V.

Langzaam viel de avond en de lucht bleef helder, in eene parelgrijze

tint, vol sterren. In groote, vage massa's schaduw lag het park op

den achtergrond, terwijl de glazen deuren der verlichte tuinkamer

openstonden en buiten de theetafel blonk in den zachten, huiselijken

glans, die er uit het vertrek vloeide. De kinderen waren naar bed, maar

de meisjes, Marianne en Henriette, bleven nog op. En zij zaten allen

in een grooten kring en luisterden, terwijl Truus thee schonk. Binnen

zong Eline en somwijlen viel er een ster.

Cathérine accompagneerde Eline, terwijl Otto, op de canapé,

luisterde. Het scheen Eline toe of zij hare stem voor het eerst

hoorde, nu zij Mozarts Abendempfindung voordroeg, terwijl de klanken

van hare lippen vielen als fluweel en kristal beide, maar meer als

fluweel, zacht en bijna donzig, zonder hun vroegeren, schitterenden,

metalen glans. Zij zong zonder moeite, zij dacht aan geen techniek,

aan geene kunst, zij dacht aan geene planken en décors en publiek,

als zij deed in haar duo's met Paul. Zij opende hare lippen en geheel

haar geluk scheen uit hare ziel op te wellen in haar zang, terwijl

de weemoed der woorden tot geene treurigheid, maar slechts tot eene

diepere gevoeligheid stemde. Op dezen langen, lichten zomeravond,

nadat de ontoombare drukte der kinderen was bedaard, goot hare muziek

in hun aller huiselijk geluk een melodieuze kalmte en zij hadden haar

des te meer lief om de poëzie die zij hun schonk....

Na het lied klonk een licht applaus en zij hoorden Eline even vroolijk

lachen en haar spreken met Otto en Cathérine. Henriette en Marianne

stoven naar binnen om haar een complimentje te maken.

--O, ik zal het nooit zoo kunnen als jij! riep Marianne, want

Théodore's kinderen, allen, tutoyeerden hunne toekomstige tante met

eene aangeboren vrijmoedigheid. Er is op mijn kostschool in Bonn wel

een koorklasse met een ouden vervelenden meester, maar het geeft me

niets. Heb je lang les en van wien?

Eline zette zich naast Otto op de ouderwetsche ruime bank, terwijl

de beide meisjes zich op de breede leuning wiegelden, en zij vertelde

van Roberts en hare duo's. Cathérine was naar buiten gegaan.

--Maar Eline, zeg me eens, verveel je je hier niet op de Horze? vroeg

Henriette.

--Me vervelen? Waarom? Integendeel....

Henriette zag haar verbaasd aan. Zij was zeer zwaar voor haar leeftijd

maar toch zeer jongensachtig, zooals zij op de leuning der bank,

met de losse veters harer rijglaarzen en hare roode kousen, zat te

wiegelen, bijna slordig en nog niets coquet. Heur rossig blond haar

hing in een dikke vlecht op den rug; zij had vroolijke, brutale,

grijze oogen, een grooten mond en prachtige tanden. Eline wekte in

haar altijd een verward vizioen van bals, met gouden uniformen en

gedecolleteerde dames op. Eline was voor haar de verpersoonlijking

van Den Haag en in Den Haag deed men niets dan dansen en mooi zijn.

--Ja, ik dacht, in Den Haag is het toch heel anders! riep zij met hare

jongensstem. Veel amuzanter, zoo altijd uitgaan, plezier maken! Zie je,

ik geloof niet, dat het me zou aanstaan, maar ik zou het toch wel eens

willen zien! Ik kom bij je logeeren, later, als je getrouwd bent. En

daarom dacht ik, dat je het hier vervelend vond.... het is hier altijd

het zelfde. O, ik vindt het heerlijk: ik heb mijn ezelwagen en mijn

ezel en ik heb mijn bok, en ik zou het wanhopig vinden als ik naar

kostschool moest....

--Wacht maar, nog twee jaartjes! riep Marianne, die reeds zoo wat

nuffig begon te worden. Dan ben ik come-out en dan marcheer jij

naar Bonn!

--Met je ezelwagen of op je bok! sprak Otto lachend.

--Ajakkes! Naar Bonn! Nou maar, ik bedank je hoor! Ik hoef zoo knap

niet te worden. Juffrouw Voermans is goed genoeg voor mij.

--Is dat de gouvernante? vroeg Eline.

