VI.

Het was zwoel en drukkend heet geweest. Het koffiedrinken was gedaan

en de kinderen hadden zich verspreid langs den vijver, waarlangs

de duiven fladderden, rondom de twee ooievaarsnesten, die op hooge

stelten te midden van het gazon zich verhieven. In de open verandah,

die met een paar treden in den tuin uitkwam en op den vijver zag,

zat de oude mevrouw te midden harer dochters. Eline en Frédérique

waren met de heeren biljart gaan spelen.

--Waar zijn de kinderen toch? vroeg Cathérine, en zij zag uit over

het geschoren gras, waar zij anders croquet speelden, of woelig over

elkander rolden, terwijl nu de drie honden van Théodore er ongestoord

lagen te sluimeren. Zij zijn na het eten dadelijk weggevlogen!

--Ze zijn gaan wandelen, naar den Witten Kuil, geloof ik, antwoordde

Truus.

--Naar den Witten Kuil? riep Mathilde verschrikt. Maar dat is wel

een uur loopen, en ik geloof zeker, dat we regen krijgen.

Truus stond op en zag naar de lucht.

--Het is mogelijk, dat je gelijk hebt, Tilly. Ik had het ze niet moeten

toestaan, maar die Jet zeurde zoo en jouw troepje zeurde meê, en ik

had eigenlijk niet op het weêr gelet. Ik kan ook niet op alles letten;

mijn hoofd loopt me soms om van al die drukte, die ze maken. Maar

trek je dat niet aan, ik vind het daarom wel gezellig, hoor!

Intusschen zag het er buiten onheilspellend uit. Zware, loodkleurige

massa's dreven aan den hemel samen en een schemering scheen als een

grauwe asch neêr te vallen. De bladeren sidderden aan de twijgen en

het water van den vijver rimpelde zich met lichte kabbelingen. Truus

was blijven staan en keek steeds uit.

--Ik hoop maar, dat ze parapluies bij zich hebben! zeide de oude

mevrouw ongerust en zij verhief zich eveneens met Cathérine en

Mathilde.

--Parapluies! Ja, dat kan u denken! Daar zijn het me net kinderen

naar. Ze zullen nauwelijks een hoed opgezet hebben! Wat moeten we

doen? We krijgen een saus van belang.

--We kunnen ze toch niet zoo aan hun lot overlaten. Weet je zeker,

dat ze naar den Witten Kuil zijn? hernam mevrouw.

--Zeker? Ja, ik durf er niet op zweren. Maar ze spraken er toch

over. Ik zal in alle geval Klaas met den tentwagen naar den Witten

Kuil laten rijden. Wacht!

En zij ging naar achteren om den koetsier te waarschuwen.

Enkele dikke druppels vielen neêr. De honden op het gazon rekten zich

een voor een uit en kwamen lui en langzaam binnen, zeker van dichtbij

een goed thuis te zullen vinden. Mevrouw Van Erlevoort bleef onrustig

in de verandah rondloopen, en ook Cathérine en Mathilde klopte het

hart en zij bedaarden slechts een weinig, toen de tentwagen met Klaas

wegratelde, naar den Witten Kuil toe.

Het bliksemde, als een plotselinge flikkerende glans, die de

vaag-grauwe schemering even doorschoot, en de donder barstte uit en

rolde met een dof gerommel weg. Het ruischte in het loover en de regen

stroomde neêr als een klaterende val van water. Uit de biljartzaal

kwamen Eline en Frédérique met Théodore, Otto, Etienne en Cor en zij

bleven allen, bekommerd over de kinderen, in de breede verandah,

hoewel het er een weinig inregende, tusschen de gepleisterde en

omwingerde zuilen. Een vochtige lucht, een geur van natte bladeren

woei uit het geboomte over en de groenigblauwe tinten van den vijver

verdonkerden zich tot somber violet, waarop de regen onophoudelijk

neêrkrinkelde. Het bliksemde telkens en de donder rolde zwaarder

en zwaarder.

--Ik zou hier toch niet blijven! riep Cathérine angstig uit. Laten

we toch naar binnen gaan. My poor Kitty!

Truus was teruggekomen, radeloos, nu het weêr erger en erger werd,

en zij overstelpte zichzelve met verwijtingen, daar zij de kinderen

veroorloofd had uit te gaan; daarop voer zij los tegen Cathérine

en Mathilde, die, hoewel onrustig, haar niets ten laste legden;

daarop tegen haar man, tegen haar moeder, ten laatste tegen Etienne

die er met parapluies op uit wilde. De jongen was gek! Waarom hadden

zij haar ook niet gewaarschuwd, alles kwam op haar neêr, zonder haar

marcheerde er niets in huis en zij stond voor alles alleen! Niemand

hielp haar ook; en plotseling keerde zij zich tot Eline.

