I.

--Eline! Eline! klonk het uit den tuin.

Eline was met schrik om half-acht wakker geworden--men ontbeet op de

Horze te acht ure--en zij was bezig zich te reppen met haar toilet. Nu,

half gereed, trad zij aan het open venster en zag naar buiten. Het

waren de twee oudste meisjes van Théodore, Marianne en Henriette,

zestien en veertien jaar, vlug en schalk,

--Goedenmorgen! groette Eline vroolijk.

--Wat, ben je al opgestaan? Nu dat is vlug, hoor! Kom je gauw?

--Dadelijk, ik ben zóó klaar....

--Dag Eline, dag Eline! riep een nieuwe stem van buiten. Eline zag

uit en bespeurde Gustaaf, een mooi ventje van tien, met een paar

brutale, blauwe oogen, een echte straatjongen, met niet te wasschen

vuile handen en komiek als een clown.

--Dag Gus, riep zij.

--Zeg Eline, je weet wat je me beloofd hebt?

--Neen?

--Je trouwt met mij, en niet met oom Otto, nietwaar? Je hebt het me

beloofd, hoor je!

--Ja, met jou, hoor! Maar Gus, ik moet me kleeden, anders kom ik niet

klaar! riep Eline, opnieuw voor den spiegel met heur haar bezig...

Zij hoorde het gewoel in den tuin al levendiger worden en het maakte

haar zenuwachtig... Hare mooie gazellenoogen stonden nog wat klein,

heure lokjes vielen niet zooals zij wilde... En toch, uit het park,

vol zonlicht en schaduw, steeg reeds eene veelstemmige vroolijkheid op,

waartusschen zij zoowel de zware stem van Théodore, als het lustige

geschreeuw der Van Rijsseltjes onderscheidde.

--Eline, Eline! riepen meer stemmen buiten.

--Ja, ja, ik kom! antwoordde Eline bijna ongeduldig en ze snoerde

haar ceintuur vast en vloog weg, den langen corridor door, somber van

bruin eikenhout, de breede monumentale trappen af, de vestibule uit...

In den tuin liep Cathérine Howard met haar broêr, Otto. Zij was niet

mooi, maar had een blijmoedig opgewekt gelaat, en zij was bijna zoo

druk van bewegingen als Etienne.

--O, Otto, ik kan het me zoo goed van je begrijpen! sprak zij dwepende

en hangende aan zijn arm. Ik vind haar een snoesje... Uit Freddy's en

Mathilde's brieven maakte ik me een voorstelling van zoo een beetje

een Haagsch nufje, zie je, want ik herinnerde mij haar niet goed meer;

ik had haar alleen vroeger een paar maal gezien, toen zij nog bij

die oude tante inwoonde... een weduwe Vere, geloof ik, nietwaar?

--Ja, sprak Otto.

--Maar, zie je, ik vind ze een snoesje, een snoesje! Ze heeft zoo

iets hartelijks en liefs als ze spreekt, iets eenvoudigs en toch iets

vreeselijk gedistingueerds, quite a lady.... En ze is een beeldje,

ze is bepaald mooi....

--Vindt je? vroeg Otto.

--Nu hoor, je mag wel trotsch zijn.... zoo een vrouwtje is niet voor

iedereen weggelegd.... o, daar gaat de bel, ze zijn hier altijd vroeg

bij de pinken....

Zij wandelden samen naar de open tuinkamer, die met een paar treden

in den tuin uitkwam en traden binnen. Aan de lange ontbijttafel zat

reeds de oude mevrouw Van Erlevoort en knikte met een blijden glimlach

haren zoon en hare dochter toe. Eline stond te praten met Théodore,

die haar noch aan Otto, noch aan Etienne liet denken, stevig en breed

geschouderd als hij voor haar stond met zijn eenigszins ingedrongen,

krachtige gestalte en zijn korten, vollen baard, maar uit zijne luide,

vroolijke, zware stem, klonk de aangeboren, gezonde blijmoedigheid der

Erlevoorten. Zijne vrouw, de jonge mevrouw Van Erlevoort, of Truus,

zooals hij haar noemde, was, bijgestaan door Mathilde en Frédérique,

nog bezig met eenige voorbereidselen tot het maal. Juffrouw Frantzen

zette reeds de Van Rijsseltjes op hunne stoelen en bond hunne

servetjes om. Uit den tuin kwam Etienne met Cor, den achttienjarigen

zoon des huizes, die adelborst was en nu met groot verlof op de Horze

vertoefde; hem volgden de meisjes en de jongens, Willy en Gustaaf,

uitgelaten van scherts om hun Engelschen oom Howard, dien zij niet

begrepen en die Hollandsch van hen moest leeren.