--Ja zij is nu bij hare familie in Limburg. Ze is al lang bij ons;

nu leert ze mij en de jongens, maar mama vindt, dat de jongens te

oud worden, en dat ze naar kostschool moeten. Papa niet, die is

veel verstandiger, die houdt niet van al dat geleer. Het is een goed

mensch, juffrouw Voermans, meen ik, maar affreus, en mager als een

boonenstaak. Dus je vindt het hier prettig?

--Zeker.... ik ga hier ook niet vandaan, we blijven hier, nietwaar

Otto?

Hij knikte glimlachend en vatte heure hand.

--Kom, Jet! We vervelen ze! riep Marianne opspringend en hare zuster

bij den arm trekkend. Zie je dat dan niet? En hoe dom van je....

--Wat dom?

--Om te vragen aan Eline of ze zich niet verveelt....

--Waarom? vroeg Eline.

--Wel, als je toch geëngageerd bent, dan verveel je je niet!

--Hoe weet jij dat? bromde Jet. Mal spook! Het is of je het al tienmaal

geweest bent.

Otto en Eline lachten om hare grappige jongensstem, kortaf en quasi

mopperend, en stonden op.

--Waar ga je naar toe, oom? vroeg Marianne.

--Wel, naar den tuin, naar de anderen....

--Dat zou jij nooit doen hè, Marianne? plaagde Jet. Je ging in een

hoekje met je love, in het donker.

Marianne zag Jet verontwaardigd van het hoofd tot de voeten aan en

haalde hare schouders op, terwijl Eline haar schertsend beklaagde en

haar arm nam.

Buiten had Truus het theeblad laten wegnemen en er verscheen een groote

bowl lichten Rijnwijn, geurig van aardbeien en frambozen. De stilte,

die onder Eline's zang geheerscht had, was reeds vervangen door een

gezelligen kout, terwijl Truus met een langen glazen lepel glas na

glas vulde.

--Maar waar blijven Théodore en Etienne toch? vroeg de oude mevrouw

en zag rond.

--Ze zijn zooeven gaan wandelen, den tuin in! antwoordde Mathilde,

terwijl Frédérique riep:

--Théodore! Eetje!

Otto echter zeide ze te zullen gaan zoeken, en hij drong het park

in, donker, onder de vage dichtheid van het loover, vol schaduwen

tusschen de silhouetten der boomstammen. Waar het gebladerte ijler

was schemerde de parelgrijze avondlucht als een hoog verschiet, en

er glansde een bleeke witte maan. Otto liep langzaam den breeden,

slingerenden weg af, maar hij zag niets, en ten laatste riep hij ook:

--Théodore! Etienne!

Een zware stem antwoordde hem, en op dit geluid sloeg hij een zijpad

in. Hij zag zijn twee broêrs, verloren in het donker, zittend op een

bank. Hun gezichten kon hij ternauwernood onderscheiden.

--Er wordt zeer naar je verlangd! sprak hij. De bowl is verschenen!

Hij meende Etienne te zullen zien opspringen met zijne gewone

luidruchtigheid en hij begreep niet, dat zijn jonge broêr zitten bleef,

de ellebogen op de knieën en het hoofd in de handen.

--Kom je? vroeg hij verbaasd.

--Ja, kom dan toch, Etienne! sprak Théodore. Maar laten we langzaam

oploopen, Otto, ik wou je iets zeggen. Ik heb met Etienne gesproken,

en ik schijn het niet diplomatisch genoeg gedaan te hebben. Meneer

is ten minste gepiqueerd.

--Ach, volstrekt niet! bromde Etienne.

--Maar wat is er dan? vroeg Otto.

--Ik ben volstrekt niet gepiqueerd, maar Théodore heeft een tact om

je in een kwartier met zooveel liefs te overstelpen, dat je groen

en geel ziet. Ik ben lui, ik voer niets uit, ik loop leeg, ik sla

geld stuk, en ik weet niet wat ik nog al meer doe; in één woord,

ik ben een lammeling,

--Kom baasje, sla nu niet zoo door. Daar kom je niet verder mee. Ik heb

je wat verveeld met financiëele overwegingen, en ik heb je eens over je

toekomst gesproken, maar gerust, dat kan geen kwaad. Wat zeg jij, Otto?

--Ik heb wel eens met Etienne een dergelijke conversatie gehad,

en dan hoorde hij mij heel welwillend aan, maar ik geloof niet,

dat er hem veel van bijbleef.

--O! nu, dan is het nog zoo kwaad niet, dat ik minder diplomatisch ben

dan jij; mijn ruwheid schijnt dan wat meer indruk gemaakt te hebben.

