II.

De tentwagen was reeds lang uit zicht. Théodore, Howard, Etienne en

Cor liepen voorop en Otto met Eline volgden in de schaduw van Eline's

groote, kanten parasol.

Het gesprek der vier voorgangers was een mengeling van Engelsch en

Hollandsch; Howard beweerde het laatste te verstaan en zelfs twee

of drie woorden er van te spreken, terwijl Théodore telkens over

zijn Engelsch struikelde in zijne uitleggingen over pachters en

bouwlanden. Eenige arbeiders in Zondagspak gingen met een eerbiedigen

groet voorbij.

De weg was zonnig tusschen het gloeiend goud van rogge en haver, en

geen zuchtje deed de stengels wuiven. Daarachter schemerde, wit op

rood, de bloesemende boekweit. In de verte gluurde een boerenwoning

tusschen eenig geboomte uit, met een pluim van rook, vaag grijs op

het blauw der tintelende lucht.

--Je voelt je hier zeker koning in het land? vroeg Howard.

--Ach neen! antwoordde Théodore. Ik voel me hier meer boer dan

koning. Maar keer je eens om; hier zie je dwars door den tuin heen,

op ons paleis.

Zij wendden zich en bleven staan, zoodat Otto en Eline hen weldra

inhaalden. Door een groote opening in het loover van het park zag men,

reeds in de verte, de Horze, blank als pleister, met hare jaloezietjes

en kleine witte punttorens, zich spits verheffen in het blauw, terwijl

de groote, met wingerd begroeide, balcons hare blanke eentonigheid

met lommerrijke plekken verbraken. De vijver lag als een ronde spiegel

midden in het frissche groen der gazons, bespikkeld door eene witte,

fladderende vlucht duiven.

--Wat een alleraardigst uitzicht, sprak Eline verrukt. Maar kijk,

wie wuift daar?

--O, dat zullen grootmama en de tantes zijn! riep Cor uit.

Zij bespeurden in de schaduw van een balcon eenige donkere silhouetten,

die zakdoeken schenen te zwaaien, en zij wuifden allen terug, verheugd

over dien groet van thuis, terwijl Etienne hoera schreeuwde.

--Dat is nu hèt kijkje, sprak Théodore, en drukte op het lidwoord. Maar

kom, vooruit nu, anders komen we nooit aan den dikken boom.

Eline sprak tamelijk vlug Engelsch en Howards conversatie vlotte het

best met haar. Howard voerde haar in een druk gesprek, terwijl Eline

aan Otto's arm, in de schaduw van haar parasol, die hij vasthield,

Howard schertsend antwoordde. En het verbaasde Eline zelve, hoe zij

zonder zich de minste moeite te geven, op iederen man een aangenamen

indruk kon maken, terwijl zij eene vrouw slechts met al de listen

harer liefheid tot sympathie verlokken kon.

Door haar gesprek vol scherts en vroolijkheid vloog als een

bliksemstraal die gedachte: Mevrouw van Erlevoort hield slechts van

haar ter wille van Otto, Cathérine uit luchthartigheid, en hun beider

sympathie wortelde niet in eene overtuiging; anders was het met de oude

mevrouw Van Raat, met Cateautje, met Tina... En met een glimlach leunde

zij zwaarder op Otto; wat deerden haar die anderen; zijne liefde stelde

haar ruimschoots schadeloos voor wat zij in anderen miste; zijn liefde

was haar rijkdom en zij gaf niets om de sympathie der menigte....

Het was een drie kwartier wandelens naar den dikken boom. De weg boog

zich uit het blond der korenbloemen langs heiden, roze van erica,

of heuvelachtige dennenbosschen, welriekend van een sterken harsgeur

en vol schaduw tusschen de rechte stammen en onder het donkere,

sombere loof.

Eensklaps, als eene verrassing, bij eene wending van den weg, lag

het dorpje Horze voor de oogen der wandelaars; eenige huisjes en

hutjes met een broodwinkel, een pastorie, eene uitspanning, een stal,

verstrooid om een klein kerkje, en Eline zag verbaasd rond, en zeide,

dat ze het dorp niet zag.

--Maar je bent er... hier... daar... dat is het dorp! zeide Otto.