--Maar Eline, blijf daar toch niet tusschen die pilaren. Je wordt

kletsnat en het is gevaarlijk met dat licht. Er is immers niets aan

te doen; laten we toch naar binnen gaan. Als ze maar geen ongeluk

gekregen hebben! Ik word dol als ik er aan denk! Waarom heb je mij

dan toch niet gewaarschuwd, Mathilde? Het is ook altijd zoo: alles

draait om mij, je hebt van niemand eenige hulp!

Zij dreef ze woedend van onrust, allen naar binnen met uitgespreide

armen, brommende op haar man, dien zij niet aanhoorde, en op de drie

juffrouwen, die haar vragen deden. Ook de "jongens": Howard, Otto,

Etienne en Cor, dreef zij de deuren in; zij was al angstig genoeg over

wie daar buiten waren, en het hielp niets of zij uitkeken.... als ze

soms dachten, dat de kinderen er eerder om zouden komen! Intusschen

liep zijzelve zenuwachtig van binnen naar buiten, terwijl de regen

steeds stroomend plaste op den vijver en over het mozaïek der verandah

en het weêrlicht zijn korten glans uitwierp en de donder dof, als op

kolossale raderen, wegrommelde.

Binnen waren zij gaan zitten, onrustig en stilzwijgend, vol

verwachting. En het was een algemeene verruiming toen de oude tentwagen

aanrammelde, met overal dichtgeknoopte zeilen, waartusschen men handjes

en glurende hoofdjes bespeurde. De wagen reed de Horze om en hield

stil voor de overdekte achterpoort. Allen stormden naar achteren,

om de geredden te ontvangen.

Klaas ontknoopte de zeilen en zij kwamen een voor een te

voorschijn. Marianne en Henriette het eerst, die, met Willy en Gustaaf,

de Van Rijsseltjes en Memée hielpen uitklimmen, terwijl Cathérine

naar Kitty vloog, die huilde. Zij kwamen druipnat te voorschijn,

met bemodderde schoenen en handen, vuil van het natte zand van den

Witten Kuil, terwijl het onophoudelijk druppelde van de verslapte

randen hunner strooien hoeden. Er was in het eerste oogenblik, dat zij

naar binnen geleid werden, geen orde onder te houden, want zij renden

juichend door de vestibule en de groote eetkamer, alles bevochtigend

en bemodderend, en bassend nagevlogen door de drie, honden.

Marianne en Jet schaterden van het lachen, om Willy, die een schoen in

den Witten Kuil had achtergelaten, en Tina, Johan en Lientje vertelden

schreeuwend, tegelijk, aan Mathilde, hoe Nico bijna was achtergelaten

door Klaas, omdat hij nog naar zijn schop had willen zoeken, die in

het zand was verloren geraakt. Maar zoo zou het niet lang duren, want

Truus was meesteres in haar huis en zij verhief haar stem, en klopte

bevelend op de tafel, en er begon eenige orde en stilte te ontstaan,

terwijl de kinderen beknord en naar boven gebracht werden. Juffrouw

Frantzen, de juffrouw van Truus en de Engelsche bonne liepen

zenuwachtig in de kleedkamers, in de kasten zoekende naar schoone

kousen en flanelletjes, en Truus bracht eenige ruwe handdoeken aan,

om de kinderen droog te wrijven. Zij werden ontkleed, allen tegelijk,

en niemand had meer ooren en oogen voor het onweêr daarbuiten;

ieder beijverde zich om te helpen, Marianne en Henriette verdwenen

in haar kamer en sloten de deur, daar alles maar in en uitliep, papa

en de ooms niet uitgezonderd. Ook Willy en Gustaaf werden door Truus

gedreven zichzelven te helpen, en zij gooide hun handdoeken toe en

schoone onderkleêren en vermaande hen zich hard en goed af te wrijven,

hun rug, hun borst, hun voeten; zij zou wel andere schoenen halen.

In een andere kamer hoorde men Kitty nog flink huilen te midden

der Engelsche frazen van Cathérine en haar bonne. Maar den meesten

last gaven de Van Rijsseltjes aan mevrouw Van Erlevoort, Mathilde

en Frédérique; juffrouw Frantzen verschoonde namelijk Memée, omdat

de bonne van Truus maar geen schoone kousen vinden kon voor Jet,

die met haar bloote beenen telkens in de deur verscheen, scheldend

op dat akelige mensch, dat haar zoo nakend liet rondpatrouilleeren.

