--Mama vraagt, of jullie komen ontbijten? riep Johan Van Rijssel het
viertal toe, dat lag te mijmeren in de zon. Luie, groote menschen;
hè, jullie liggen te slapen, geloof ik...
En hij klom naar hen toe en vocht met Paul, wiens groote ledematen,
in volle lengte uitgespreid, hem ergerden. Frédérique en Etienne
richtten zich op uit hun teedere houding en beweerden honger te hebben.
--Zeker van het nietsdoen? schreeuwde Jan, die hen ook kwam roepen. Wij
hebben al geschommeld en gewipt en met de ezelwagen gereden en op
een hooiwagen geklommen, en jullie liggen maar te dutten....
--Chut! Meer eerbied, hoor, voor den ouderdom! sprak Marie deftig.
Ze daalden nu allen het pad, dat zij eerst opgeklommen waren, af,
opnieuw vechtende met de twijgen, die hun den doortocht versperden,
toen zij achter zich hoorden fluiten. Omziende zagen zij Georges en
Lili, vol heimelijke vroolijkheid.
--We hebben een plekje gevonden, heel koel! sprak Georges ironisch.
--O, zoo koel! herhaalde Lili.
Nu werden zij overvallen met een kruisvuur van verontwaardigde blikken
en plagerijen en hielden zich dus wijselijk een weinig achter; toch
zorgden zij er voor tegelijkertijd met de anderen aan de ontbijttafel
te komen.
Mevrouw Verstraeten en Mathilde waren ijverig geweest, trots de
warmte. Op het grove witte tafellaken verhieven zich stapels van
broodjes, met schalen vol kersen en aardbeien en een groote kom
vol room tusschen twee blonde tulbanden. Zestien stoelen stonden om
de tafel geschaard en de Van Rijsseltjes, rood van hitte, moe van
het draven, met glinsterende oogjes en vochtige, op de voorhoofdjes
klevende haren, namen met begeerige oogjes alles op. Nico zat reeds,
rammelend met glas en vork, en allen zetten zich en mevrouw en Mathilde
hadden het druk met aanreiken naar alle kanten.
--De Woude, er wordt niet geprezenteerd, neem wat je aanstaat! sprak
mevrouw en het was weldra eene luidruchtige vroolijkheid, terwijl
de broodjes en de tulbanden verdwenen, en de kippen met den haan
zenuwachtig rondliepen om de tafel; vooral in de nabuurschap van Nico,
die ze tot wanhoop van Mathilde heele boterhammen offerde. Jan,
intusschen, verweet opnieuw aan de drie jongelieden hun luiheid,
en naar hij beweerde met volle reden.
Achter de boerderij namelijk lag eene breede vaart, met een bootje,
en Jan en Cateau hadden er reeds gebruik van willen maken, maar mevrouw
Verstraeten had het hun verboden, zoolang er niet een der ouderen bij
was. Na het ontbijt stormden zij er dan ook naar toe; Paul en Etienne
zouden roeien; Jan beweerde goed te zullen sturen en Frédérique, Marie
en Cateau waren de "schoone en zoete last" zooals Etienne beweerde.
--Zouden Georges en Lili zoo maar vertrouwd zijn, met hun
beidjes? vroeg Paul, terwijl hij met zijn roeispaan de boot van den
oever afstiet. Kom, Etienne, gelijk op....
--Waar zijn ze? O, kijk, daar verdwijnen ze, achter die heg! riep
Frédérique. Marie, dat je als oudere zuster zoo iets toelaat!
Marie lachte goedig.
--Ach, laat ze maar gelukkig zijn! sprak ze eenvoudig. Etienne
echter had veel drukte, zeker om het gemis aan roeikunst te bedekken,
terwijl hij de vreemdste bewegingen met zijn riem maakte. Paul werd
beurtelings wanhopig en driftig....
--Maar Etienne, je kan er niets van, laat je roeispaan toch niet
zoo neêrploffen.
Een regen van druppels was over hen heen gezonken...
--Je maakt me kletsnat! sprak Frédérique verontwaardigd.
--Ach kom, denk je, dat ik niet roeien kan?
Cateau en Jan lachten Etienne uit en hij maakte zooveel dwaasheid, dat
Toosje aan Paul durfde vragen of zij eens roeien mocht. Zij beschouwde
toch meneer Van Raat als den kapitein. Etienne werd, trots tal van
wederstrevingen, die de boot bijna deden omkantelen, van zijn post
ontzet en Cateautje zette zich triumfeerend naast Paul, vol ijver
om met hem gelijk in de maat te blijven met het rijzen en het dalen
van haar roeispaan, die zij krampachtig, zonder vrees voor blaren,
in beide handen hield omvat. En zij genoot, wanneer hun riemen, als
door éene kracht bewogen, gelijkmatig het groene water scheerden....
--Prachtig, Cateau, je kan het! prees Marie. Jan, stuur eens naar
die lelies en naar die plompen....
Jan stuurde en het bootje zwenkte langzaam naar een plas vol kroos
waarop de witte en gele bekers der waterlelies en plompen lagen,
tusschen de platte ronde blâren. Marie boog zich, vatte een lelie
bij haar taaien, lijmerigen stengel en trok, en trok tot zij de bloem
met een zeer langen steel uit het kroos ophief.
--Daar, daar zijn er veel! riep Jan, verderop wijzende.
En zij gleden voort, tusschen een zoom van wilgen met in het
water slepende, zilverige loovertakken en een zoom van weiland,
en Marie plukte werktuiglijk de modderige bloemen uit het water,
zonder doel. Zij hoorde niet meer, hoe de anderen schertsten,
hoe Cateautje en Etienne in een hevig dispuut waren over de wijze,
waarop men een riem moest houden; zij rukte slechts, onbevreesd voor
het kroos, haar bloemen op, wier stelen zij als vochtige slangen aan
haar voeten wierp, en zij dacht er aan, dat als men hard, steeds
hard rukte, zoo hard tot de stengels bijna de vingers wondden, de
bloemen moesten loslaten. Zoo kon men ook eene dwaasheid zich hard,
hard rukken uit zijn gedachte.... al bloedde die ook later na.