In den Haag ging Augustus gloeiend voorbij, maar de avonden waren koel
op het Terras te Scheveningen of in de Tent van het Bosch. Het was nu
Zondagavond, en Betsy bleef thuis: de oude mevrouw Van Raat was in zoo
lang niet bij haar geweest en zij had hare schoonmoeder gevraagd eens
te komen; Zondags was het toch niet prettig op Scheveningen. Men zou
thee drinken in de groene serre, waarvan al de glazen deuren geopend
waren. Henk liep met mevrouw even den tuin door, en de oude dame
bewonderde zijn prachtige stamrozen. Betsy en Vincent zaten alleen.
--Ik heb een brief van Eline; ze komt Woensdag met de Erlevoorts terug;
de Howards blijven nog wat op de Horze, sprak zij.
--Zoo? antwoordde Vincent. En als Eline komt moet ik zeker weg? vroeg
hij op den man af.
Betsy schrikte en zij glimlachte zeer lief.
--Verbeeld je. Volstrekt niet. Je weet, ons huis staat voor je open,
tot je iets gevonden hebt. Hoor je niets meer van... hoe heet die
vriend uit New-York ook weêr?
--Lawrence St. Clare. Neen, ik heb in langen tijd geen tijding van
hem; ach, je vergeet je vrienden als ze zoover zijn. Ik neem het hem
niets kwalijk.
Hij leunde achterover in zijn rotting leunigstoel, met iets van een
slachtoffer. Intusschen gevoelde hij zich zeer behagelijk, aangenaam
gestreeld door de luxe, die in de serre, tusschen het groen der
planten, in het weifelende halflicht schemerde. De tuin was keurig
onderhouden, rijk aan bloemen, met een gazon. En in de omgeving, in de
tegenwoordigheid van Betsy, zeer elegant in haar licht zomertoilet, bij
het zachte geschitter van zilver en Japansch porselein op het theeblad
gevoelde hij zich veilig voor de onaangenaamheden des levens. Het was
rust, het was eentonigheid, maar zij verkwikten hem... Betsy wist hij
te kunnen beheerschen, maar het was niet noodig zijn macht te doen
gelden; ook was hij er te traag toe. Hij leefde immers gemakkelijk,
hij had zich om niets te bekommeren.
--Wat zou je er van zeggen, als ik een vrouw zocht? vroeg hij
eensklaps, bij Betsy's aanblik denkend aan de genietingen van een
rijk huwelijk.
--Een vrouw? O, uitstekend! Wil ik er een voor je zoeken? In welk
genre?
--Mooi is geen vereischte, maar elegant.... Niet al te naïef en
idealistisch!... En geld natuurlijk ...
--Natuurlijk. Een dwaasheid uit passie verwacht ik niet van je... Wat
zeg je van de Eekhofjes?
--Ben je dwaas! Twee gichelende lachebekken! En geen geld, hè?
--Men zegt van wel. Anderen beweren, dat ze te groot leven. Enfin
je zou kunnen informeeren. Maar sprak je in ernst, Vincent, of voor
de conversatie?
--Volstrekt niet. Ik geloof, dat ik verstandig deed, als ik
trouwde. Keur je mijn plan niet goed?
Betsy zag hem doordringend aan, vol geheime minachting. Met zijn doffe
oogen, zijn matte gebaren, zijn moede stem scheen hij haar geen ideaal
van een echtgenoot voor een jong meisje.
--Niet geheel en al. Ik geloof, dat je een gloeiende egoïst bent. Ik
geloof ook niet, dat een vrouw veel steun aan je zou hebben. Je bent
zwak... ik meen natuurlijk moreel...
Zij gevoelde aanstonds berouw over hare woorden, en zij was geërgerd
over haar onvoorzichtigheid. Zij huiverde bijna, nu hij haar met zijn
geheimzinnigen glimlach aanzag, met zijn zachten, fletsen slangenblik.
--En een vrouw heeft altijd steun noodig, hé? sprak hij, syllabe voor
syllabe. Jij ook, nietwaar, je steunt op Henk, je laat je heel en
al op hem neer, en hij is er sterk genoeg voor... ik meen natuurlijk
fyziek...
Ieder woord onderschrapte hij als met een hatelijke bedoeling en
ieder woord trof haar als een naald in haar, van natuur heerschzuchtig
gemoed, maar zij durfde hem niet antwoorden, zij verzonk weg in vrees
en lachte slechts goedig, alsof hij een aardigheid gezegd had. En
ook hij lachte nu met haar zelfden lach, goedig en zacht, maar vol
bedekte wraakzucht.
Zij bleven een oogenblik stil, beiden bewust van den strijd onder
die uiterlijke vriendelijkheid, en Betsy wist het eerst te zullen
moeten toenaderen en begon zacht eenige klachten te uiten over de oude
mevrouw Van Raat, die haar altijd verkeerd begreep, en waarmede zij
maar nooit zou leeren overweg te kunnen. En terwijl hij onverschillig
toeluisterde, zag zij duidelijk in, hoe zij hem verafschuwde, hoe zij
hem nu gaarne, na een maand met hem samen geleefd te hebben, het huis
zou uitjagen, maar zij wist het: dat zou niet gaan zonder een geweldige
scène; hij zou blijven hangen, blijven hangen tot in der eeuwigheid
toe, en zij zou geen middel weten om hem te verwijderen. Alles was
de schuld van Henk; had heur man Vincent dat ellendige sommetje
geld gegeven, zij zou nooit op het idée zijn gekomen hem in huis
te nemen. Zij verafschuwde Vincent en zij verafschuwde zichzelve om
haar vrees; zij was immers rijk en gelukkig; wat zou hij haar kunnen
doen? Maar hoe meer zij redeneerde over dien angst, hoe meer die angst
zich vastklemde in haar geest, als een ontzenuwende idiosyncrasie,
waarvan zij zich niet wist te bevrijden.
Mevrouw Van Raat en Henk kwamen langzaam uit den tuin terug en zij
zetten zich in de serre, bij een der open glazen deuren. Maar de oude
vrouw was, na een paar frazen over de rozen, stil en peinzend: te
midden der weelde van het huis haars zoons overviel haar nu een kilte,
een leêgte, die haar melancholiek maakte, nog meer melancholiek dan
in haar eigen eenzaam huis. Vroeger had zij dat gevoel toch niet bij
haar Henk gekend maar nu was het, of de liefde voor haar zoon geen
gloed genoeg gaf om die kille leêgte te verwarmen. En op eens trof
haar de waarheid: zij miste Eline, Eline, die overal waar zij zich
vertoonde haar liefelijke bekoring uitstraalde, zij miste haar goed
kind, zoo geheel anders dan Betsy, zoo hartelijk en sympathiek. En
zij kon zich niet weêrhouden met haar treurige stem te zeggen:
--Je huis is uitgestorven zonder Elly. Wat zal het zijn, als ze
getrouwd is en voor altijd weg. Die lieve Elly.
Zij hoorde niet wat Betsy en Vincent antwoordden, zij hoorde niet,
hoe Henk ook iets zeide, zij liet haar grijze hoofd neêrzinken op
de borst en zij staarde voor zich uit, de geaderde handen gevouwen
in den schoot. Het leven scheen haar troosteloos, een grijs bestaan
van smart, van scheiden en weenen, waardoor de menschen als tragische
schimmen somber en droef ronddwaalden.
En zij huiverde, tot Betsy vroeg, of zij het koud vond, en Henk de
glazen deuren dichtsloot en het gas liet ontsteken.