VI.

De Van Rijsseltjes, die Mathilde niet in de boot vertrouwde, als

Etienne er bij was, hadden zich, toen hunne ongelukkige gezichtjes na

die teleurstelling, afgewischt en opgeklaard waren, met schommel en

wip opnieuw tevreden gesteld. Tina duwde Nico, die zeer deftig zat,

heen en weêr en Johan, met Lientje tusschen zijn beenen zittend, weerde

zich op den tweeden schommel. Daar kwamen echter Marie en Etienne aan,

en toen Nico moê was van zijne deftigheid, klommen zij op de plank.

--Hoog, Eetje, heel hoog? riep Marie.

Etienne, de voeten vast op de plank, bracht met een paar krachtige

buigingen zijner beenen den schommel in beweging.

--Ah! Ik zie, je kan beter schommelen dan roeien! riep Marie.

Zij ook maakte lichte bewegingen, en de schommel zwiepte al hooger

en hooger, terwijl haar rokken door den wind opbolden, haar lange

ceintuur fladderde, haar hoed afwoei en eenige haren in hare wangen

warrelden. Zij haalde diep adem, terwijl zij, hoog in de lucht, bijna

horizontaal over Etienne hing, neêrzwaaide en weder opvloog. Zij

had een gewaarwording, alsof er een onmetelijke afgrond onder haar

gaapte, en of zij hooger, steeds hooger in de blauwe lucht steeg,

als op de wieken van een grooten vogel. Hare oogen schitterden, hare

wangen gloeiden en zij had gaarne de koorden losgelaten, om zich met

een wanhopige vlucht te storten in het ijle....

Daar bespeurde zij de vier kinderen, die beneden ontzet naar die

"groote menschen", die zoo hoog mochten schommelen, opzagen, en zij

wilde ze een woordje toeroepen, maar haar keel weigerde geluid te

geven... Etienne was als dronken en hooger zwaaide de plank....

--Etienne... genoeg... genoeg, Etienne! murmelde Marie en sloot

haar oogen.

En eene duizeling overviel haar bijna, toen de vlucht van den

grooten vogel verminderde, langzamerhand verminderde en ten laatste

ophield. Zij wankelde toen zij weder op den grond stond.

Etienne raapte haar hoed op...

--Heerlijk geschommeld, hè? riep hij buiten adem.

Marie knikte glimlachend, en streek zich met een hijgenden zucht heure

verwarde haren uit het gelaat. En toen Etienne, gekheid makend, het op

een loopen zette, en zijne neefjes en nichtjes toeriep, dat zij hem

nooit zouden vangen, en toen de Van Rijsseltjes hem naderden, Nico

het laatst haastig voortschuddende op zijn dikke beentjes.... toen

zeeg Marie in het gras neêr, bij den schommel, en barstte in tranen

uit... Zij dacht aan Lili en aan Georges, hoe die beiden alleen en

zeer gelukkig waren geweest, terwijl zij, Marie, naar de weilanden

en de koeien gestaard had, tot zij sterren voor hare oogen had zien

schemeren, en hoe zij, Georges en Lili, alleen en zeer gelukkig waren

geweest, terwijl zij lelies en plompen uit het water had gerukt,

hard, heel hard...

Hoofdstuk XIX.

Eline Vere: Een Haagsche roman · 第 90 / 188 题