VII.

Men ging op de Horze steeds vroeg naar bed; om half-elf was alles

stil. Eline had een uur in Frédérique's kamer zitten keuvelen,

en zij had zich gelukkig gevoeld in Frédérique's steeds toenemende

sympathie. Op den rand van het bed had zij gezeten terwijl Freddy er

reeds in lag en zij hadden elkaâr allerlei vertrouwelijke mededeelingen

gedaan, over honderden onderwerpen. Soms hadden zij zeer gelachen, maar

haar lach ingehouden, want het was alles stil in huis, doodstil. Ten

laatste was Eline zachtjes, op de tippen harer teenen, weggeslopen en

zij bevond zich nu alleen in haar eigen vertrekje. Zij ontstak haar

kaars en ontkleedde zich langzaam, met een onbewusten en gelukkigen

glimlach op de lippen. Een oogenblik bleef zij peinzend zitten,

met haar loshangende haren en hare bloote armen en hals en steeds

met haren glimlach. Zij verlangde niets, niets meer, zij had alles

wat zij wenschte...

En zij ontsloot haar venster en zag naar buiten. Het regende niet

meer, maar een geur van vochtig loover steeg op. De hemel was

klaar, als schoongewischt van de sombere, loodkleurige massa's;

een schitterende maansikkel dreef de enkele ijle wolknevels door. De

velden lagen zwijgend en ver uit elkander gespreid; een enkel molentje

verhief zijn zwarte wieken roerloos in de tinteling van den bleeken

glans. De slooten schitterden als strepen metaal. En een geurige

frischheid hief zich uit de sluimering van het landschap op als een

zachte adem. Eline leunde aan het venster en zij vouwde haar armen

over haar blooten hals. Het was haar, of die geurige frischheid,

die zachte adem ook al haar gedachten verfrischt en doorgeurd had

als met een geur van veldbloemen, die den ongezonden muffen reuk van

haar vroegere denkbeelden, als een ontzenuwend parfum van musc en

opoponax, verdreven had. Zij gevoelde zich zoo innig jong, zooals zij

vroeger nooit geweest was, en o--dat wist zij nu zeker--nooit had zij

liefgehad als zij thans deed, nooit, nooit! Haar Otto! Wanneer zij

hem zich nu dacht, gevoelde zij geen behoefte zich een geïdealizeerd

beeld voor den geest te roepen; zij dacht hem zich zooals hij was,

zoo mannelijk en flink in zijn hartelijken eenvoud, en met éen

gedachte, die geheel zijn geestelijk leven beheerschte, de gedachte

aan haar. Zijne liefde was zoo rijk, zoo vol, zijn liefde vulde alles

in hem. En de hare vermeerderde iederen dag, meende zij... neen,

kon niet meer vermeerderen, kon het niet meer! Geen wensch meer,

geen overpeinzingen meer over haar toekomst; vanzelve zou zich die

ontrollen, een verschiet van glans en goud! Niets dan de stilte van

dat meer, waarin heure ziel gegleden was, niets dan de rust en de

liefde van die blauwe extaze vol zaligheid! Alleen dat, niets anders,

niets meer! Zij wist niet wat nog meer te wenschen zou zijn door een

menschelijke gedachte...

Maar alleen: éen schemerend streepje door de klaarte van al

dat blauw! Alleen de vrees.... de vrees, dat het ooit anders zou

worden! Zij had in zoo lang niet meer gebeden; zij wist niet meer,

hoe zij het zoude doen, murmelend of slechts denkend... ach, zij

wist zelve niet meer, of zij aan God geloofde, zij wist dat niet

meer... maar nu, nu had zij gaarne willen bidden, willen bidden,

dat het zoo zou blijven, nooit veranderen, altijd dat zachte geluk,

altijd die rust, dat blauw!

--Nooit, nooit meer als vroeger, God... altijd zoo, altijd zooals

nu! Veranderde het, ik zou sterven! fluisterde zij onhoorbaar

en terwijl zij haar handen vouwde, trilde een traan aan heure

pinkers... Maar het was een traan van geluk, want in haar geluk

verdronk die vrees als een druppel in de zee.

Hoofdstuk XX.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 97 / 188 题