Men ging op de Horze steeds vroeg naar bed; om half-elf was alles
stil. Eline had een uur in Frédérique's kamer zitten keuvelen,
en zij had zich gelukkig gevoeld in Frédérique's steeds toenemende
sympathie. Op den rand van het bed had zij gezeten terwijl Freddy er
reeds in lag en zij hadden elkaâr allerlei vertrouwelijke mededeelingen
gedaan, over honderden onderwerpen. Soms hadden zij zeer gelachen, maar
haar lach ingehouden, want het was alles stil in huis, doodstil. Ten
laatste was Eline zachtjes, op de tippen harer teenen, weggeslopen en
zij bevond zich nu alleen in haar eigen vertrekje. Zij ontstak haar
kaars en ontkleedde zich langzaam, met een onbewusten en gelukkigen
glimlach op de lippen. Een oogenblik bleef zij peinzend zitten,
met haar loshangende haren en hare bloote armen en hals en steeds
met haren glimlach. Zij verlangde niets, niets meer, zij had alles
wat zij wenschte...
En zij ontsloot haar venster en zag naar buiten. Het regende niet
meer, maar een geur van vochtig loover steeg op. De hemel was
klaar, als schoongewischt van de sombere, loodkleurige massa's;
een schitterende maansikkel dreef de enkele ijle wolknevels door. De
velden lagen zwijgend en ver uit elkander gespreid; een enkel molentje
verhief zijn zwarte wieken roerloos in de tinteling van den bleeken
glans. De slooten schitterden als strepen metaal. En een geurige
frischheid hief zich uit de sluimering van het landschap op als een
zachte adem. Eline leunde aan het venster en zij vouwde haar armen
over haar blooten hals. Het was haar, of die geurige frischheid,
die zachte adem ook al haar gedachten verfrischt en doorgeurd had
als met een geur van veldbloemen, die den ongezonden muffen reuk van
haar vroegere denkbeelden, als een ontzenuwend parfum van musc en
opoponax, verdreven had. Zij gevoelde zich zoo innig jong, zooals zij
vroeger nooit geweest was, en o--dat wist zij nu zeker--nooit had zij
liefgehad als zij thans deed, nooit, nooit! Haar Otto! Wanneer zij
hem zich nu dacht, gevoelde zij geen behoefte zich een geïdealizeerd
beeld voor den geest te roepen; zij dacht hem zich zooals hij was,
zoo mannelijk en flink in zijn hartelijken eenvoud, en met éen
gedachte, die geheel zijn geestelijk leven beheerschte, de gedachte
aan haar. Zijne liefde was zoo rijk, zoo vol, zijn liefde vulde alles
in hem. En de hare vermeerderde iederen dag, meende zij... neen,
kon niet meer vermeerderen, kon het niet meer! Geen wensch meer,
geen overpeinzingen meer over haar toekomst; vanzelve zou zich die
ontrollen, een verschiet van glans en goud! Niets dan de stilte van
dat meer, waarin heure ziel gegleden was, niets dan de rust en de
liefde van die blauwe extaze vol zaligheid! Alleen dat, niets anders,
niets meer! Zij wist niet wat nog meer te wenschen zou zijn door een
menschelijke gedachte...
Maar alleen: éen schemerend streepje door de klaarte van al
dat blauw! Alleen de vrees.... de vrees, dat het ooit anders zou
worden! Zij had in zoo lang niet meer gebeden; zij wist niet meer,
hoe zij het zoude doen, murmelend of slechts denkend... ach, zij
wist zelve niet meer, of zij aan God geloofde, zij wist dat niet
meer... maar nu, nu had zij gaarne willen bidden, willen bidden,
dat het zoo zou blijven, nooit veranderen, altijd dat zachte geluk,
altijd die rust, dat blauw!
--Nooit, nooit meer als vroeger, God... altijd zoo, altijd zooals
nu! Veranderde het, ik zou sterven! fluisterde zij onhoorbaar
en terwijl zij haar handen vouwde, trilde een traan aan heure
pinkers... Maar het was een traan van geluk, want in haar geluk
verdronk die vrees als een druppel in de zee.
Hoofdstuk XX.