II.

Betsy, al had zij het nooit gezegd, had als haar schoonmoeder,

het eveneens, trots Vincent, die "zoo gezellig kon wezen", eenzaam

en vervelend in huis gevonden. Men had 's zomers ook zoo weinig

afwisseling: het was eeuwig de Tent en eeuwig Scheveningen, het begon

haar eindelijk de keel uit te hangen! En nu Eline terug was, stralende

in haar frisch geluk, dat een geur van landelijkheid door Betsy's

peluche salons verspreidde, nu Eline opgewekt duizend verhalen deed

over de Horze, over Théodore en Truus en de kinderen, over de Howards

en de Van Rijsseltjes, zag Betsy in, dat mevrouw Van Raat gelijk had

gehad, dat Eline de bekoring van haar huis was. Zelve blikte Betsy

nu eenigszins angstig het tijdstip, waarop Eline haar verlaten zou,

te gemoet en deze angst maakte haar bijna zacht van humeur. Otto,

dien zij vroeger te strak en te gepozeerd had gevonden, beviel haar

uitstekend, nu dat zij hem vaak zag, want zij had er op aangedrongen,

dat hij dikwijls zou komen dineeren.

De gesprekken aan tafel werden weder levendig en vroolijk, geheel

anders dan de slepende conversaties tusschen haar, haar man en

Vincent. Zij was vriendelijk tegen Eline, uit dankbaarheid, dat deze

weder de oude gezelligheid deed heersenen, en zij hadden eindelooze

beraadslagingen over Eline's uitzet, waarmede zij nu toch moest

voortmaken, als zij in het najaar wilde trouwen. Zij sleten haar

middagen samen bij naaisters en in winkels; zij reisden samen met

Otto eens voor twee dagen naar Brussel, waar Eline haar bruidstoilet

wilde bestellen, rijk maar eenvoudig, niets dan wit satijn, zonder

kant of strikken.

Eline had intusschen, in al deze drukte, weinig tijd tot nadenken,

en alleen des avonds kwam zij tot rust. Des avonds bleven zij veel

thuis; het was September, Scheveningen verloor langzamerhand zijn

aantrekkelijkheid, en nu Otto kwam dineeren, werd het vanzelve laat,

zonder dat men het bespeurde. Zij zat met hem samen in den tuin of

in het violette kabinetje en zij gewende zich zeer aan haar kalm

geluk; het was alsof zij nooit iets anders gekend had... Alles

was zoo rustig en tevreden in hare ziel, dat zij bijna naar emoties

verlangde.... Maar neen, zij had Otto zoo lief, en deze eene emotie was

haar genoeg.... Nooit iets anders, altijd die rust, altijd dat blauw!

Toch, zich langzamerhand ook gewennend aan hare oude omgeving, werd

zij een weinig stil; haar eerste levendigheid temperde zich, toen

de verhalen van de Horze alle gedaan bleken te zijn, en het scheen,

of haar waan van landelijkheid zich uitwischte, nu zij niet meer op

den grond stoeide met de kinderen, of met Otto in de dennebosschen

lag, maar rustig glimlachend, en in een molligen fauteuil op haar

aanstaande wachtend, luisterde naar Vincent.... Hij praatte met zijn

zachte stem over zijn reizen, over steden en menschen, die hij gezien

had, over zijn eigene levensfilozofle, en de uren, dat zij Otto niet

zag, werden haar gevuld door het genot, dat zij smaakte in Vincents

conversatie. Zijn pessimisme bestreed zij, kalm en als hoogmoedig door

haar geluk op hare aardige, onlogische wijze, waarover hij schertsend

de schouders ophaalde.... zij zou het zelve ook wel eens ondervinden;

men kon zich zijn leven zoo maar niet maken; het een hing af van het

andere, alle omstandigheden schakelden zich samen, van het minste

schijnbare toevalligheidje af, tot de verpletterendste catastrofe, en

het leven was een keten, die het noodlot van al deze toevalligheidjes

en catastrofes smeedde.... daar was niets aan te doen....

--Je gelooft dus, dat alles voorbeschikt is, en dat als ik denk

mijn eigen wil te volgen.... ja, hoe zal ik zeggen?.... vroeg zij,

verward in hare gedachten, toen zij op een namiddag een dergelijk

gesprek met hem voerde, in haar kamer.