--Dag Nily! zeide Otto terwijl hij Eline naderde.

--Dag Otto! antwoordde Eline, en zij bood hem hare hand en zij

fluisterden even samen. Zij gevoelde zich zeer gelukkig in de nieuwe

bekoring, die haar door een druk familieleven geschonken werd, haar,

die als kind slechts ééne zuster tot speelgenoot had gehad en als

meisje eenzaam bij hare oude tante hare jeugd als vermijmerd had;

zij gevoelde zich zeer gelukkig in het rumoer van zoovele menschen en

kinderen te zamen en zij scheen het leven eerst nu van een anderen kant

te zien, dan zij in haren roes van soirées en bals in Den Haag gedaan

had. De menschen, zij waren allen vriendelijk, zij schenen haar allen

genegen, zelfs Frédérique; de kinderen, zij liet ze op haar schoot

klimmen, en zich met welbehagen door hunne vuile vingertjes liefkoozen,

zonder vrees voor haar toilet of haar kapsel. Zij was nu als verliefd

op Tina, die fijntjes als een klein nufje, door Eline's bevalligheid

en vriendelijkheid werd aangetrokken, zooals Cateau Van der Stoor er

vroeger door aangetrokken was en Eline zat dan ook steeds aan tafel

tusschen Otto en Tina. De oude mevrouw Van Erlevoort zat tusschen

hare twee kleinste kleinkinderen, de jongste van Théodore, Edmée of

Memée en Kitty Howard, de eenige van haar Engelschen schoonzoon, en

toen zij een langzamen blik over de lange tafel, stralend van jeugd en

vroolijkheid, weidde, scheen het haar toe, dat er niemand op de wereld

gelukkiger kon wezen, dan zij met hare grijze haren en haar jong hart.

Na het ontbijt sloeg Théodore voor een tocht te maken naar den

zoogenaamden "dikken boom", want hij beweerde, dat onder de vele dikke

boomen van Gelderland, de hunne, die van de Horze, volstrekt niet de

minste was. Hij zou met Howard, Etienne en Cor wandelen; Eline en Otto

voegden zich bij hen en de kinderen, zelfs Memée en Kitty, bestormden,

onder de hoede der drie meisjes, den reeds aangespannen tentwagen.

Door de eetkamer scheen een orkaan gewoed te hebben. De stoelen

stonden schots en scheef. De tafel was één wanorde van borden en

glazen; servetten slingerden op den grond met een hoed van Tina,

een schop van Nico en een bal van Memée.

--Is het u heusch niet te druk, mama? vroeg Truus, terwijl zij mevrouw

Van Erlevoort, nog aan de ontredderde ontbijttafel gezeten, zuchtende

bij de hand nam. Waarlijk, ik ben soms zoo bang: de kinderen maken

zoo een verschrikkelijk leven, het is een verademing als ze weg zijn.

--Foei! sprak mevrouw; je moest je schamen zoo te spreken.

--Ik ben soms al wanhopig over mijn viertal, Truus! sprak Mathilde;

maar behalve Cor, die zich langzamerhand gaat voelen, zijn die van

jou toch ook nog al woelwaters.

--Maak je niet over mij ongerust, Truus! sprak mevrouw. Ik doe den

heelen winter niets anders dan naar den zomer en de Horze verlangen,

en het doet mij goed bij jullie te zijn. Ook vind ik het lief, dat

je Eline gevraagd hebt.

--Voor het volgende jaar, wanneer ze getrouwd zijn, heb ik ze al

gevraagd bij ons in Londen te komen, gedurende den season, sprak

Cathérine. Ik mag haar heel graag.

De jonge mevrouw Van Erlevoort zag een weinig bedenkelijk voor zich,

terwijl zij een servet opvouwde.

--En jij, Truus? vroeg haar schoonmoeder, wie dit opviel. Jij mag

haar toch ook graag?

--Ach, wat zal ik je zeggen, maatje; ik ken Eline nog zoo weinig. Ik

vind het heel lief van haar, dat ze zich geheel en al schikt naar

onze gewoonten, naar onze leefwijze, en dat ik mij dus niet als voor

een vreemde te geneeren heb: daar zou ik het te druk voor hebben. Dat

vind ik zeker lief in haar. Maar u weet, ik loop niet zoo dadelijk

weg met iemand.

