II.

Dien middag werd Georges ten eten gevraagd, en men had daarna een

heerlijke Septemberavond in den tuin. Het was laat, toen Georges

wegging; laat, toen Marie en Lili samen heure slaapkamer opzochten

en zich ontkleedden.... Marie luisterde vriendelijk en geduldig naar

Lili's gesnap over honderden plannen voor de toekomst: zij zou het

heerlijk vinden te reizen en Georges' betrekking bracht natuurlijk

meê, dat zij dit later veel zouden doen; dit zou zij zich niet uit het

hoofd laten praten, al beweerde hij ook, dat zij zich niet al te veel

illuzies maken moest. Behagelijk strekte zij zich tusschen de koele

lakens uit, glimlachend tegen de rozige vizioenen harer fantazie,

de armen boven heur hoofd gebogen, dat in het verwarde lichtblond

heurer haren lag.

Ook Marie vlijde zich ter ruste, en het was een oogenblik stil in

het donkere vertrek, toen er zachtjes aan de deur geklopt werd,

die dadelijk openging.... De meisjes schrikten even....

--Cht! Stil! Het is niets... Ik ben het! fluisterde een onderdrukte

stem en zij zagen een kleine, gebogen gestalte, in nachtjak en

nachtmuts, met een kandelaar binnentreden... Cht! Het is niets! Ik

wou alleen maar eens even komen babbelen...

Het was oude Dien, het familiestuk der Verstraetens, de goedige meid,

die altijd zoo handig hielp met comediespelen en tableaux-vivants. Zij

kwam op haar kousen aan, terwijl het licht van den blaker op haar

verschrompeld gelaat onder de witte muts een gelen gloed wierp.

--Maar Dien! Je laat me schrikken! Je lijkt wel een schim! riep Marie.

--Cht! Stil! Iedereen is al naar bed, maar ik dacht, dat je toch nog

wel niet zou slapen... Ik kom eens even babbelen.... mag ik?

--Zeker Dien! Je mag, hoor! sprak Lili opgewekt. Wat heb je te

vertellen...?

Dien zette zich op den rand van Lili's bed.

--Je begrijpt, oude Dien is niet zoo oud, of ze merkt wel wat, als

er iets aan de hand is... En zie, als ze dat zoo merkt, dan kan ze

dat niet voor zich houden, dan moet het er uit. Jou kleine ondeugd!

Zij dreigde Lili met den wijsvinger.

--Wat Dien? vroeg Lili.

--Kom, liefje, hou je nou maar niet zoo onnoozel! Denk je, dat ik niet

weet waarom je vanmiddag gedaan hebt, of je huilde en waarom freule

Emilie zoo lang in de serre heeft gezeten... Zie je, toen dacht ik

al zoo iets! vervolgde zij met een knipoogje van haar ingevallen oog;

en ik prakkezeerde bij mijn eigen, en jawel... om halfzes, daar komt

hij aanzetten en hij bleef lekkertjes eten, hoor!

--Ach wat, Dien. Wat kakel je toch? verweerde Lili zich.

--Neen, neen, Dien kakelt niet. Dien weet heel goed, wat ze weet... Nou

hoor, je weet ook wel wat je doet.

--Wat dan?

--Wel kind, je hebt groot gelijk. Het is wat een bestendige jongen. Zoo

een lief zacht gezichtje, met zoo een blond snorretje. Het is net

een mannetje voor je! Jij bent ook nog al fijntjes; ze zijn net een

spannetje, nietwaar, juffrouw Marie?

--Geknipt voor elkaâr! gaapte Marie van uit haar lakens.

--Dus hij bevalt je? vroeg Lili.

--Keurig! antwoordde Dien. En hij is altijd zoo vriendelijk tegen

mij en tegen Bet; hij kan het altijd zoo aardig zeggen, als ik hem

opendoe: "Zoo, dag Dien, hoe maak je het?" Altijd zoo een woordje

er bij, begrijp je. Zoo niets trotsch. En dan vergeet hij nooit zijn

voetjes af te vegen.

Lili schaterde het uit.

--Jij bent toch niet boos, dat ik dat zeg? vroeg Dien.

--Wel neen, Dien, ik ben heel blij, dat hij in je gratie is.

--Slapen doe je toch niet in het eerste uur, wel? Zie je, overdag

heb ik het altijd te druk om me goed lucht te geven: dit is nu net

een uurtje om vertrouwelijk te zijn. En Dien mag je toch wel eens

een raad geven, hè? Zie je, ik ben ook getrouwd geweest, en het

is niet alles kind, het is niet alles. Ja, in het begin denk je,

dat het heel aardig is huisje te spelen, maar later dan komen de

kleintjes, en dan komen de zorgen. Ik heb er drie gehad; kinderen,

zie je, en het is wat een moeite ze groot te brengen. En je weet,

ik heb niet veel pleizier van ze beleefd. Een is er gestorven, een

jongen, toen hij veertien jaren was, en mijn andere heeft niet al

te best opgepast, ja gerust, dat heeft hij; hij is toen als zooveel

als koloniaal gegaan. Alleen mijn meisje, daar heb ik pleizier van:

je weet ze is in Rotterdam, getrouwd met een kleêrmaker?

--Ja, Dien...

--En zeg eens, wanneer denk jij nou te trouwen met je mannetje?

--Ach, Dien, waarlijk ik weet het nog niet... we trouwen nog in lang

niet, en je moet er niet over kakelen, hoor!

--Neen, maar daar zal ik wel voor oppassen. Trouwens je begrijpt,

Bet merkt ook wel wat... Zou er een jaartje overheen moeten?

--O, minstens, maar kom Dien, ga nu naar bed.

--Ja liefje, maar zie je, als er kindertjes komen, van die kleine

blondjes,--jullie zijn allebei zoo blondjes--dan ga ik van je ma weg

en dan kom ik bij jou, vindt je dat goed?

--Als kindermeid? Dank je, daar zal je dan veel te oud toe zijn!

--Nou hoor! Ik zou ze nog goed ploeteren en wasschen...

--Dien, ik vind, dat je onvoegzame dingen zegt! riep Marie, Foei!

--Nou, wat is daar nu voor onvoegzaams aan? Maar kom, ik ga, het is

al halfeen, warempel... En hoor, juffrouw Marie, nou moet jij ook

aan de beurt komen... die kleine meid is jou nou al voor, nou niet

blijven zitten, hoor! Zal je er voor zorgen?

--Zeker Dien! Ik zal mijn best doen! sprak Marie.

--Droom er dan maar lekkertjes van... en jij ook liefje, droom maar

van hem. En zeg hem, dat Dien hem een lieven jongen vindt, met zijn

klein snorretje... Zal je het doen? Zal je het doen, ondeugd...?

Zij pakte Lili, die weêr schaterde, schertsend bij den schouder.

--Ja, ja, Dien, ik zal het doen. Maar je hoeft me niet zoo te schudden,

ai!... Nacht Dien!

--Nou, nacht dan, schatjes!... Cht, kind, lach toch zoo niet... De

oude lui zullen wakker worden... Cht! Cht! Ik ga... stil!

Dien ging, geelachtig wit in den gloed van den blaker met een laatst

knipoogje, vol geheimzinnige vroolijkheid, onhoorbaar sluipend op

haar kousen...

--Die gekke Dien! lispelde Lili, nog lachend en half reeds in slaap.

De kamer was weder donker geworden en stil, zeer stil, en Marie lag

recht met het hoofd op haar kussen, de oogen open omhoog naar de

zwarte zoldering gericht...

Hoofdstuk XXII.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 102 / 188 题