--Je slechts schijnbaar je zin volgt, en het uitvloeisel van dien wil

inderdaad het uitvloeisel is van honderdduizenden vooraf gebeurde,

zoogenaamde toevalligheden.... Ja, dat geloof ik zeker.

--Maar Vincent, wat een fatalisme. Dan vind ik maar het beste om op

een stoel te blijven zitten en af te wachten wat komt.

--Daar zou je niet zoo kwaad meê doen. Maar wees verzekerd, dat als

jij op je stoel bleef, die passieve handeling niet het gevolg zou zijn

van je wil maar wel van allerlei kleine oorzaakjes, die je natuurlijk

meestal alle zou zijn vergeten of niet zou inzien.

Zij dacht vaag glimlachend na en knikte langzaam.

--Het is curieus, maar ik geloof toch wel, dat je gelijk zou kunnen

hebben; ik voel wel zoo iets, dat het waar kan zijn.

Zij had behagen in zulk een gesprek; meestal werd zij het met hem

eens. En telkens weêr gevoelde zij voor hem de sympathie, die zij

vroeger reeds gekoesterd had; telkens weêr deed hij haar aan heur

vader denken, in zijn gezegden, in zijn gebaren, in zijn blik. Zij

zag hem interessanter dan hij was, en haar, van natuur romanesk,

gemoed vond op één oogenblik in de kalmte harer liefde voor Otto niet

meer die voldoening. Als een bliksemschicht flitste deze gedachte

door haar brein, slechts gedurende een ondeelbaar oogenblik, en zij

schrikte er voor als voor een spook. Maar het spook verdween en zij

lachte weêr zacht.... Wat kon zij soms toch zonderlinge, nerveuze

fantazieën hebben!

--Dus je gelooft.... begon zij weder, nog een weinig verschrikt en

den draad kwijt.

Hij zag haar glimlachend aan.

--Wat? vroeg hij.

--Je gelooft, bijvoorbeeld, dat als ik met Otto trouw, dit

onvermijdelijk was voorbeschikt.

Hij vatte haar zacht bij de hand.

--Beste meid, waarom zou je je eigenlijk vermoeien in die

uitpluizingen. Je houdt van Erlevoort, je bent gelukkig, stel je daar

tevreden meê; het geluk is een kapel: als het om je heen fladdert,

moet je het niet zoeken te grijpen om het anatomisch te ontleden,

daar is het te broos en te etherisch toe, dan gaat het dood.

Zij zag hem verrast aan; hij kon vaak zijn gedachte in zoo een aardigen

vorm kleeden, en hij deed het zoo gewoon, zonder poëtische affectatie,

alsof hij iets heel eenvoudigs zeide. Het was iets, dat in hem was,

en hij wist het nauwelijks, dat hij het deed, onbewust van deze tint

van artisticiteit in zijn karakter. Maar toen zij hem zoo verrast

aanzag, ontstelde zij hevig. Hij was wit als een lijk geworden en

had zich uit zijn stoel opgericht, met starende, verwijde oogen en

twee violette doodstrekken om zijn neêrhangenden, kleinen mond....

--Mijn God, Vincent, wat heb je? riep zij eveneens oprijzend.

--Niets, ik ben wat benauwd .... toe, doe je raam open ... smeekte hij.

--Wil je niets hebben.... water? vroeg zij bevend.

--Neen, neen... lucht... smeekte hij weder.

Zij stortte op het venster toe, maar heur trillende handen vermochten

het niet te openen en zij belde...

--Mijn God, mijn God! riep zij.

Vincent was flauw neêrgevallen op den Perzischen divan, en hij gleed

langzaam van de kussens op den grond; alleen zijn hoofd bleef roerloos

tegen den matras aanliggen. Een zweet parelde dik op zijn voorhoofd

en een benauwde ademhaling rochelde op uit zijn borst.

--Mijn God! gilde Eline radeloos.

Zij snelde de deur uit en riep aan de trap:

--Betsy, Mina, Henk... Betsy! Vincent... Kom toch! Vincent! Hij sterft,

geloof ik...

En zij keerde weder terug en belde hevig...

Daar hoorde zij beneden stommelen en Betsy vloog de trappen op, gevolgd

door de drie meiden, door Gerard, den knecht, en Ben. Henk was uit.

--Vincent!... riep Eline haar tegen. Vincent! Hij sterft, geloof ik...