--Dat klinkt mij te diplomatisch toe, kind. Ik hou van iemand, of ik

hou niet van iemand, dat gaat heel eenvoudig bij mij.

--O, u moet niets achter mijn woorden zoeken, dan wat ik er meê

zeg. Ik ken Eline alleen sedert de week, dat ze bij ons logeert; ze

heeft op mij een lieven indruk gemaakt. Maar ik weet nog niet goed,

wat ik aan haar heb.

Mathilde had het op de lippen te zeggen, dat zij, die Eline sedert

jaren kende, dit ook nog niet wist, maar zij zweeg.

--En dan... maar u moet niet boos worden, mama! We spreken er nu

over, nietwaar?

--Zeker kind.

--Ziet u, ik zie zoo iets in Eline, alsof ze zich nooit goed in onze

familie thuis zal voelen. Zij schikt zich, zooals ik zeg, maar ik weet

niet, of dat geheel uit haar hart komt. Ik doe u toch geen verdriet

door zoo te spreken? Ik wensch niets liever, dan dat ik mij vergis

in Eline, en als ik haar langer ken, nietwaar...?

Zij aarzelde het ronduit te zeggen: zij hield niet van Eline. Zij

was eene kloeke, groote vrouw, en eene verstandige moeder, die flink

haar klein rijk regeerde, die vriendelijk maar beslist haar wil

deed gelden; uit die kloekheid en beslistheid vloeide voort, dat zij

meestal rond voor haar meening uitkwam, maar nu: zij wist, dat Mama

Eline, als de aanstaande vrouw van Otto, reeds tot de hunnen rekende;

zij had bespeurd, dat Eline de oude vrouw met een enkel zacht woord,

met een enkel liefkoozend gebaar, tot liefde kon roeren, en zij wilde

mama geen leed doen in de verloofde van haar zoon. Maar in hunne

landelijke atmosfeer--zij kon zich dit niet ontveinzen--detoneerde

Eline als iets gekunstelds, als iets dat niet waar was en dit ergerde

Truus. Zij kon het niet weten, dat Eline op de Horze wellicht nog

het meest zichzelve was, dat zij er zich inderdaad gelukkig gevoelde

in hun eenvoudig familieleven, als in een vernieuwende en louterende

wedergeboorte; zij kon niet tot Eline doordringen, zij ried slechts

iets van de oppervlakte harer ziel; zij zag niet de zalige rust dier

zenuwen, overspannen in een leven van overbeschaafdheid en luxe; zij

zag alleen die ingeboren wereldschheid schemeren door een aangenomen

eenvoud, en dit hinderde haar, zooals de groote, blauwe zijden strik

op Eline's glad, lichtblauw katoentje haar hinderde.

Cathérine Howard was een en al verontwaardiging. Hoe was het mogelijk,

dat Truus zoo iets zeggen kon; dat was toch al heel weinig hartelijk

in eene aanstaande zuster. En zij holde met bijna kinderlijke extaze

in zulke liefkoozende zinnen over Eline door, dat de trekken der

oude vrouw, strak gespannen door de woorden harer schoondochter,

weldra weder glansden van genoegen.

--Neen waarlijk, Truus, ik begrijp je niet... Ik, integendeel,

bewonder Eline, dat ze, vreemd als ze in onze familie is, zich juist

zoo dadelijk thuis voelt, met ons allemaal. Ik kan je verzekeren,

toen ik toch met Howard in Londen kwam--ja, ik kende zijn familie in

het geheel niet, dat is zoo--maar ik voelde me toch wel eens onder

hen als een eend in een vreemde bijt, hoe hartelijk ze ook allemaal

waren! En Eline.... lieve hemel! Het is of ik haar altijd gekend heb;

ze is zoo gemakkelijk, zoo toeschietelijk, je hebt niets geen moeite

met haar. Neen, ik begrijp heusch niet, hoe je ook maar kan denken,

dat ze zich niet thuis bij ons zal voelen... Lief... vind ik dat

allesbehalve van je.

Truus lachte, dat Cathérine vuur en vlam vatte en verontschuldigde

zich zoo goed mogelijk, en daar de meid binnenkwam om af te nemen,

ging de oude mevrouw met Mathilde en Cathérine boven op het ruime,

overschaduwde balcon zitten, terwijl Truus den geheelen verderen

morgen onzichtbaar bleef, verloren in de drukte van haar huishouden.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 91 / 188 题