--Je hebt me een tafereel opgehangen, alsof we geruïneerd waren! riep

Etienne radeloos uit.

--Lieve jongen, je overdrijft als een jong meisje! Ik heb je alleen

eens voorgerekend, dat zoowel mama in Den Haag als wij hier op de Horze

zoo zuinig mogelijk moeten leven, zuiniger dan wij nu doen, wil er niet

eens een tijd komen, dat we ons op een zeer onaangename wijze zouden

moeten bekrimpen. En mama uit haar huis, waar ze zooveel souvenirs

heeft, dat is een gedachte, die er bij mij niet in kan. Daarbij komen

Mathilde en de kinderen. Van Rijssel heeft naar het schijnt geen sou;

op wie anders komen de lasten van hunne opvoeding dan op mama? En ik

verzeker je, hoe doodeenvoudig wij hier allen leven, dat heb je van den

winter, toen je hier met Van Raat logeerde, kunnen zien en dat zie je

nu ook. De eenige luxe, die we ons permitteeren, is jullie des zomers

bij ons te hebben. Intusschen ben jij te Leiden in een troepje van

jongelui, die allemaal rijk zijn of doen alsof en verteer je, alleen,

een beetje minder dan ik hier met mijn heele familie. Je begrijpt,

vriendje, dat gaat niet langer zoo. Ik misgun je daarom niet plezier

te hebben in je leven en ik begrijp, dat, als je eens in een sleur

van uitgaven bent, het heel moeilijk valt op de dubbeltjes te gaan

zien. Maar toch, waarlijk, probeer het eens in het vervolg, Etienne.

Zij liepen langzaam door, en Etienne boog het hoofd. Zijn vroolijke

luchthartigheid zwoegde onder al dien ernst, maar hij gevoelde iets

als zelfverwijt.

--En dan, kerel, denk er eens aan af te studeeren. Je bent, vooral

tegenwoordig, verschrikkelijk aan het lummelen, geloof ik.

--Ach ja, in den zomer, ik voer niets uit! riep Etienne oprecht.

--En den vorigen winter! Hard geblokt, zeker?

Etienne zuchtte.

--Ach neen, maar God! dat weet ik nou wel! Je begrijpt, ik zal toch

wel eens klaar komen. Ik zal zien; ik zal... ik zal werken.

Otto glimlachte, maar hij gevoelde medelijden met Etienne... Etienne

en werken!

--Goed, dat is tenminste eene belofte! sprak Théodore

onverbiddelijk. En ik hoú je aan je woord, hè? Nietwaar, geef je me

je hand er op?

Etienne gaf hem zijn hand.

--Mooi zoo. En wees nu niet meer boos, of gepiqueerd.

--Ach, ik was niet gepiqueerd! riep Etienne wrevelig, en ontevreden

over zichzelven, daar Théodore's vermaningen hem in een onaangename

stemming hadden gebracht, terwijl een verschiet van examens voor zijn

blik verrees. Hij wist, dat hij zwak was, dat het houden van zijne

belofte hem veel zou kosten. Hij had nooit geweten, dat hij kwaad

deed; hij had nooit gedacht, dat hij zijn mama, Mathilde, Théodore,

en de kinderen benadeelde door plezier te hebben en fijne soupers

met zijn clubgenooten te bestellen, en dit alles warde nu in zijn

hersens dooreen als een amalgama van onaangename zaken, waarin hij

geen gat zag. Intusschen waren zij bij den grooten kring gekomen,

en Truus was steeds bezig de glazen te vullen,

--Groote goedheid, zijn jullie daar eindelijk? Ik zou het niet noodig

gevonden hebben iets te bewaren als jullie nog langer op je hadt laten

wachten! riep zij quasie vertoornd uit. Eline was al ongerust voor je,

Otto; ze dacht, dat je in den vijver zou loopen.

--Ach, wel neen! riep Eline, maar Cathérine, Cor de adelborst en de

meisjes, Henriette en Marianne, beweerden, dat zij het nu niet wilde

erkennen en zij maakten zulk een luidruchtige vroolijkheid om Eline,

die zich verweerde, dat Etienne er door werd medegesleept en hen allen

weldra overschreeuwde. Frédérique zocht tevergeefs hem te bedaren en

Mathilde vertelde aan Howard, wat eigenlijk de kwestie was.

Mevrouw Van Erlevoort schudde het hoofd.

--Foei! Eline zoo te plagen! fluisterde zij zacht en haar verdediging

bracht Etienne buiten zichzelven van vroolijkheid.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 95 / 188 题