--Wat! Dat anderhalve huis? vroeg Eline met groote oogen. Zij lachten

allen, zelfs Howard, en Etienne vroeg aan Eline of ze zich iets in

het genre van Nice of Biarritz had voorgesteld.

--Minstens toch iets als Scheveningen met een Kurhaus, nietwaar

Elly? Zeg Elly, weet je nu al het verschil tusschen rogge en haver?

--Neen, niet goed... boekweit ken ik... vlas ken ik, zoo heel

lichtgeel, vol fleurs des champs... en aardappelvelden ken ik! telde

Eline op haar mooie vingertjes. Maar rogge en haver en tarwe en

gierst, neen... neen, ik weet er niets van! Kom me er niet meê aan,

Etienne! Maar Théodore! Is dit nu heusch Horze? Ben je heer en meester

van die een, twee, drie, vier schuren?

En zij schaterde het uit onder den breeden rand van haar grooten,

strooien hoed, hoewel Théodore zich innerlijk een weinig gekrenkt

voelde. Eline zelve had dadelijk berouw over haar vroolijkheid, die

niet in den toon was, en ze beweerde met een ernstig gezicht, dat er

heel pittoresque plekjes waren, zoo een huisje met een paar boomen,

heel lief waarlijk...

--En de dikke boom, waar is de dikke boom? vroeg Eline. Zij gingen

het dorp door, tusschen de pikkende kippen, die verschrikt wegstoven,

terwijl de hoefsmid en een paar boeren den landheer, die hun allen een

woordje toeriep, gul groetten en zijn vreemde familie nastaarden. Men

ging over een vonder, en Théodore rukte een hek open en riep den

jongen toe, de koe op het weiland vast te houden, daar Eline bang was

voor het groote, vette beest, dat zij met zijne uitpuilende starende

oogen en zijn kauwenden, kwijlenden bek, wel wat onrustbarend vond.

--Etienne, Cor, schei toch uit, Cor! riep zij aan den arm van Otto,

Etienne en Cor toe, die een droefgeestig boe! tegen de koe bauwden,

om haar bang te maken.

--Dat komt er van omdat je Horze hebt uitgelachen, Eline! riep Théodore

met zijne basstem, maar zij zag hem, lachende, zoo zacht tusschen haar

half geloken wimpers aan, dat hij geheel ontwapend werd en Etienne

en Cor toemompelde, niet zoo flauw te zijn....

Aan het einde van het weiland stond de dikke boom, een eik op forschen,

omvangrijken stam, als een ineengedrongen reus. Frédérique, Marianne,

Henriette en de kinderen hadden zich reeds tusschen de uitschietende

wortels neêrgevlijd, als tusschen de voeten van een kolos. De anderen

werden met een luid gejuich welkom geheeten en men drong Howard en

Eline zeer hunne bewondering voor den boom toch te uiten. Eline

verzamelde eenige woorden als: kolossaal, immens, maar Théodore

bespeurde aan haar spotziek lachje, dat de eik hoegenaamd geen indruk

op haar maakte, en hij dreigde haar met den vinger, tot zij in een

klaterenden schaterlach uitbarstte en er niet treuriger om werd,

toen Howard, zeer ernstig, beweerde:

--A big tree, indeed! I never saw such a big one. Quite interesting!

--Wacht, ik zal je krijgen! riep Théodore en hij liep Eline na, die

met een lachenden gil vluchtte tot zij weldra hijgend in het gras

neêrzonk en hare handen uitstrekkend, riep:

--Théodore, schei uit hoor! Ik roep Otto!

--Ik zal je leeren! Jou kwade meid! Roep Otto maar, Ik zal je

leeren! en hij vatte hare polsen, en schudde haar uit scherts, terwijl

zij zich aanstelde, of hij haar vreeslijke pijn deed..... Daarna

hielp hij haar op, en zij beloofde, steeds lachende, niet meer zoo

weinig gevoel voor de natuur te hebben.

De kinderen waren, elkaâr bij de hand vasthoudende, met hun Engelschen

oom bezig den boom te omvademen.

--Bespottelijk van Théodore, Eline zoo na te loopen, mompelde

Frédérique ontevreden en Etienne hoorde haar.

--Hé, jij wordt zoo vervelend! riep hij luid uit. Je zou op het laatst

geen grapje meer kunnen hebben!

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 92 / 188 题