ze waren weg! En toen zij dat gevoelde, eens in een
slapeloozen nacht, terwijl eene zware stilte door het geheele huis
suisde en zij, met groote, starende oogen, zoo eenzaam op heur bed
lag, toen zij dat voor het eerst vol en wreed gevoelde, dat ze weg
waren, dat ze nooit meer haar zouden toelachen met hun gouden glans,
toen eindelijk barstte zij los in een hevig en wild gesnik, zoo wild
en hevig als zij nog nooit gesnikt had, en zij omhelsde woest haar
kussen, als was dat haar geluk, als was dat de vogel, die aan den
klem harer vingeren ontsnapte. Zij schudde haar hoofd.... neen,
neen, zij wilde niet, zij wilde gelukkig zijn als vroeger, zij
wilde van haar Otto houden, zooals toen, in de dennenbosschen... O,
God, hield ze dan nu... niet meer van hem? Het was onmogelijk,
het mocht niet, het zou ook niet zijn... Ze wilde zich dwingen met
al de geestkracht van haren wil van hem te blijven houden, zooals
zij totnogtoe gedaan had, ze wilde zich aan hem blijven vastklemmen,
zooals zij zich nu klemde aan haar kussen en grijnzende spoken zouden
hem niet uit heure omhelzing kunnen losrukken... Het bleef roerloos
stil in huis; alleen... daar hoorde zij de groote klok in de keuken,
beneden, hard tikken, onophoudelijk tikken, en een doodelijke angst
overviel haar bij de hardheid dier metalen seconden. Een doodelijke
angst, dat haar geluk zich niet binnen hare ziel zou laten dwingen;
een doodelijke angst, dat onzichtbare machten haar een hellend pad
zouden afjagen, terwijl zij opwaarts wilde, opwaarts... En toen,
een woede, een woede, omdat zij het zoo duidelijk gevoelde en het
niet gevoelen wilde en omdat zij te zwak bleef zich krachtig om te
wenden en tegen de onzichtbare machten op te dringen.