IV.

Men stond op de Horze vroeg op en ging er vroeg naar bed, en de dagen

vlogen om. Men leefde er, een paar regenachtige dagen uitgezonderd,

in de buitenlucht, vooral de kinderen, die, met goed weêr, slechts

binnen waren om te eten of te slapen. Hunne wangen en hunne handjes

verbrandden en zij zagen er uit als kleine nikkers, de Van Rijsseltjes,

de beide jongens, Willy en Gustaaf, en Edmée en Kitty Howard. Tusschen

de duiven, die van hare til over de gazons en de vijver fladderden,

fladderden zij rond, soms angstvallig door juffrouw Frantzen, de

juffrouw van Truus en de Engelsche bonne van Cathérine nagevlogen,

vooral door juffrouw Frantzen, die in eene voortdurende vrees leefde

bij de gedachte aan Nico en aan het water. Zij gingen naar de volière

en den stal zien en waren de beste maatjes met den tuinbaas en zijne

arbeiders, met den koetsier en zijn staljongen. Zij voederden de vogels

en de kippen en de eenden, en reden, vastgehouden door den goedigen

stalknecht, op Théodore's ongezadeld rijpaard, of zij zwommen of zagen

in de gymnastiekkamer naar de toeren van Théodore, die zeer sterk,

en van Howard, die leniger en buigzamer was, terwijl Otto beweerde

zijn techniek verloren te hebben, en Etienne woest tusschen de ringen

zwaaide en over den bok sprong. Maar vooral zagen de Van Rijsseltjes

ademloos op naar Cor, die met een pedant gezicht, zeer kalm en zeker

van zichzelven, de moeilijkste toeren uitvoerde, met de jeugdige

kracht zijner lange, slanke ledematen. Na het koffiedrinken speelden de

jongens met Howard cricket of, in de schaduw der hooge boomen van het

park, met de meisjes lawntennis, of zij lagen lui onder een boom, met

een boek, of niets doende, droomende, met de handen onder het hoofd. Na

den eten toerden zij of zij dreven een weinig in het bootje op den

vijver en de avond viel en het was tien uur voor zij er aan dachten.

En Eline werd door haar geluk en door de weelde van dit zonnige

landleven zoo geheel zichzelve, dat zij zich verwonderde, hoe zij nog

dezelfde was van vóór eenige maanden geleden. Zij gevoelde zich eene

geheel andere; het was haar of heure ziel zich uit glanzende draperieën

had losgewonden en eenvoudig, met de naakte blankheid van een beeld,

vóor haar stond. Zij ontsluierde zich niet meer in hare gemaaktheid;

ze speelde geen rol meer; zij was zooals zij was: het vrouwtje

van haar Otto, en deze oprechtheid gaf zulk eene nieuwe bekoring

aan heure gebaren, aan het minste woord, dat zij uitte, dat Truus,

tot Cathérine's zege, bekende, zich in haar vergist te hebben, dat

Frédérique soms uren lang met haar sprak in zusterlijke ontboezemingen,

dat mevrouw Van Erlevoort haar een engel noemde. Wanneer zij alleen

was, en zich even in hare nieuwe, frissche gedachten verdiepte, welden

de tranen haar in de oogen uit dankbaarheid voor al het goeds, dat

haar geschonken werd, en zij wenschte alleen nog, dat de tijd niet zou

voortsnellen, dat het oogenblik, het heden stil zoude staan. Verder

wenschte zij niets en om haar heen zweefde een oneindige rust, eene

blauwe kalmte, als eene extaze van zaligheid.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 94 / 188 题