--Tina, kleed je dan toch uit! riep Mathilde verstoord, bezig met

Johan, terwijl haar mama Nico en Frédérique Lientje hielp, maar Tina

bleef zeurend op haar stoel zitten en wilde geholpen worden, toen

Eline eensklaps binnenkwam. Zij had alles voor Tina bijeen gezocht,

kousjes, schoentjes, een hemdje, een rokje, een frisch japonnetje,

en zij vloog naar heur lieveling toe.

--Foei, Tina, zoo te mopperen, als mama het druk heeft! Mag Eline

je helpen?

Tina knikte neerbuigend, dat het goed was, als een pruilend

prinsesje. Eline zette zich op den grond, ontknoopte hare smerige

laarsjes en stroopte hare doornatte kousjes af.

--Maar schatje, hoe heb je toch zoolang zóó kunnen blijven! riep zij

ontsteld, en zij wreef de kille, witte voetjes en de slanke beentjes

van het kind met een harden handdoek, tot zij warm en rozig werden

en Tina reeds lachend er mede in Eline's schoot woelde. Eline kreeg

haar zoo ver dat zij onder de afwrijving zelve haar blouse en haar

ceintuur losmaakte.

--Kleed je nu van boven zoo een beetje uit, dan zal ik straks je

haren borstelen en kammen. Vindt je dat niet heerlijk?

--Zal je mij dan kappen? Zoo hoog als jij het draagt?

--Maar, kleine dot! Ben je dwaas? Je krijgt een vlecht hoor, net

als anders.

--Neen toe, Eline, toe, kap me nu mooi, als een dame!

--Goed, goed, maar doe dan wat ik je zeg, kleed je dan uit! Gauw, Tina!

Daar vloog Tina's blouse over Eline's hoofd op den grond, en Eline,

die haar reeds geschoeid had, deed haar op een stoel staan en hielp

haar verder, terwijl Tina ratelde over den Witten Kuil, en hoe zij zoo

bang was geweest voor het licht. Eline wreef haar geheele koude, blanke

lijfje, tot het reeds huiverende kind gloeide, rozig en warm, terwijl

zij als een pop met zich liet dollen. Zij hief haar armpjes op en

sloeg ze Eline om den hals, alsof zij ze wurgen wilde, en Eline lachte.

--Het is of je je heele leven met kinderen hebt omgegaan, Eline! riep

Mathilde vriendelijk en dankbaar, nog bezig met Johan, en mevrouw Van

Erlevoort en Frédérique zagen glimlachend om. Jet had eindelijk hare

kousen gekregen en zat ze nu midden in het vertrek nog brommende aan

te trekken, terwijl Willy en Gustaaf haar plaagden. De geheele kamer

was een chaos van natte kousen en schoenen, en slingerend ondergoed

en neêrgesmeten handdoeken.

Eline lachte tevreden en zij kleedde, trotsch op haar handigheid,

Tina vlug aan.

--Kijk eens, hoe grappig ze er uitziet in haar borstrokje! Wacht,

ik zal je kietelen, hoor.... Hier, allons! je beenen in je

broekspijpen. Lastige meid, je staat geen oogenblik stil... En handjes

thuis, s'il te plait, je maakt al mijn haar in de war. Kom, knoop

zelf je jersey dicht, hoor! Denk je, dat ik alles voor je doe! Nu,

waar is de borstel...? Wacht, ik zal ook even een kam halen!

--En mijn rood lint! riep Tina van haar stoel.

Eline ging en kwam en tusschenbeide hielp zij nog even Marianne, om

een grooten strik in haar ceintuur te maken. Maar Tina werd ongeduldig,

en riep jaloersch:

--Eline, hè Eline!

--Ja, ja, dadelijk! antwoordde Eline en zij vloog naar Tina en kapte

haar even uit gekheid met een hoog kapsel, dat iedereen schateren

deed, hoewel Tina het beeldig vond. Daarna vlocht zij het zware,

bruine haar samen en kamde haar pony uit.

--Zoo, zoo ben je veel liever, hoor!

--Komt kinderen, wie klaar is, gaat naar beneden! kwam Truus,

eenigszins bedaard, aan de deur commandeeren; en Jet rende woedend

de twee plagende jongens achterna, de trappen af...

--Die Eline met Tina! fluisterde de oude mevrouw later, tot Truus. Je

had het moeten zien. Het was net een plaatje. Ik ben toch blij,

dat alles zoo goed is afgeloopen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 96 / 188 题