De tentwagen was reeds lang uit zicht. Théodore, Howard, Etienne en
Cor liepen voorop en Otto met Eline volgden in de schaduw van Eline's
groote, kanten parasol.
Het gesprek der vier voorgangers was een mengeling van Engelsch en
Hollandsch; Howard beweerde het laatste te verstaan en zelfs twee
of drie woorden er van te spreken, terwijl Théodore telkens over
zijn Engelsch struikelde in zijne uitleggingen over pachters en
bouwlanden. Eenige arbeiders in Zondagspak gingen met een eerbiedigen
groet voorbij.
De weg was zonnig tusschen het gloeiend goud van rogge en haver, en
geen zuchtje deed de stengels wuiven. Daarachter schemerde, wit op
rood, de bloesemende boekweit. In de verte gluurde een boerenwoning
tusschen eenig geboomte uit, met een pluim van rook, vaag grijs op
het blauw der tintelende lucht.
--Je voelt je hier zeker koning in het land? vroeg Howard.
--Ach neen! antwoordde Théodore. Ik voel me hier meer boer dan
koning. Maar keer je eens om; hier zie je dwars door den tuin heen,
op ons paleis.
Zij wendden zich en bleven staan, zoodat Otto en Eline hen weldra
inhaalden. Door een groote opening in het loover van het park zag men,
reeds in de verte, de Horze, blank als pleister, met hare jaloezietjes
en kleine witte punttorens, zich spits verheffen in het blauw, terwijl
de groote, met wingerd begroeide, balcons hare blanke eentonigheid
met lommerrijke plekken verbraken. De vijver lag als een ronde spiegel
midden in het frissche groen der gazons, bespikkeld door eene witte,
fladderende vlucht duiven.
--Wat een alleraardigst uitzicht, sprak Eline verrukt. Maar kijk,
wie wuift daar?
--O, dat zullen grootmama en de tantes zijn! riep Cor uit.
Zij bespeurden in de schaduw van een balcon eenige donkere silhouetten,
die zakdoeken schenen te zwaaien, en zij wuifden allen terug, verheugd
over dien groet van thuis, terwijl Etienne hoera schreeuwde.
--Dat is nu hèt kijkje, sprak Théodore, en drukte op het lidwoord. Maar
kom, vooruit nu, anders komen we nooit aan den dikken boom.
Eline sprak tamelijk vlug Engelsch en Howards conversatie vlotte het
best met haar. Howard voerde haar in een druk gesprek, terwijl Eline
aan Otto's arm, in de schaduw van haar parasol, die hij vasthield,
Howard schertsend antwoordde. En het verbaasde Eline zelve, hoe zij
zonder zich de minste moeite te geven, op iederen man een aangenamen
indruk kon maken, terwijl zij eene vrouw slechts met al de listen
harer liefheid tot sympathie verlokken kon.
Door haar gesprek vol scherts en vroolijkheid vloog als een
bliksemstraal die gedachte: Mevrouw van Erlevoort hield slechts van
haar ter wille van Otto, Cathérine uit luchthartigheid, en hun beider
sympathie wortelde niet in eene overtuiging; anders was het met de oude
mevrouw Van Raat, met Cateautje, met Tina... En met een glimlach leunde
zij zwaarder op Otto; wat deerden haar die anderen; zijne liefde stelde
haar ruimschoots schadeloos voor wat zij in anderen miste; zijn liefde
was haar rijkdom en zij gaf niets om de sympathie der menigte....
Het was een drie kwartier wandelens naar den dikken boom. De weg boog
zich uit het blond der korenbloemen langs heiden, roze van erica,
of heuvelachtige dennenbosschen, welriekend van een sterken harsgeur
en vol schaduw tusschen de rechte stammen en onder het donkere,
sombere loof.
Eensklaps, als eene verrassing, bij eene wending van den weg, lag
het dorpje Horze voor de oogen der wandelaars; eenige huisjes en
hutjes met een broodwinkel, een pastorie, eene uitspanning, een stal,
verstrooid om een klein kerkje, en Eline zag verbaasd rond, en zeide,
dat ze het dorp niet zag.
--Maar je bent er... hier... daar... dat is het dorp! zeide Otto.
