III.

Terzijde van het kerkje was een heuvelig pijnbosch, en Eline had

er zich op de gladde naalden uitgestrekt en leunde het hoofd op de

hand. Otto zat naast haar. Zij hoorden het touw van de klok knarsen

over de katrol, terwijl er een geluid klonk als van een langzaam

belletje. De kerk ging aan. Eenige boeren en boerinnen, glimmende

in Zondagsch laken en zijden schorten, liepen, het kerkboek in de

hand, op den dorpsweg en Eline en Otto volgden hen met de oogen na,

zelven ternauwernood zichtbaar achter de dikke stammen. De verspreide

kerkgangers waren weinig in getal.... nog enkelen, die zich verlaat

hadden, spoedden zich en alles was stil onder den adem van eene

landelijke Zondagsrust. In de verte blaatte een geit.

Het is waar: Eline had zich de Horze grootscher en weelderiger

voorgesteld, en de doodeenvoudige leefwijze op het landgoed, dat nog

slechts de sporen van grootschheid en weelderigheid droeg, deed haar

soms glimlachen als zij zich Ouida's Engelsche kasteelen, vol hertogen

en prinsen, voor den geest riep, zooals zij er in hare verbeelding

gelogeerd had gedurende hare lectuur bij tante Vere's ziekbed. Het was

dan ook wel een groot verschil, die pracht van ideale aristocratie,

en deze eenvoud van wel bemiddelden, maar noodzakelijk zuinigen adel,

en toch, zij had nu niet willen ruilen, en zij sprak glimlachend tegen

Otto van Ouida en de Engelsche kasteelen en beweerde aan de Horze de

voorkeur te geven, zooals zij ook de voorkeur gaf aan hem, haar armen

landjonker, boven den schatrijken Schotschen hertog, dien zij zich

vroeger gedroomd had, naar het type van Erceldoune of Strathmore....

Ja, Eline gevoelde haar geluk grooter en grooter worden, in die

stille eenzaamheid, onder het donkere denneloover, terwijl Otto's

stem, zoo diep en vol, in heur oor klonk. Hij zeide haar, hoe hij

nog niet begrijpen kon, dat zij hem toebehoorde, voor altijd, niet

waar? en dat zij weldra geheel en al een zouden worden, geheel en

al een.... En hij zeide haar, dat zij maar éene fout had: namelijk,

dat zij zichzelve niet kende, zooals hij haar kende; hij zeide,

dat zij zooveel goeds in zich sluimeren liet, dat zij schatten had,

waarvan zij niet wist, en dat hij dit alles in haar zou pogen te

wekken.... In de volheid van haar geluk werd zij oprecht, ook voor

zichzelve, zóo als zij het nooit was; zij zag hem bijna weemoedig aan,

en antwoordde, dat hij nog wel veel slechts ook in haar zou ontdekken,

later, als hij haar beter kende. Neen, neen, waarlijk, hij kende haar

niet door en door, al meende hij het. Er ging zooveel in iemands hart

om, dat men zoo maar niet altijd kon zeggen, tenminste, dit was het

geval bij haar, Eline, en zij wilde hem wel bekennen, dat zij niet

altijd goede, gedachten had; zij wilde hem ook wel bekennen, dat zij

niet altijd zoo gelijkmatig van humeur was, als hij haar altijd zag:

zij kon kribbig zijn en zenuwachtig en melancholiek, zonder reden,

maar zeker, ze zou voor hem zich trachten te herscheppen in het beeld,

dat hij zich van haar voorstelde; hij was toch eigenlijk een groot

idealist! Zij gevoelde zich rein en goed in die biecht; zij wist nu,

dat zij hem gedachten kon openbaren, die zij zichzelve niet altijd

bekend zou hebben; zij was ook niet meer angstig hem te zullen

verliezen door een onvoorzichtig woord; zij zag het zoo duidelijk:

hoe lief hij haar had; zij was hem toch het liefst, wanneer zij over

zichzelve op die eenvoudige wijze, bijna zonder na te denken, sprak,

en het werd haar vaak of hij haar geweten verpersoonlijkte, waaraan

zij alles verhalen kon, wat een meisje verhalen mocht En hoe meer zij

zichzelve in zulke oogenblikken van oprechtheid en waarheid afbrak,

hoe meer hij haar vergoodde, en hoe meer hij hare ziel meende te

doorgronden door dien glans van schoonheid en behaagzucht.

Zij hoorden het psalmgezang der boeren uit de kerk dringen als een

zachte, breede galm van eenvoudige vroomheid, en in hun stemming scheen

hun dit onkunstige gezang vol van eene poëzie toe, die zich vermengde

met de poëzie der donkere tinten van het loover, met den geur der

dennenaalden, met de liefde in hun hart. Het werd Eline zoo vol,

dat zij zich een weinig oprichtte, heur lokkig hoofdje aan Otto's

borst legde en zich niet weêrhouden kon hare armen om zijn hals te

strengelen, en toen zij zich zoo tegen hem aan voelde, met haar boezem

op zijn hart, doorschokte haar eensklaps een plotselinge snik.

--Mijn God, Eline.... wat.... wat is er? vroeg hij zacht.

--Niets! antwoordde zij bijna stervend in heure weelde; niets, laat

me.... ik ben zoo.... zoo gelukkig!

En zij weende in zijne armen.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 93 / 188 题