Georges De Woude van Bergh studeerde druk voor zijn examen voor
vice-consul, en Emilie was, op een goeden dag, naar de Verstraetens
getogen en had een lang gesprek gehad met meneer en mevrouw, terwijl
Lili, zeer zenuwachtig en ongelukkig, door Marie en Frédérique
was getroost geworden. Emilie had zich schertsend verontschuldigd
over het weinig ceremoniëele van haar bezoek, maar, waarlijk, haar
oude vader was ziekelijk en ging nooit uit en zij nam hem alles uit
handen, tot zelfs een verzoek om acces voor zijn zoon. O, zij was
het nog volstrekt niet met Georges eens, dat men leven kon zonder
geld, en zij begreep zeer goed, dat meneer en mevrouw Verstraeten
ook nogal bezwaar in zoo een levensopvatting zagen, maar enfin, de
jongen had toch een toekomst, nietwaar, en de kinderen schenen nu
hunne zinnen zóo op die dwaasheid gezet te hebben, dat men er die
toch niet uit zou praten. Het kwam er nu maar hier op aan: hadden
meneer en mevrouw iets tegen zijn persoon, of wilden zij de kinderen
toestaan van elkander te houden en te wachten, tot zij samen de wereld
konden ingaan, zonder al te groote waarschijnlijkheid, dat zij van
honger zouden omkomen? Zouden meneer en mevrouw zich op een gegeven
oogenblik van Lili kunnen scheiden? En was het antwoord gunstig en
geen bepaald refus, hoe zouden zij dan de zaak willen opvatten? Een
bepaald engagement, of alleen een... enfin, een verbinding des harten
zonder meer? Het was zeker niet goed van de kinderen, dat ze zich
een weinig geafficheerd hadden, en dat de heele stad er van wist,
maar het waren twee onbezonnen schapen en ze zouden mettertijd wel
voorzichtiger worden. De vraag was nu maar.... en Emilie precizeerde
haar vragen nogmaals op haar vrijmoedige, levendige, joviale manier,
slechts inwendig een weinig ongerust over het antwoord, dat komen zou.
En mevrouw Verstraeten zuchtte en schudde bedenkelijk het hoofd, maar
meneer had tot Emilie's blijdschap niet al te veel onoverkomelijke
bezwaren. Maar bezwaren; hij had ze... Lili was nog zoo jong, nog
zoo een echt kind; was het niet beter, dat ze zich nog niet bond en
liever eens rond bleef kijken, of de ware Jacob niet ergens anders
school? Hij mocht De Woude heel gaarne: hij had ook wel gemerkt,
dat er een degelijk fond in den jongen zat, maar toch: waren zijne
optimistische, financiëele overwegingen niet al te veel gebazeerd op
zijne verliefdheid? Had hij niet inderdaad meer behoeften, dan hij nu,
wellicht in zelfverblinding en dweperij, voorgaf? Hij was toch gewend
aan zekere luxe, aan uitgaan. Emilie hoorde schijnbaar oplettend toe,
innerlijk ten volle overtuigd van al die bezwaren, die zijzelve eens
geopperd had, maar nu, nu had zij zich tot de dwaasheid van dit bezoek
laten verleiden, en nu wilde zij ook haar jongen niet afvallen; nu
wilde zij het laten voorkomen, of al die bezwaren alleen bij den heer
Verstraeten bestonden en bij niemand anders, en nu zou zij trachten ze
te weêrleggen. Zoo ging het: als men eens iets dols deed, verviel men
van de eene dwaasheid in de andere, en zij zou nu moeten redeneeren
tegen haar eigen gevoelen in. Het was een moeilijke taak, al kon zij
nog zoo goed praten, en het was misschien tot het ongeluk van haar
Georges, dat zij zoo pleitte, maar ach, de jongen was zoo verliefd,
en misschien had hij het toch wel aan het rechte eind! Zij was ook niet
een orakel, en er waren wel meer huishoudentjes, die het krap hadden,
kleine ambtenaartjes, eerste luitenants... Neen, neen, au fond vond
ze zich toch bespottelijk, maar er was niets, niets meer aan te doen!
En terwijl ze pleitte voor Georges, was zij innerlijk woedend, dat
hij haar zóo ver gebracht had. Kon zij dien jongen dan niets weigeren,
en moest zijzelven medewerken tot zijn verderf?
Maar zij hield woord, zij viel hem niet af, en zij pleitte zoo goed,
dat mevrouw Lili ging halen, die zeer weende en Emilie herhaaldelijk
kuste. Van een engagement zou echter nog geen sprake zijn; mevrouw
hield niets van zoo'n armelui's-engagement, dat wel jaren duren
kon, en Emilie praatte Lili voor, dat de verbintenis des harten,
gesanctioneerd door haar ouders, reeds heel veel beteekende in
de gegeven omstandigheden. Het was toch ook beter zóo, nietwaar;
bevielen zij elkander niet bij nadere kennismaking, dan werd er nog
niets verbroken dan een platonische band, en bevielen zij elkander
meer en meer, welnu, dan des te beter. Kom, zij moest het maar niet al
te donker inzien, er was werkelijk nogal een beduidende overwinning
behaald op die ompantserde ouderharten en... wat wilden ze dan toch
eigenlijk meer? Zoo maar ineens trouwen zeker, hè... morgen receptie,
over een paar dagen naar stadhuis en kerk en dan op een zolderkamertje
onder de hanebalken! Zeker, dat zou charmant zijn!
Lili lachte door haar tranen heen en zij kuste hare ouders; zij zou
alles goed vinden, zooals papa en mama het wenschten.