--Wat! Dat anderhalve huis? vroeg Eline met groote oogen. Zij lachten
allen, zelfs Howard, en Etienne vroeg aan Eline of ze zich iets in
het genre van Nice of Biarritz had voorgesteld.
--Minstens toch iets als Scheveningen met een Kurhaus, nietwaar
Elly? Zeg Elly, weet je nu al het verschil tusschen rogge en haver?
--Neen, niet goed... boekweit ken ik... vlas ken ik, zoo heel
lichtgeel, vol fleurs des champs... en aardappelvelden ken ik! telde
Eline op haar mooie vingertjes. Maar rogge en haver en tarwe en
gierst, neen... neen, ik weet er niets van! Kom me er niet meê aan,
Etienne! Maar Théodore! Is dit nu heusch Horze? Ben je heer en meester
van die een, twee, drie, vier schuren?
En zij schaterde het uit onder den breeden rand van haar grooten,
strooien hoed, hoewel Théodore zich innerlijk een weinig gekrenkt
voelde. Eline zelve had dadelijk berouw over haar vroolijkheid, die
niet in den toon was, en ze beweerde met een ernstig gezicht, dat er
heel pittoresque plekjes waren, zoo een huisje met een paar boomen,
heel lief waarlijk...
--En de dikke boom, waar is de dikke boom? vroeg Eline. Zij gingen
het dorp door, tusschen de pikkende kippen, die verschrikt wegstoven,
terwijl de hoefsmid en een paar boeren den landheer, die hun allen een
woordje toeriep, gul groetten en zijn vreemde familie nastaarden. Men
ging over een vonder, en Théodore rukte een hek open en riep den
jongen toe, de koe op het weiland vast te houden, daar Eline bang was
voor het groote, vette beest, dat zij met zijne uitpuilende starende
oogen en zijn kauwenden, kwijlenden bek, wel wat onrustbarend vond.
--Etienne, Cor, schei toch uit, Cor! riep zij aan den arm van Otto,
Etienne en Cor toe, die een droefgeestig boe! tegen de koe bauwden,
om haar bang te maken.
--Dat komt er van omdat je Horze hebt uitgelachen, Eline! riep Théodore
met zijne basstem, maar zij zag hem, lachende, zoo zacht tusschen haar
half geloken wimpers aan, dat hij geheel ontwapend werd en Etienne
en Cor toemompelde, niet zoo flauw te zijn....
Aan het einde van het weiland stond de dikke boom, een eik op forschen,
omvangrijken stam, als een ineengedrongen reus. Frédérique, Marianne,
Henriette en de kinderen hadden zich reeds tusschen de uitschietende
wortels neêrgevlijd, als tusschen de voeten van een kolos. De anderen
werden met een luid gejuich welkom geheeten en men drong Howard en
Eline zeer hunne bewondering voor den boom toch te uiten. Eline
verzamelde eenige woorden als: kolossaal, immens, maar Théodore
bespeurde aan haar spotziek lachje, dat de eik hoegenaamd geen indruk
op haar maakte, en hij dreigde haar met den vinger, tot zij in een
klaterenden schaterlach uitbarstte en er niet treuriger om werd,
toen Howard, zeer ernstig, beweerde:
--A big tree, indeed! I never saw such a big one. Quite interesting!
--Wacht, ik zal je krijgen! riep Théodore en hij liep Eline na, die
met een lachenden gil vluchtte tot zij weldra hijgend in het gras
neêrzonk en hare handen uitstrekkend, riep:
--Théodore, schei uit hoor! Ik roep Otto!
--Ik zal je leeren! Jou kwade meid! Roep Otto maar, Ik zal je
leeren! en hij vatte hare polsen, en schudde haar uit scherts, terwijl
zij zich aanstelde, of hij haar vreeslijke pijn deed..... Daarna
hielp hij haar op, en zij beloofde, steeds lachende, niet meer zoo
weinig gevoel voor de natuur te hebben.
De kinderen waren, elkaâr bij de hand vasthoudende, met hun Engelschen
oom bezig den boom te omvademen.
--Bespottelijk van Théodore, Eline zoo na te loopen, mompelde
Frédérique ontevreden en Etienne hoorde haar.
--Hé, jij wordt zoo vervelend! riep hij luid uit. Je zou op het laatst
geen grapje meer kunnen hebben!