Na het middagmaal, inderhaast gebruikt, toen de dokter uit de buurt
reeds vertrokken was, liet Betsy toch Dirk met den coupé naar dokter
Reijer rijden, en zoodra deze kwam, ging zij met hem naar Vincent,
dien men te bed had gelegd. Zij wist, door de eerste flauwte van
Vincent alles wat zij nu te doen had, en zij had hem volgens dokter
Reijers aanwijzing zeer laag met het hoofd laten liggen, door kussens
onder zijn rug te schuiven. Langzamerhand kwam Vincent bij en opende
hij even zijne oogen, maar hij sloot ze aanstonds en dwaalde slechts
even met de hand over het dek rond. Dokter Reijer temperde het licht
in de kamer en hij beval de grootste rust aan, zoowel in het vertrek
als in het geheele huis.
--Het is toch niet gevaarlijk, wel dokter? vroeg Betsy beneden in
den salon, waar Eline, Otto en Henk waren.
--Niet onmiddellijk, mevrouw! antwoordde Reijer, die haast had,
en zijn eleganten demi-saison dichtknoopte. Maar u begrijpt, zoo
tweemaal in betrekkelijk korten tijd... het prouveert niet voor meneer
Vere's gestel. Hij schijnt me zeer anemiek, zeer, zeer zwak.... Rust,
zooals ik u zeide, nietwaar.... Heeft u de familie Ferelijn reeds
gezien. Ze zien er uitstekend uit, allemaal, de kinderen ook.... Een
allerliefst vrouwtje.... Nu, adieu, ik mag zeker nog van uw equipage
profiteeren. Adieu; adieu; blijft u binnen, meneer Van Raat....
Anna, de kindermeid, ging bij Vincent waken. En het bleef zeer stil
in huis, terwijl Henk zijn dutje maakte en Betsy zelve, opdat er geen
rumoer door Mina's onhandigheid zou ontstaan, Ben naar bed bracht. Otto
en Eline waren alleen in het boudoir.
--Ben je nu weêr kalm? vroeg hij zacht, terwijl zij op een kussen
aan zijn voeten ging zitten en haar hoofd tegen zijn knieën leunde.
Zij haalde diep adem en knikte van ja. Zoo, bij hem, voelde zij zich
veilig en rustig, en dacht zij er niet aan zich rekenschap te geven
van hare gedachten, die een weinig warden in haar brein. Vincents
plotselinge ziekte; hun gesprek dat haar maar niet goed voor den
geest kwam: haar medelijden voor dien neef, die haar heur vader deed
herdenken.... Zij wilde nu niet aan dat alles denken, zij wilde nu
slechts gelukkig zijn, bij haar Otto....
--Bij jou ben ik altijd kalm, bij jou heb ik het altijd zoo goed.
--Maar je zegt me wel eens, dat je soms zonder reden nerveus bent,
en.... en melancholiek, geloof ik, ook, niet? Natuurlijk, nu ben
je getroffen, nu was er wel reden voor... Maar als je nu eens zoo
zenuwachtig wordt zonder reden, zal je dan ook bij me komen?
--Natuurlijk....
--Zal je dan bij me komen, en me alles vertellen, wat je maar vertellen
kunt, en vertrouwen in me stellen, omdat ik van je hoû en altijd zal
probeeren je weêr op te heffen uit die buien? Zal je dat? Beloof je
me dat?
--Ja, natuurlijk.... Vroeger had ik niemand dan Henk, bij wien
ik dan wel eens mijn troost zocht, maar ik geloof niet dat hij me
begreep, hoewel hij altijd heel vriendelijk was.... Maar nu heb ik
jou.... Zeg, Otto, geloof je ook niet, dat je maar eens in je leven
heusch van iemand houdt? Zie je, heusch houden, niet maar zoo eens
verliefd zijn, voor een oogenblik.... Dat heb je wel eens meer,
geloof ik.... Jij niet?
--Nu niet! antwoordde hij glimlachend.
--Dan ben je het ook met me eens.... Van mij hou je, op mij ben je nu
niet zoo een beetje verliefd, omdat ik er aardig uitzie.... In het
eerst begreep ik nooit waarom je van me hieldt, maar nu wel: het is
omdat, omdat.... ach ik weet het niet, ik kan het niet zeggen.... en
toch voel ik het zoo goed: ik ben nu alles voor je, niet? Maar toen
je mij van den winter dien waaier gaf, dien waaier van Bucchi.... hoe
hieldt je toen van me, zeg!
Hij liet haar zachtjes voortkeuvelen, aan zijne voeten en hij
antwoordde met een kus op heur haar. Zij wist het, dat zij het
hem kon beloven: vertrouwen, volslagen vertrouwen; hij zou haar
begrijpen en hij zou haar weêr gelukkig maken, ieder oogenblik, dat
zij het niet zoude zijn. Maar eindelijk, na het gekeuvel, was zij
moê, zoo moê van haar schrik, van al die emoties, en zij sprak niet
meer en neuriede slechts een weinig, tot zij in de avondschemering,
die tusschen de zware gordijnen viel, insliep, steeds met het hoofd
op zijn knie. Hij verroerde zich niet, maar bleef onbeweeglijk op
haar staren en voor het eerst sedert hij haar liefhad, rees iets als
een twijfel in hem op, of alles wel worden zou, zooals hij het zich
voorstelde. Een droeve weemoed straalde uit zijn blik die onafgewend
op haar rusten bleef en hij gevoelde nu, dat, hoe gelukkig men was,
het geluk altijd vermengd werd met een droppel alsem, al vloeide die
ook slechts uit eigen overpeinzingen en eigen vertwijfelingen er in.
Hoofdstuk XXI.