Betsy schrikte, maar zij bleef zeer kalm. Zij beval aanstonds Anna

de kindermeid, met Ben weg te gaan en stuurde Gerard naar een dokter

in de buurt; Reijer zou toch niet thuis zijn. Met Eline en Mina tilde

zij Vincent op den divan en Grete vroeg zij om azijn.

--Gauw, haast je! beval zij kort.

Vincent was roerloos blijven liggen met gesloten oogen en de vale,

violette trekken om den mond. Betsy knoopte zijn jas en vest los en

deed zijn boord en das af...

--Geef ook wat Eau de Cologne, Eline... toe help me dan toch: je weet

hoe onhandig ik altijd met zooiets ben!

Intusschen handelde zij toch en wreef zij Vincents slapen en polsen

met zakdoeken, doorweekt met azijn of Eau de Cologne...

Zij vroeg Eline, hoe het gekomen was, en Eline vertelde het: zij

hadden eenvoudig zitten praten, en toen was hij in eens opgestaan en

zóo neêrgevallen... ze was zoo geschrikt...

--Zou hij dood zijn? vroeg zij trillend.

--Wel neen.... het is alleen een flauwte; hij heeft het nog eens gehad,

toen je op de Horze was.

--Nog eens? vroeg Eline met open mond.

Betsy antwoordde niet, maar de deur werd zacht geopend en Otto

verscheen.

--Ik hoorde van Grete... Kan ik je helpen? vroeg hij zacht.

--Neen, neen, laat maar.... neem Eline maar meê, ze is zoo geschrikt.

--Toe, laat me je helpen! smeekte Eline.

--Ach neen, straks komt de dokter, hoop ik, en dan is alles in

orde. Ga maar!

Otto vroeg, of hij naar Reijer wilde loopen, maar Betsy weigerde en hij

voerde Eline weg. Hij kwam van zijn bureau, en zij hadden afgesproken

te gaan wandelen, maar hij bracht haar nu naar den salon en deed haar

zitten. Zij was zeer geschrikt en zij begon te weenen.

--Betsy vertelde, dat hij het meer heeft gehad.... maar ik heb nooit

zoo iets gezien... Ik dacht, dat hij dood zou gaan.... Tante Vere

had die zelfde trekken om den mond toen zij stierf....! hijgde zij

tusschen haar snikken uit.

Hij trok haar aan zijn borst en kuste haar voorhoofd.

--Kom, lieveling, bedaar nu.... ik geloof ook niet, dat het iets

is... Wat ril je....

--Ik ben er zoo zenuwachtig van geworden! Ik.... ik voel me niet

meer! O, Otto!

Hij klopte haar zacht op heur handje, dat hij hield omvat.

--Wees nu maar kalm.... kom.... kom....

--Zoo iets maakt me geheel van streek.... ik kan er niet tegen zoo

iets te zien....

Het was, of er iets als zelfverwijt in haar ziel sloop en zij dacht

na, of er een verband was tusschen haar laatste woorden tot Vincent

en zijn flauwte. Maar zij herinnerde zich hun gesprek niet meer en

zij liet zich moê tegen Otto's schouder neêrzinken.

--Wat een kind ben ik, hè? murmelde zij nog bevend. Maar heusch,

ik kan zoo iets niet zien...: Ik herinner me: vroeger heb ik eens

een hond zien overrijden, en ik huiver nog, als ik er aan denk....!

--Je bent wat overgevoelig, sprak hij.

--O ja, ik ben zoo.... ik ben zoo.... laat me, laat me zoo maar

liggen! lispelde zij en vlijde zich dichter tegen hem aan.

--Lieveling! fluisterde hij.

--Mijn Otto! Mijn man! antwoordde zij smachtend. O ja, ik ben zoo

overgevoelig! Wat zal je een last van me hebben.... Ik ben altijd

zoo.... Die arme Vincent, hè?

--Ja, hij is niet gezond, geloof ik....

Zij bedaarde in zijn kalmte, terwijl zij lang tegen hem liggen

bleef. Zij weende niet meer, maar heure oogen stonden vochtig en

droevig, want zij dacht na over de bliksemende gedachte van dat

ondeelbare tijdstip, dat spook, waarvoor zij geschrikt was, en zij

herriep het in haar geest om het goed onder de oogen te zien.... Het

mocht nooit meer terugkomen, nooit meer: het had haar zoo doen

ontstellen!

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 99 / 188 题