III.

Na het middagmaal, inderhaast gebruikt, toen de dokter uit de buurt

reeds vertrokken was, liet Betsy toch Dirk met den coupé naar dokter

Reijer rijden, en zoodra deze kwam, ging zij met hem naar Vincent,

dien men te bed had gelegd. Zij wist, door de eerste flauwte van

Vincent alles wat zij nu te doen had, en zij had hem volgens dokter

Reijers aanwijzing zeer laag met het hoofd laten liggen, door kussens

onder zijn rug te schuiven. Langzamerhand kwam Vincent bij en opende

hij even zijne oogen, maar hij sloot ze aanstonds en dwaalde slechts

even met de hand over het dek rond. Dokter Reijer temperde het licht

in de kamer en hij beval de grootste rust aan, zoowel in het vertrek

als in het geheele huis.

--Het is toch niet gevaarlijk, wel dokter? vroeg Betsy beneden in

den salon, waar Eline, Otto en Henk waren.

--Niet onmiddellijk, mevrouw! antwoordde Reijer, die haast had,

en zijn eleganten demi-saison dichtknoopte. Maar u begrijpt, zoo

tweemaal in betrekkelijk korten tijd... het prouveert niet voor meneer

Vere's gestel. Hij schijnt me zeer anemiek, zeer, zeer zwak.... Rust,

zooals ik u zeide, nietwaar.... Heeft u de familie Ferelijn reeds

gezien. Ze zien er uitstekend uit, allemaal, de kinderen ook.... Een

allerliefst vrouwtje.... Nu, adieu, ik mag zeker nog van uw equipage

profiteeren. Adieu; adieu; blijft u binnen, meneer Van Raat....

Anna, de kindermeid, ging bij Vincent waken. En het bleef zeer stil

in huis, terwijl Henk zijn dutje maakte en Betsy zelve, opdat er geen

rumoer door Mina's onhandigheid zou ontstaan, Ben naar bed bracht. Otto

en Eline waren alleen in het boudoir.

--Ben je nu weêr kalm? vroeg hij zacht, terwijl zij op een kussen

aan zijn voeten ging zitten en haar hoofd tegen zijn knieën leunde.

Zij haalde diep adem en knikte van ja. Zoo, bij hem, voelde zij zich

veilig en rustig, en dacht zij er niet aan zich rekenschap te geven

van hare gedachten, die een weinig warden in haar brein. Vincents

plotselinge ziekte; hun gesprek dat haar maar niet goed voor den

geest kwam: haar medelijden voor dien neef, die haar heur vader deed

herdenken.... Zij wilde nu niet aan dat alles denken, zij wilde nu

slechts gelukkig zijn, bij haar Otto....

--Bij jou ben ik altijd kalm, bij jou heb ik het altijd zoo goed.

--Maar je zegt me wel eens, dat je soms zonder reden nerveus bent,

en.... en melancholiek, geloof ik, ook, niet? Natuurlijk, nu ben

je getroffen, nu was er wel reden voor... Maar als je nu eens zoo

zenuwachtig wordt zonder reden, zal je dan ook bij me komen?

--Natuurlijk....

--Zal je dan bij me komen, en me alles vertellen, wat je maar vertellen

kunt, en vertrouwen in me stellen, omdat ik van je hoû en altijd zal

probeeren je weêr op te heffen uit die buien? Zal je dat? Beloof je

me dat?

--Ja, natuurlijk.... Vroeger had ik niemand dan Henk, bij wien

ik dan wel eens mijn troost zocht, maar ik geloof niet dat hij me

begreep, hoewel hij altijd heel vriendelijk was.... Maar nu heb ik

jou.... Zeg, Otto, geloof je ook niet, dat je maar eens in je leven

heusch van iemand houdt? Zie je, heusch houden, niet maar zoo eens

verliefd zijn, voor een oogenblik.... Dat heb je wel eens meer,

geloof ik.... Jij niet?

--Nu niet! antwoordde hij glimlachend.

--Dan ben je het ook met me eens.... Van mij hou je, op mij ben je nu

niet zoo een beetje verliefd, omdat ik er aardig uitzie.... In het

eerst begreep ik nooit waarom je van me hieldt, maar nu wel: het is

omdat, omdat.... ach ik weet het niet, ik kan het niet zeggen.... en

toch voel ik het zoo goed: ik ben nu alles voor je, niet? Maar toen

je mij van den winter dien waaier gaf, dien waaier van Bucchi.... hoe

hieldt je toen van me, zeg!

Hij liet haar zachtjes voortkeuvelen, aan zijne voeten en hij

antwoordde met een kus op heur haar. Zij wist het, dat zij het

hem kon beloven: vertrouwen, volslagen vertrouwen; hij zou haar

begrijpen en hij zou haar weêr gelukkig maken, ieder oogenblik, dat

zij het niet zoude zijn. Maar eindelijk, na het gekeuvel, was zij

moê, zoo moê van haar schrik, van al die emoties, en zij sprak niet

meer en neuriede slechts een weinig, tot zij in de avondschemering,

die tusschen de zware gordijnen viel, insliep, steeds met het hoofd

op zijn knie. Hij verroerde zich niet, maar bleef onbeweeglijk op

haar staren en voor het eerst sedert hij haar liefhad, rees iets als

een twijfel in hem op, of alles wel worden zou, zooals hij het zich

voorstelde. Een droeve weemoed straalde uit zijn blik die onafgewend

op haar rusten bleef en hij gevoelde nu, dat, hoe gelukkig men was,

het geluk altijd vermengd werd met een droppel alsem, al vloeide die

ook slechts uit eigen overpeinzingen en eigen vertwijfelingen er in.

Hoofdstuk XXI.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 100 / 188 题