Men stond op de Horze vroeg op en ging er vroeg naar bed, en de dagen
vlogen om. Men leefde er, een paar regenachtige dagen uitgezonderd,
in de buitenlucht, vooral de kinderen, die, met goed weêr, slechts
binnen waren om te eten of te slapen. Hunne wangen en hunne handjes
verbrandden en zij zagen er uit als kleine nikkers, de Van Rijsseltjes,
de beide jongens, Willy en Gustaaf, en Edmée en Kitty Howard. Tusschen
de duiven, die van hare til over de gazons en de vijver fladderden,
fladderden zij rond, soms angstvallig door juffrouw Frantzen, de
juffrouw van Truus en de Engelsche bonne van Cathérine nagevlogen,
vooral door juffrouw Frantzen, die in eene voortdurende vrees leefde
bij de gedachte aan Nico en aan het water. Zij gingen naar de volière
en den stal zien en waren de beste maatjes met den tuinbaas en zijne
arbeiders, met den koetsier en zijn staljongen. Zij voederden de vogels
en de kippen en de eenden, en reden, vastgehouden door den goedigen
stalknecht, op Théodore's ongezadeld rijpaard, of zij zwommen of zagen
in de gymnastiekkamer naar de toeren van Théodore, die zeer sterk,
en van Howard, die leniger en buigzamer was, terwijl Otto beweerde
zijn techniek verloren te hebben, en Etienne woest tusschen de ringen
zwaaide en over den bok sprong. Maar vooral zagen de Van Rijsseltjes
ademloos op naar Cor, die met een pedant gezicht, zeer kalm en zeker
van zichzelven, de moeilijkste toeren uitvoerde, met de jeugdige
kracht zijner lange, slanke ledematen. Na het koffiedrinken speelden de
jongens met Howard cricket of, in de schaduw der hooge boomen van het
park, met de meisjes lawntennis, of zij lagen lui onder een boom, met
een boek, of niets doende, droomende, met de handen onder het hoofd. Na
den eten toerden zij of zij dreven een weinig in het bootje op den
vijver en de avond viel en het was tien uur voor zij er aan dachten.
En Eline werd door haar geluk en door de weelde van dit zonnige
landleven zoo geheel zichzelve, dat zij zich verwonderde, hoe zij nog
dezelfde was van vóór eenige maanden geleden. Zij gevoelde zich eene
geheel andere; het was haar of heure ziel zich uit glanzende draperieën
had losgewonden en eenvoudig, met de naakte blankheid van een beeld,
vóor haar stond. Zij ontsluierde zich niet meer in hare gemaaktheid;
ze speelde geen rol meer; zij was zooals zij was: het vrouwtje
van haar Otto, en deze oprechtheid gaf zulk eene nieuwe bekoring
aan heure gebaren, aan het minste woord, dat zij uitte, dat Truus,
tot Cathérine's zege, bekende, zich in haar vergist te hebben, dat
Frédérique soms uren lang met haar sprak in zusterlijke ontboezemingen,
dat mevrouw Van Erlevoort haar een engel noemde. Wanneer zij alleen
was, en zich even in hare nieuwe, frissche gedachten verdiepte, welden
de tranen haar in de oogen uit dankbaarheid voor al het goeds, dat
haar geschonken werd, en zij wenschte alleen nog, dat de tijd niet zou
voortsnellen, dat het oogenblik, het heden stil zoude staan. Verder
wenschte zij niets en om haar heen zweefde een oneindige rust, eene
blauwe kalmte, als eene extaze van zaligheid.